Zaak C‑156/07
Salvatore Aiello e.a.
tegen
Comune di Milano e.a.
(verzoek van de Consiglio di Stato om een prejudiciële beslissing)
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 85/337/EEG – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Aanleg van weg te Milaan”
Samenvatting van de beschikking
1. Milieu – Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Verplichting van lidstaten om projecten die aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, te onderwerpen aan milieueffectbeoordeling – Omvang
(Richtlijn 85/337 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, art. 2, lid 1)
2. Milieu – Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Bepaling door lidstaten van onder bijlage II vallende projecten die moeten worden onderworpen aan milieueffectbeoordeling
(Richtlijn 85/337 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, art. 4 en bijlagen II en III)
3. Milieu – Milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Bepaling door lidstaten van onder bijlage II vallende projecten die moeten worden onderworpen aan milieueffectbeoordeling
(Richtlijn 85/337 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, art. 4 en bijlagen II en III)
1. Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, moet aldus worden uitgelegd dat het niet vereist dat elk project dat een aanzienlijk milieueffect kan hebben, wordt onderworpen aan de beoordelingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, maar dat alleen de in de bijlagen I en II bij deze richtlijn genoemde projecten daaraan moeten worden onderworpen, onder de in artikel 4 van die richtlijn genoemde voorwaarden en onder voorbehoud van artikel 1, leden 4 en 5, en artikel 2, lid 3, daarvan.
(cf. punt 34, dictum 1)
2. De lidstaten moeten de in bijlage III bij richtlijn 85/337 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, genoemde relevante selectiecriteria toepassen wanneer zij voor de onder bijlage II daarbij vallende projecten hetzij door middel van een onderzoek per geval, hetzij aan de hand van de drempelwaarden of de criteria die zij vaststellen, bepalen of het betrokken project moet worden onderworpen aan de milieueffectbeoordelingsprocedure.
Ingevolge artikel 4, lid 2, van die richtlijn staat het aan de lidstaten om zelf te bepalen in welke gevallen de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen. Deze bepaling laat de lidstaten twee mogelijkheden. De eerste is om per geval te beslissen of een in die bijlage II bedoeld project moet worden onderworpen aan deze beoordeling. De tweede is om op algemene en abstracte wijze aan de hand van drempelwaarden of criteria te bepalen welke projecten van deze bijlage aan die beoordeling zullen moeten worden onderworpen.
Uit de bewoordingen zelf van artikel 4, lid 3, van die richtlijn volgt dat de lidstaten zowel in het ene als in het andere geval verplicht zijn om rekening te houden met de in bijlage III bij deze richtlijn vastgelegde relevante selectiecriteria, dat wil zeggen met die criteria die gelet op de kenmerken van het betrokken project moeten worden toegepast.
(cf. punten 37‑40, 46, dictum 2)
3. Wanneer een lidstaat ervoor opteert om per geval te bepalen welke van de projecten die vallen onder bijlage II bij richtlijn 85/337 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, moet hij hetzij door een verwijzing in zijn nationale voorschriften naar bijlage III bij deze richtlijn, hetzij door in zijn nationale voorschriften de in deze bijlage genoemde criteria over te nemen, ervoor zorgen dat met al deze criteria daadwerkelijk rekening kan worden gehouden wanneer het ene of het andere criterium relevant is voor het betrokken project, zonder expliciet of impliciet criteria te kunnen uitsluiten. Een dergelijke uitsluiting zou namelijk, naargelang van de kenmerken van de nationale rechtsorde waarom het gaat, de bevoegde nationale instantie hetzij kunnen ontmoedigen, hetzij zelfs kunnen beletten om met het betrokken criterium of de betrokken criteria rekening te houden.
(cf. punten 48‑51, dictum 3)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)
10 juli 2008 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 85/337/EEG – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Aanleg van weg te Milaan”
In zaak C‑156/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) bij beslissing van 24 oktober 2006, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2007, in de procedure
Salvatore Aiello e.a.
tegen
Comune di Milano e.a.,
in tegenwoordigheid van:
Euromilano SpA,
Metropolitana milanese SpA,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J.‑C. Bonichot (rapporteur) en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5; hierna: „richtlijn 85/337”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. Aiello e.a. en de Comune di Milano e.a. betreffende de aanleg van een verbindingsweg tussen bepaalde noordelijke wijken van Milaan.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 1, lid 2, van richtlijn 85/337 preciseert:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
Vergunning:
Het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren.”
4 Artikel 1, lid 4, van richtlijn 85/337 bepaalt:
„Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die bestemd zijn voor defensiedoeleinden.”
5 Artikel 1, lid 5, van richtlijn 85/337 luidt:
„Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met de onderhavige richtlijn worden nagestreefd, met inbegrip van de verstrekking van gegevens, dan worden bereikt via de wetgevingsprocedure.”
6 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 bepaalt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.”
7 Artikel 2, lid 3, van richtlijn 85/337 luidt:
„Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn.”
8 Artikel 4 van richtlijn 85/337 bepaalt:
„1. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
a) door middel van een onderzoek per geval,
of
b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,
of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten om beide sub a en b genoemde procedures toe te passen.
3. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld.”
9 Punt 7, sub c, van bijlage I bij richtlijn 85/337 luidt:
„Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.”
10 Punt 10, sub e, van bijlage II bij richtlijn 85/337 luidt als volgt:
„Aanleg van wegen, [...]”
11 In bijlage III bij richtlijn 85/337 valt te lezen:
„1. Kenmerken van de projecten
Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
– [...]
– de cumulatie met andere projecten,
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Bij decreet van 15 november 2001 heeft de voorzitter van de Raad van Ministers van de Italiaanse Republiek de noodtoestand uitgeroepen in de stad Milaan wegens de door het autoverkeer veroorzaakte vervuiling en de ontoereikende capaciteit van het bestaande wegennet. Bij beschikking van 28 december daaraanvolgend heeft de minister van Binnenlandse Zaken de burgemeester van Milaan benoemd tot commissaris die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de maatregelen die nodig waren om aan deze situatie het hoofd te bieden.
13 In het kader van zijn functie van commissaris belast met verkeers‑ en mobiliteitsvraagstukken in de stad Milaan, heeft de burgemeester van deze stad een programma voor werken goedgekeurd, waaronder het project tot aanleg van een weg met een lengte van 1 600 m, die bepaalde noordelijke wijken van Milaan met elkaar moest verbinden. Op 27 oktober 2002 heeft hij het definitieve project met betrekking tot deze weg goedgekeurd.
14 Aiello en andere bewoners van het betrokken gebied zijn tegen deze beslissing opgekomen bij het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia (regionale rechtbank voor bestuursaangelegenheden te Lombardije). Zij hebben met name betoogd dat de gevolgde procedure niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht was, omdat het project niet aan een milieueffectbeoordeling was onderworpen.
15 De rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig was gemaakt, heeft dit beroep ongegrond verklaard, en Aiello e.a. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (Raad van State).
16 De Consiglio di Stato heeft maatregelen van instructie gelast waaruit is gebleken dat weliswaar het algemene plan voor stedelijke ontwikkeling van Milaan uit 1953 voorzag in de aanleg van een weg die een snelle verbinding moest vormen tussen de wijken van de stad die meer dan tien kilometer uit elkaar lagen, maar dat van deze doelstelling uiteindelijk is afgezien ten faveure van een ander project, dat de aanleg van meerdere onderscheiden wegen betrof. Twee straten zouden zijn aangelegd, waarvan de eerste aanleiding is geweest tot het hoofdgeding; de tweede is een andere weg, met een lengte van 1 300 m.
17 De Consiglio di Stato is derhalve van oordeel dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project geen verband houdt met de aanleg van één enkele weg van meer dan tien kilometer die zou vallen onder bijlage I bij richtlijn 85/337, waarin de projecten worden opgesomd waarvoor een milieueffectbeoordeling verplicht is, maar met de aanleg van een weg die valt onder bijlage II bij deze richtlijn, die louter de aanleg van wegen noemt.
