23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/35
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad (Bulgarije) op 4 december 2007 — Apis-Hristovich EOOD/Lakorda AD
(Zaak C-545/07)
(2008/C 51/57)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Apis-Hristovich EOOD
Verwerende partij: Lakorda AD
Prejudiciële vragen
1)
Hoe moeten de begrippen „permanente overbrenging” en „tijdelijke overbrenging” worden uitgelegd en van elkaar worden afgebakend
—
om vast te stellen of opvraging in de zin van artikel 7, lid 2, sub a, van richtlijn 96/6/EG uit een met elektronische middelen toegankelijke databank heeft plaatsgevonden,
—
op welk tijdstip moet daarbij opvraging in de zin van artikel 7, lid 2, sub a, van richtlijn 96/6/EG (1) uit een met elektronische middelen toegankelijke databank worden geacht te hebben plaatsgevonden,
—
welke invloed op de beoordeling van die opvraging heeft de omstandigheid dat de op deze wijze opgevraagde inhoud van een databank voor het opstellen van een nieuwe, gewijzigde databank is gebruikt?
2)
Welk criterium moet worden gebruikt bij de uitlegging van het begrip „opvraging van een in kwalitatief opzicht substantieel deel”, wanneer de databanken in verschillende subgroepen zijn verdeeld en in deze subgroepen die zelfstandige producten op de markt vormen, worden gebruikt? Moet de omvang van de databanken in het globale product of de omvang van de databanken in de respectieve subgroepen als criterium worden gebruikt?
3)
Moet het gegeven dat een bepaalde soort beweerdelijk opgevraagde gegevens door de fabrikant zijn verworven uit een bron die niet algemeen toegankelijk is, zodat deze gegevens enkel door opvraging uit de databanken van deze fabrikant konden worden verkregen, als criterium bij de uitlegging van het begrip „een in kwalitatief opzicht substantieel deel” worden gebruikt?
4)
Welke criteria moeten worden toegepast om vast te stellen of opvraging uit een met elektronische middelen toegankelijke databank heeft plaatsgevonden? Kan de omstandigheid dat de databank van de fabrikant een bepaalde structuur, aantekeningen, verwijzingen, commando's, velden, hyperlinks en redactionele teksten bevat die ook in de databank van de vermeende plagiaatpleger aanwezig zijn, een aanwijzing voor opvraging vormen? Spelen in het kader van deze beoordeling de verschillende basisstructuren voor de organisatie van de met elkaar vergeleken databanken een rol?
5)
Speelt het computerprogramma of het systeem voor het beheer van de databank een rol bij de vaststelling of opvraging heeft plaatsgevonden, indien het geen onderdeel van de databank uitmaakt?
6)
Hoe moeten de in richtlijn 96/9/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie gebruikte begrippen „een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van een databank” waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud getuigt van een substantiële investering, worden uitgelegd met betrekking tot algemeen toegankelijke wetteksten en handelingen van individuele strekking van organen van de uitvoerende macht, hun officiële vertalingen en de rechtspraak?
(1) Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77, blz. 20).
Full & Egal Universal Law Academy