Zaak C‑132/07
Beecham Group plc e.a.
tegen
Andacon NV
(verzoek van de Rechtbank van Koophandel te Brussel om een prejudiciële beslissing)
„Doorhaling”
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER VAN HET HOF
12 maart 2009 (*)
„Doorhaling”
In zaak C‑132/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Rechtbank van Koophandel te Brussel (België) bij beslissing van 26 februari 2007, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2007, in de procedure
Beecham Group plc e.a.
tegen
Andacon NV,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE TWEEDE KAMER VAN HET HOF,
advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Bij beslissing van 26 februari 2007, ingekomen bij het Hof op 5 maart 2007, heeft de Rechtbank van Koophandel te Brussel krachtens artikel 234 EG enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4, lid 2, 6 en 9, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB L 196, blz. 7) en van artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1891/2004 van de Commissie van 21 oktober 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB L 328, blz. 16).
2 Op 16 mei 2007 zijn verzoeksters in het hoofdgeding echter van die uitspraak in beroep gegaan bij het Hof van Beroep te Brussel (België). Dientengevolge is de procedure op nationaal niveau bij laatstgenoemde rechterlijke instantie voortgezet.
3 Bij brieven van 6 maart en 17 maart 2008, ingekomen bij het Hof op 10 maart en 25 maart, hebben partijen in het hoofdgeding het Hof meegedeeld dat zij de zaak in der minne hadden geregeld en dat de gestelde prejudiciële vragen daardoor zonder voorwerp waren geraakt.
4 Vervolgens heeft het Hof van Beroep het Hof het op 9 juni 2008 in het hoofdgeding gewezen arrest doen toekomen, waarin werd vastgesteld dat de zaak in der minne was geregeld en de doorhaling ervan werd gelast.
5 In die omstandigheden heeft het Hof, bij brief van 20 november 2008 de Rechtbank van Koophandel meegedeeld dat het voornemens was om, onder voorbehoud van eventuele opmerkingen vóór 15 december 2008 van de kant van de rechtbank, de voor hem aanhangige zaak door te halen.
6 Op die brief heeft de Rechtbank van Koophandel niet gereageerd.
7 Bijgevolg dient de doorhaling van deze zaak in het register van het Hof te worden gelast.
8 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
De president van de Tweede kamer van het Hof beschikt:
Zaak C‑132/07 wordt doorgehaald in het register van het Hof.
Luxemburg, 12 maart 2009.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
C. W. A. Timmermans
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy