8.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 64/17
Beroep ingesteld op 5 december 2007 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-546/07)
(2008/C 64/26)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Traversa en P. Dejmek, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 49 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen en in strijd heeft gehandeld met de standstillclausule in hoofdstuk 2: „Vrij verkeer van personen”, punt 13, van bijlage XII, bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte van 16 april 2003, doordat zij
a)
in haar administratieve praktijk het begrip „onderneming van de andere kant” in artikel 1, lid 1, van de Duits-Poolse regeringsovereenkomst van 31 januari 1990 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers van Poolse ondernemingen met het oog op het uitvoeren van aannemingscontracten, aldus uitlegt dat daaronder wordt verstaan een „Duitse onderneming” en
b)
op grond van de zogenoemde Arbeitsmarktschutzklausel (clausule ter bescherming van de arbeidsmarkt) de regionale beperkingen voor de toegang van werknemers na 16 april 2003, dat wil zeggen na de dag van ondertekening van het EU-Toetredingsverdrag voor Polen, heeft uitgebreid
—
de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
A.
De terbeschikkingstelling van Poolse werknemers met het oog op het uitvoeren van aannemingscontracten in Duitsland wordt geregeld in een overeenkomst van 31 januari 1990 tussen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Poolse regering betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers van Poolse ondernemingen met het oog op het uitvoeren van aannemingscontracten. In de Duitse administratieve praktijk wordt het begrip „onderneming van de andere kant” in artikel 1, lid 1, van voornoemde overeenkomst aldus uitgelegd dat daaronder wordt verstaan een „Duitse onderneming”.
B.
Hieruit volgt dat enkel Duitse ondernemingen krachtens de overeenkomst aannemingscontracten kunnen sluiten. Ondernemingen uit andere lidstaten die in Duitsland werkzaamheden willen verrichten, hebben derhalve geen andere keuze dan het oprichten van een dochteronderneming in Duitsland. Ondernemingen uit andere lidstaten worden er daardoor van weerhouden hun door artikel 49 EG gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting uit te oefenen door voor werkzaamheden die in de Bondsrepubliek Duitsland moeten worden verricht, aannemingscontracten te sluiten met Poolse ondernemingen op basis van de Duits-Poolse overeenkomst. Het betreft hier dus een rechtstreekse discriminatie van ondernemingen uit andere lidstaten dan Duitsland, op grond van hun nationaliteit, respectievelijk vestigingsplaats.
C.
Overeenkomstig artikel 46 EG juncto artikel 55 EG kunnen discriminerende bijzondere regelingen enkel worden gerechtvaardigd uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. Volgens vaste rechtspraak kan op de openbare orde als rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 46 EG slechts een beroep kan worden gedaan, indien een discriminerende maatregel dient te worden gehandhaafd om het hoofd te bieden aan een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
D.
Aan deze voorwaarden is in casu niet voldaan. Voor het toezicht op de correcte uitvoering van de overeenkomst is een beperking tot ondernemingen die gevestigd zijn in Duitsland niet noodzakelijk, aangezien alle aanvragen toch al bij de Duitse instanties moeten worden ingediend. De kwesties van de aansprakelijkstelling van de opdrachtgever voor de betaling van socialezekerheidspremies en van de bestraffing van onrechtmatigheden, zijn niet specifiek verbonden met de overeenkomst inzake de aannemingscontracten, maar doen zich algemeen voor bij het verrichten van diensten in Duitsland door ondernemingen uit andere lidstaten. Ook is niet duidelijk waarom de openstelling van de bilaterale overeenkomst voor ondernemingen uit andere lidstaten zou kunnen leiden tot een onjuiste toepassing of een omzeiling van de overgangsbepalingen in de toetredingsakte. In geen geval levert de vrees voor een onjuiste toepassing van de overgangsbepalingen een ernstig gevaar op voor de openbare orde of veiligheid dat een discriminerende beperking van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen.
E.
Uit de bewoordingen van de standstillclausule in hoofdstuk 2, punt 13, van bijlage XII, bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte van 16 april 2003, blijkt dat de standstillverplichting absoluut is en dat elke verslechtering van de toegang van Poolse Werkvertragsarbeitnehmer (werknemers met een overeenkomst van bepaalde duur) tot de Duitse arbeidsmarkt ten opzichte van de situatie op 16 april 2003 verboden is. Volgens de zogenoemde Arbeitsmarktschutzklausel, die in de administratieve praktijk van de Bundesagentur für Arbeit (federaal arbeidsbureau) voortdurend wordt toegepast, zijn aannemingscontracten evenwel in beginsel niet toegestaan, voor zover zij moeten worden uitgevoerd in een arbeidsbureaudistrict waarin het werkloosheidspercentage de laatste zes maanden gemiddeld minstens 30 % hoger was dan het werkloosheidspercentage in de Bondsrepubliek Duitsland. De lijst van onder deze regeling vallende arbeidsbureaudistricten wordt om de drie maanden bijgewerkt. Hieruit volgt dat de Arbeitsmarktschutzklausel in strijd is met de standstillclausule van de toetredingsakte, aangezien na 16 april 2003 op de lijst van districten waarvoor aannemingscontracten niet worden toegestaan, nieuwe arbeidsbureaudistricten zijn opgenomen.
Full & Egal Universal Law Academy