18 De Consiglio di Stato vraagt zich echter af of het litigieuze project niet aan een dergelijke beoordeling moest worden onderworpen, met name krachtens artikel 4 van junctis bijlage II en bijlage III bij richtlijn 85/337, op grond dat dit project deel uitmaakt van een grotere actie tot herstructurering van een geheel van wegen in de betrokken wijken, zodat de bevoegde instantie de „cumulatie” van verschillende projecten in overweging had moeten nemen, welk criterium uitdrukkelijk in voornoemde bijlage III is neergelegd. Hij heeft in deze omstandigheden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 2 van richtlijn [85/337], waar het stelt dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen en dat die projecten in artikel 4 [van deze richtlijn] worden omschreven, aldus worden uitgelegd dat elk project met een aanzienlijk milieueffect aan [deze] milieueffectbeoordeling wordt onderworpen, zelfs wanneer het niet voorkomt op de lijsten van de bijlagen I en II bij [deze] richtlijn, of daarentegen aldus dat alleen de in bijlage I en II bij [deze] richtlijn bedoelde projecten aan [deze] milieueffectbeoordelingsprocedure moeten worden onderworpen?
2) Schept artikel 4 van richtlijn [85/337], waar het de lidstaten de mogelijkheid geeft om voor de [onder] bijlage II [bij deze richtlijn vallende] projecten een milieueffectbeoordeling uit te voeren, hetzij per geval, hetzij op basis van vooraf bepaalde criteria, waarbij bovendien rekening wordt gehouden met de criteria van bijlage III [bij die richtlijn], een nauwgezette verplichting of slechts een bevoegdheid voor de lidstaten om rekening te houden met de criteria van [deze] bijlage III?
3) Vormt artikel 1 van het decreet van de president van de Republiek van 12 april 1996 de juiste omzetting door de Italiaanse wetgever van artikel 4 van richtlijn [85/337] en van bijlage III daarbij, gelet op het feit dat daarin, voor de in bijlage II bij de richtlijn genoemde projecten, als criterium voor onderwerping aan een milieueffectbeoordeling niet het in voornoemde bijlage III verankerde criterium van cumulatie van het project met andere projecten is opgenomen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
19 Volgens artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, met name wanneer het antwoord op een gestelde vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een dergelijke vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij met redenen omklede beschikking.
Ontvankelijkheid
20 De Comune di Milano is van mening dat de door de Consiglio di Stato opgeworpen vragen niet-ontvankelijk zijn omdat de twee projecten voor de aanleg van wegen waaraan deze in de verwijzingsbeslissing refereert, onderscheiden projecten vormen en zij bovendien geen cumulatief effect op het milieu kunnen hebben.
21 In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie met name arrest van 10 mei 2001, Agorà en Excelsior, C‑223/99 et C‑260/99, Jurispr. blz. I‑3605, punt 18).
22 In casu heeft de verwijzende rechter duidelijk aangegeven dat voor hem de uitlegging van meerdere bepalingen van richtlijn 85/337 noodzakelijk was om te bepalen of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde project voor de aanleg van een weg moest worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling.
23 Voorts kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de door deze gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arrest Agorà en Excelsior, reeds aangehaald, punt 20).
24 In casu is geen van deze voorwaarden vervuld.
25 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Ten gronde
26 Van oordeel dat over het antwoord op de drie gestelde vragen redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, heeft het Hof de verwijzende rechter ervan in kennis gesteld dat het voornemens was, overeenkomstig artikel 104, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en heeft het de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
27 Aiello e.a. en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben op het verzoek van het Hof gereageerd. De Commissie heeft in haar antwoord verklaard dat zij er geen bezwaar tegen had dat het Hof bij met redenen omklede beschikking zou beslissen. Aiello e.a. hebben vergelijkbare argumenten aangevoerd als in hun schriftelijke opmerkingen en verzocht om een terechtzitting te houden. Het Hof ziet hierin evenwel geen aanleiding om van de voorgenomen procedure af te zien.
