26.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/36
Hogere voorziening ingesteld op 29 november 2007 door Association de la presse internationale ASBL (API) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Grote kamer) van 12 september 2007 in zaak T-36/04, Association de la presse internationale ASBL (API)/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-528/07 P)
(2008/C 22/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Association de la presse internationale ASBL (API) (vertegenwoordigers: S. Völcker, Rechtsanwalt, F. Louis, avocat, en C. O'Daly, Solicitor)
Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 september 2007 in zaak T-36/04, API/Commissie, te vernietigen voor zover het Gerecht van eerste aanleg daarin heeft bevestigd dat de Commissie gerechtigd is de toegang tot haar memories te weigeren in zaken waar nog een terechtzitting moet worden gehouden;
—
de delen van beschikking D(2003) 30621 van de Commissie van 20 november 2003 die door het Gerecht in zaak T-36/04 niet reeds nietig zijn verklaard, nietig te verklaren, of anders de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen ter verdere afdoening in het licht van het arrest van het Hof van Justitie; en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante betoogt dat het bestreden arrest om de volgende redenen moet worden vernietigd:
1.
In de eerste plaats heeft het Gerecht van eerste aanleg een onjuiste uitlegging gegeven aan artikel 4, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1049/2001 (de „uitzondering voor gerechtelijke procedures”) door te overwegen dat de Commissie geen concrete beoordeling hoeft te maken bij de beslissing of zij toegang tot haar memories verleent voor de terechtzitting. Deze uitlegging i) is in strijd met de vaste beginselen voor de uitlegging van de uitzondering voor gerechtelijke procedures; ii) gaat uit van de premisse van een niet-bestaand recht van de Commissie om haar belangen „vrij van enige invloed van buiten” te verdedigen; iii) berust, voor zover op het „beginsel van de procedurele gelijkheid” een beroep wordt gedaan, op een kennelijk onjuiste rechtsopvatting; iv) hecht ten onrechte geen belang aan de regels van andere gerechtelijke instanties op het punt van de inzage in memories voor de terechtzitting; en iv) steunt ten onrechte op de noodzaak het nuttig effect van de procedures achter gesloten deuren van de gerechten van de Gemeenschap te beschermen.
2.
In de tweede plaats heeft het Gerecht van eerste aanleg het begrip „hoger openbaar belang” van artikel 4, lid 2, in fine, van verordening nr. 1049/2001 onjuist uitgelegd door vast te stellen dat wat de bij de rechter ingediende schriftelijke memories betreft, het algemene belang bij de inhoud van een geding voor de gerechten van de Gemeenschap niet kan prevaleren boven een belang dat onder de uitzondering voor gerechtelijke procedures valt.
Full & Egal Universal Law Academy