8.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 64/19
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) op 11 december 2007 — Deniz Sahin/Bundesminister für Inneres
(Zaak C-551/07)
(2008/C 64/28)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Deniz Sahin
Verwerende partij: Bundesminister für Inneres
Prejudiciële vragen
1)
a)
Moeten de artikelen 3, lid 1, en 6, lid 2, alsook 7, lid 1, sub d, en lid 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (1) — hierna: „de richtlijn” — aldus worden uitgelegd dat zij ook familieleden in de zin van artikel 2, lid 2, van de richtlijn omvatten die onafhankelijk van de burger van de Unie het gastland zijn binnengekomen (artikel 2, lid 3, van de richtlijn) en pas daar de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met de burger van de Unie zijn gaan samenwonen?
b)
Zo ja, is dan tevens relevant dat het familielid op het tijdstip dat het de hoedanigheid van familielid verkrijgt dan wel in familieverband gaat samenwonen, legaal in het gastland verblijft? Zo ja, is dan voor legaal verblijf voldoende dat het familielid enkel op grond van zijn positie als asielzoeker recht op verblijf heeft?
c)
Indien uit het antwoord op de vragen 1a en 1b uit de richtlijn geen verblijfsrecht volgt van een „slechts” als asielzoeker verblijfsgerechtigd familielid dat onafhankelijk van de burger van de Unie het gastland is binnengekomen en pas daar de hoedanigheid van familielid heeft verkregen dan wel in familieverband met de burger van de Unie is gaan samenwonen: kan dan desondanks in een situatie die erdoor wordt gekenmerkt dat het familielid sinds iets meer dan vier jaar in het gastland verblijft en aldaar sinds een jaar gehuwd is met een burger van de Unie — met wie hij sinds ongeveer drieëneenhalf jaar samenwoont en met wie hij een kind van 20 maanden heeft —, uit artikel 18 EG en/of artikel 39 EG, tegen de achtergrond van het recht op eerbiediging van het familieleven, een recht op verblijf worden afgeleid?
2)
Staan de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 1, van de richtlijn in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die op grond van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7, lid 2, van de richtlijn, een recht van verblijf hebben, geen verblijfskaart („verblijfskaart voor familieleden van een burger van de Unie”) kunnen verkrijgen, alleen omdat zij ingevolge de bepalingen van het asielrecht van het gastland een (voorlopig) recht op verblijf in deze staat hebben?
(1) PB L 158, blz. 77.
Full & Egal Universal Law Academy