– Eerste vraag
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, maar die niet in de bijlagen I en II bij deze richtlijn worden vermeld, niettemin moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, overeenkomstig die welke in die richtlijn is voorzien.
29 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 bepaalt dat projecten die, onder meer gezien de aard, omvang of ligging ervan, een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, en waarvoor op die grond een beoordeling van die effecten moet plaatsvinden, worden omschreven in artikel 4 van die richtlijn.
30 Ingevolge artikel 4, lid 1, moeten de onder bijlage I bij richtlijn 85/337 vallende projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, en ingevolge artikel 4, lid 2, staat het voor de onder bijlage II bij deze richtlijn vallende projecten aan de lidstaten om aan de hand van bepaalde drempelwaarden of criteria te bepalen of deze projecten al dan niet aan een dergelijke beoordeling moeten worden onderworpen.
31 Tevens zij eraan herinnerd dat in dit artikel voor de twee in het voorgaande punt genoemde gevallen een voorbehoud wordt gemaakt met betrekking tot de toepassing van artikel 2, lid 3, van richtlijn 85/337, op grond waarvan de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de beoordelingsvereisten kunnen verlenen.
32 Overigens bepaalt artikel 1, lid 4, van richtlijn 85/337 dat deze niet van toepassing is op projecten die bestemd zijn voor defensiedoeleinden, en artikel 1, lid 5, dat zij niet van toepassing is op projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet, aangezien de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen dan worden geacht te worden bereikt via de wetgevingsprocedure.
33 In elk geval moet er tevens aan worden herinnerd dat richtlijn 85/337 een ruime werkingssfeer en een zeer breed doel heeft (zie arresten van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a., C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punt 31, en 16 september 2004, Commissie/Spanje, C‑227/01, Jurispr. blz. I‑8253, punt 46), en in deze geest moet er uitvoering aan worden gegeven.
34 Bijgevolg en gelet op de punten 29 tot en met 32 van deze beschikking, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 aldus moet worden uitgelegd dat het niet vereist dat elk project dat een aanzienlijk milieueffect kan hebben, wordt onderworpen aan de beoordelingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, maar dat alleen de in de bijlagen I en II bij deze richtlijn genoemde projecten daaraan moeten worden onderworpen, onder de in artikel 4 van die richtlijn genoemde voorwaarden en onder voorbehoud van artikel 1, leden 4 en 5, en artikel 2, lid 3, daarvan.
– Tweede vraag
35 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de lidstaten de in bijlage III bij richtlijn 85/337 genoemde selectiecriteria moeten toepassen wanneer zij krachtens artikel 4, lid 2, van deze richtlijn voor de onder bijlage II daarbij vallende projecten door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van de drempelwaarden of de criteria die zij vaststellen, bepalen of deze projecten moeten worden onderworpen aan de milieueffectbeoordelingsprocedure.
36 In dit verband heeft het Hof reeds beslist dat de lidstaten weliswaar de criteria en/of drempelwaarden kunnen vaststellen aan de hand waarvan kan worden bepaald welke van de projecten die vallen onder bijlage II bij richtlijn 85/337, in de oorspronkelijke versie ervan, aan een dergelijke beoordeling moeten worden onderworpen, maar dat hun beoordelingsmarge wordt begrensd door de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn neergelegde verplichting om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien de aard, omvang of ligging ervan, aan een beoordeling van die effecten te onderwerpen (zie met name arrest van 23 november 2006, Commissie/Italië, C‑486/04, Jurispr. blz. I‑11025, punt 53).
37 Ingevolge artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 staat het aan de lidstaten om zelf te bepalen in welke gevallen de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, terwijl de in bijlage I vermelde projecten altijd aan een dergelijke beoordeling moeten worden onderworpen.
