8.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 64/25
Beroep ingesteld op 21 december 2007 — Commissie/Helleense Republiek
(Zaak C-568/07)
(2008/C 64/37)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Zavvos en E. Traversa)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 21 april 2005 in zaak C-140/03, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG;
—
de Helleense Republiek te gelasten om aan de Commissie een dwangsom te betalen, te stellen op 70 956 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-140/03, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de dag waarop het arrest in zaak C-140/03 zal zijn uitgevoerd;
—
de Helleense Republiek te gelasten om aan de Commissie een forfaitaire som te betalen, te berekenen door vermenigvuldiging van een dagelijks bedrag met het aantal dagen dat de niet-nakoming voortduurt, vanaf de dag waarop het arrest in zaak C-140/03 is gewezen tot de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden gewezen;
—
de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
In zijn arrest van 21 april 2005 in zaak C-140/03, Commissie/Griekenland, betreffende beperkingen op het openen en exploiteren van optiekzaken, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld:
„1)
Door het aannemen en handhaven van wet nr. 971/79 betreffende de uitoefening van het beroep van opticien en betreffende de optiekzaken, die het een gediplomeerd opticien/natuurlijk persoon niet toestaat meer dan één optiekzaak te exploiteren, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 43 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2)
Door het aannemen en handhaven van wet nr. 971/79 en wet nr. 2646/98 inzake de uitbouw van het nationale stelsel van sociale zorgverlening en andere bepalingen, die de opening van een optiekzaak door een rechtspersoon in Griekenland afhankelijk stelt van de volgende voorwaarden:
—
de vergunning om de optiekzaak op te richten en te exploiteren is afgegeven op naam van een natuurlijk persoon die een erkende opticien is, de persoon die de exploitatievergunning voor de optiekzaak bezit, neemt voor ten minste 50 % deel in het maatschappelijk kapitaal en in de winst en het verlies van de vennootschap, de vennootschap heeft de vorm van een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, en
—
de betrokken opticien neemt ten hoogste deel in nog één andere vennootschap die een optiekzaak bezit, op voorwaarde dat de vergunning om de optiekzaak op te richten en te exploiteren is afgegeven op naam van een andere erkende opticien,
is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
3)
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.”
2.
Artikel 228, lid 1, EG bepaalt dat, indien het Hof van Justitie vaststelt dat een lidstaat krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, deze staat gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.
3.
Bij brief van 9 juni 2005 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen de Griekse regering verzocht, maatregelen te nemen om het voormelde arrest van het Hof van Justitie uit te voeren. In die brief herinnerde de Commissie er ook aan, dat wet 3204/2003, althans wat de tweede grief betreft, geen passend antwoord op het arrest van het Hof kon vormen, aangezien in het kader van die wet het recht om een optiekzaak op te richten en te exploiteren, overwegend voorbehouden blijft aan opticiens.
4.
De Griekse regering heeft bij brief van 11 augustus 2005 geantwoord dat verschillende bepalingen van wet 971/1979 waren gewijzigd en dat lid 4 van artikel 27 van wet 2646/1998 was ingetrokken. Met name opent het nieuwe lid 6 van artikel 6 van wet 971/1979 de mogelijkheid om meer dan een zaak te exploiteren, zowel voor natuurlijke personen met een vergunning om het beroep van opticien uit te oefenen, als voor vennootschappen, voor zover de leiding van de zaak wordt toevertrouwd aan een opticien die over een dergelijke uitoefeningsvergunning beschikt.
5.
Het nieuwe lid 1 van artikel 7 van wet 971/1979 staat vennootschappen, ongeacht hun rechtsvorm, toe een optiekzaak te openen op voorwaarde: 1) voor personenvennootschappen, dat de meerderheid van de vennoten en de beheerder of de meerderheid van de beheerders opticiens zijn met een vergunning om dat beroep uit te oefenen; 2) voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (EPE), dat meer dan de helft van de vennoten die meer dan de helft van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, opticiens zijn met een vergunning om dat beroep uit te oefenen; 3) voor naamloze vennootschappen (AE), dat ten minste 51 % van het kapitaal toebehoort aan opticiens, burgers van landen van de Europese Unie, die beschikken over de bekwaamheden bedoeld in wet 971/1979, presidentieel decreet 231/1998 en presidentieel decreet 165/2000, zoals gewijzigd bij presidentieel decreet 373/2001.
6.
Volgens verzoekster vormt het nieuwe lid 1 van artikel 7 van wet 971/1979 geen passend antwoord op de tweede grief. Dat artikel blijft de eigendom van optiekzaken immers voorbehouden aan erkende opticiens, aangezien deze de meerderheid van de vennoten moeten vormen of de meerderheid van het kapitaal van de vennootschap moeten bezitten.
7.
Er bestaat dus nog steeds een beperking op de vrijheid van vestiging in Griekenland voor vennootschappen uit andere lidstaten, aangezien die nooit volledig eigenaar van een optiekzaak kunnen zijn. Een dergelijke beperking kan niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren. Zoals het Hof van Justitie in zijn arrest C-140/03 van 21 april 2005 heeft geoordeeld, kan die doelstelling „worden bereikt met maatregelen die de vrijheid van vestiging van zowel natuurlijke als rechtspersonen minder beperken, bijvoorbeeld met het vereiste dat in elke optiekzaak een gediplomeerde opticien als werknemer of vennoot aanwezig moet zijn, de regeling voor de burgerlijke aansprakelijkheid voor derden, en een regeling die een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voorschrijft” (punt 35).
8.
Bijgevolg is de Commissie van mening dat de Helleense Republiek met het nieuwe lid 1 van artikel 7 van wet 971/1979 nog steeds niet voldoet aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG. De door de Helleense Republiek vastgestelde bepalingen geven dus slechts gedeeltelijk uitvoering aan het in punt 1 genoemde arrest.
9.
Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek nog niet alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 21 april 2005 in zaak C-140/03, Commissie/Griekenland, betreffende met de artikelen 43 EG en 48 EG onverenigbare beperkingen op het openen en exploiteren van optiekzaken.
Full & Egal Universal Law Academy