38 Diezelfde bepaling laat de lidstaten twee mogelijkheden. De eerste is om per geval te beslissen of een in die bijlage II bedoeld project moet worden onderworpen aan deze beoordeling. De tweede is om op algemene en abstracte wijze aan de hand van drempelwaarden of criteria te bepalen welke projecten van deze bijlage aan die beoordeling zullen moeten worden onderworpen.
39 Uit de bewoordingen zelf ervan volgt dat artikel 4, lid 3, van richtlijn 85/337 de lidstaten zowel in het ene als in het andere geval de verplichting oplegt om rekening te houden met de in bijlage III bij deze richtlijn vastgelegde relevante selectiecriteria, dat wil zeggen met die criteria die gelet op de kenmerken van het betrokken project moeten worden toegepast.
40 Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de lidstaten de in bijlage III bij richtlijn 85/337 genoemde relevante selectiecriteria moeten toepassen wanneer zij voor de onder bijlage II daarbij vallende projecten hetzij door middel van een onderzoek per geval, hetzij aan de hand van de drempelwaarden of de criteria die zij vaststellen, bepalen of het betrokken project moet worden onderworpen aan de milieueffectbeoordelingsprocedure.
– Derde vraag
41 Met zijn derde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om te preciseren of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Italiaanse regeling een juiste omzetting van artikel 4 van richtlijn 85/337 waarborgt, gelet op het feit dat in deze regeling niet het criterium van cumulatie met andere projecten is opgenomen, terwijl dat criterium wel in bijlage III bij deze richtlijn wordt genoemd, als selectiecriterium waarmee rekening moet worden gehouden wanneer de nationale bevoegde instantie bepaalt of projecten die onder bijlage II bij deze richtlijn vallen, moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling.
42 Volgens vaste rechtspraak is het Hof in het kader van een procedure krachtens artikel 234 EG niet bevoegd om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met bepalingen van gemeenschapsrecht. Daarentegen is het Hof wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens over de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die deze in staat stellen te beoordelen of nationale bepalingen verenigbaar zijn met de gemeenschapsregeling (arrest van 6 maart 2007, Placanica e.a., C‑338/04, C‑359/04 en C‑360/04, Jurispr. blz. I‑1891, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de nationale rechter wenst te vernemen of de lidstaten bij de omzetting van richtlijn 85/337 in hun nationale rechtsorde zijn gehouden tot vaststelling van een bepaling waarin wordt herinnerd aan de verplichting dat het in bijlage III bij deze richtlijn genoemde criterium van cumulatie van het betrokken project met andere projecten wordt geëerbiedigd, wanneer moet worden beoordeeld of een onder bijlage II daarbij vallend project dient te worden onderworpen aan de milieueffectbeoordeling als bedoeld in deze richtlijn.
44 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat elke lidstaat waarvoor een richtlijn is bestemd, verplicht is om in zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van die richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (arrest van 30 november 2006, Commissie/Luxemburg, C‑32/05, Jurispr. blz. I‑11323, punt 32).
45 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de bepalingen van een richtlijn moeten worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid, dat, in het geval waarin deze richtlijn voor particulieren rechten in het leven beoogt te roepen, verlangt dat de begunstigden hun rechten in volle omvang kunnen kennen (arrest van 4 december 1997, Commissie/Italië, C‑207/96, Jurispr. blz. I‑6869, punt 26).
46 In casu moet artikel 4 van richtlijn 85/337 aldus worden uitgelegd dat het de bevoegde instantie verplicht, rekening te houden met de in bijlage III bij deze richtlijn genoemde relevante selectiecriteria bij de beoordeling of een onder bijlage II daarbij vallend project moet worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, hetzij wanneer deze beoordeling per geval plaatsvindt, hetzij wanneer de betrokken lidstaat voor een algemene regeling heeft geopteerd.
47 Wanneer een lidstaat ervoor kiest om, zoals hem dat door richtlijn 85/337 wordt toegestaan, op algemene en abstracte wijze te bepalen voor welke onder bijlage II bij deze richtlijn vallende projecten een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden, moet hij een lijst van deze projecten opstellen met toepassing, al naargelang het geval, van één of meerdere relevante criteria van die bijlage III. Het cumulatiecriterium kan aldus in de gevallen waarin het relevant is, worden gebruikt om een projecttype aan een dergelijke beoordeling te onderwerpen, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van dit project met andere projecten, in voorkomend geval met inachtneming van de verwezenlijking van al deze projecten samen gedurende een bepaalde periode.
48 Wanneer een lidstaat daarentegen geheel of gedeeltelijk ervoor opteert om per geval te bepalen welke onder bijlage II bij richtlijn 85/337 vallende projecten moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, moet hij ervoor zorgen dat de bevoegde nationale instanties rekening houden met de verschillende in bijlage III bij deze richtlijn genoemde criteria, voor zover zij gelet op de kenmerken van het betrokken project relevant zijn.
49 Hiertoe staat het deze lidstaat vrij om in de nationale wetgeving naar de criteria van die bijlage III te verwijzen. Hij kan deze criteria tevens in zijn wetgeving integreren door uitdrukkelijk te bepalen dat de bevoegde instanties daaraan moeten refereren om per geval te bepalen of voor een onder bijlage II bij richtlijn 85/337 vallend project een milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden.
50 Hoe dan ook kan een lidstaat, wanneer hij ervoor kiest om op deze manier te werk te gaan, niet, zonder zijn communautaire verplichtingen te verzaken, expliciet of impliciet één of meerdere criteria van bijlage III bij richtlijn 85/337 uitsluiten, aangezien naargelang van het onder bijlage II bij deze richtlijn vallende project waarom het gaat, elk van deze criteria relevant kan zijn voor de vraag of een milieueffectbeoordelingsprocedure moet plaatsvinden. Een dergelijke uitsluiting zou namelijk, naargelang van de kenmerken van de nationale rechtsorde waarom het gaat, de bevoegde nationale instantie hetzij kunnen ontmoedigen, hetzij zelfs kunnen beletten om met het betrokken criterium of de betrokken criteria rekening te houden.
51 Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat wanneer een lidstaat ervoor opteert om per geval te bepalen welke van de onder bijlage II bij richtlijn 85/337 vallende projecten moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, hij hetzij door een verwijzing in zijn nationale voorschriften naar bijlage III bij deze richtlijn, hetzij door in zijn nationale voorschriften de in deze bijlage genoemde criteria over te nemen, ervoor moet zorgen dat met al deze criteria daadwerkelijk rekening kan worden gehouden wanneer het ene of het andere criterium relevant is voor het betrokken project, zonder expliciet of impliciet criteria te kunnen uitsluiten.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, moet aldus worden uitgelegd dat het niet vereist dat elk project dat een aanzienlijk milieueffect kan hebben, wordt onderworpen aan de beoordelingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, maar dat alleen de in de bijlagen I en II bij deze richtlijn genoemde projecten daaraan moeten worden onderworpen, onder de in artikel 4 van die richtlijn genoemde voorwaarden en onder voorbehoud van artikel 1, leden 4 en 5, en artikel 2, lid 3, daarvan.
2) De lidstaten moeten de relevante selectiecriteria genoemd in bijlage III bij richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, toepassen wanneer zij voor de onder bijlage II daarbij vallende projecten hetzij door middel van een onderzoek per geval, hetzij aan de hand van de drempelwaarden of de criteria die zij vaststellen, bepalen of het betrokken project moet worden onderworpen aan de milieueffectbeoordelingsprocedure.
3) Wanneer een lidstaat ervoor opteert om per geval te bepalen welke van de projecten die vallen onder bijlage II bij richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, moet hij hetzij door een verwijzing in zijn nationale voorschriften naar bijlage III bij deze richtlijn, hetzij door in zijn nationale voorschriften de in deze bijlage genoemde criteria over te nemen, ervoor zorgen dat met al deze criteria daadwerkelijk rekening kan worden gehouden wanneer het ene of het andere criterium relevant is voor het betrokken project, zonder expliciet of impliciet criteria te kunnen uitsluiten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy