Zaak C‑242/07 P
Koninkrijk België
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Beroepstermijn – Artikel 43, lid 6, van Reglement voor procesvoering van Gerecht – Neerlegging van origineel van verzoekschrift na verstrijken van termijn – Niet-ontvankelijkheid – Begrip ‚verschoonbare dwaling’ – Begrip ‚toeval’”
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 8 november 2007
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Toeval of overmacht – Begrip
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 45, tweede alinea)
2. Procedure – Motivering van arresten – Omvang
3. Procedure – Beroepstermijnen – Verval van recht – Verschoonbare dwaling – Begrip
4. Procedure – Beroepstermijnen – Beroep ingesteld per telefax – Termijn voor neerlegging van ondertekend origineel
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 43, lid 6)
5. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Herstel – Voorwaarden
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 6)
1. Van de gemeenschapsregelingen inzake de procestermijnen kan slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie worden afgeweken, aangezien een strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden.
De begrippen overmacht en toeval bevatten een objectief element, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de marktdeelnemers betreffen, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de marktdeelnemer het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de gestelde termijnen in acht te nemen. Het is niet de taak van het Gerecht, het gebrek aan zorgvuldigheid van een verzoeker goed te maken.
(cf. punten 16‑17, 23)
2. De op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren houdt niet in, dat het elk argument van de verzoeker gedetailleerd moet beantwoorden, met name wanneer het argument onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs.
(cf. punten 20, 34)
3. Het feit dat een justitiabele er volledig kennis van heeft dat een beslissing definitief is, en op de hoogte is van de krachtens artikel 230 EG toepasselijke beroepstermijn, sluit op zichzelf niet uit dat hij een verschoonbare dwaling kan aanvoeren ter rechtvaardiging van de overschrijding van de beroepstermijn. Een dergelijke dwaling kan zich met name voordoen wanneer de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag, op zich of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid.
(cf. punt 29)
4. De bewoordingen zelf van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht laten het Gerecht geen enkele beoordelingsvrijheid bij de toepassing van deze bepaling. Aan de mogelijkheid voor een verzoeker om zich voor de berekening van de procestermijnen te beroepen op de datum waarop de griffie van het Gerecht een telefax heeft ontvangen, is de voorwaarde gekoppeld dat het ondertekende origineel van het processtuk waarvan op die manier een kopie is toegestuurd, uiterlijk tien dagen later ter griffie binnenkomt. Wanneer de telefax meer dan tien dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de instelling van een beroep bij het Gerecht wordt ontvangen, heeft artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet tot gevolg dat deze termijn wordt verlengd.
In die omstandigheden kan een lidstaat zich niet op schending van het evenredigheidsbeginsel beroepen, aangezien de niet-ontvankelijkheid van het beroep te wijten is aan het gebrek aan zorgvuldigheid van deze lidstaat om het ondertekende origineel van het verzoekschrift binnen de beroepstermijn ter griffie van het Gerecht te doen toekomen, en niet aan de wijze waarop het Gerecht artikel 43, lid 6, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft toegepast, welke bepaling in dit Reglement het gebruik van de moderne communicatietechnieken heeft geregeld en waarvan in casu één van de toepassingsvoorwaarden niet was vervuld.
(cf. punten 38‑40)
5. Ook al beschikt een verzoeker volgens artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht over de mogelijkheid om een verzuim in het verzoekschrift te herstellen, onder meer door ontbrekende bijlagen over te leggen, is dit herstel slechts mogelijk voor zover, overeenkomstig artikel 21 van het Statuut van het Hof, dat van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, is voldaan aan de essentiële voorwaarde voor aanhangigmaking bij het Gerecht, te weten de neerlegging van het verzoekschrift. Het verzoekschrift is immers het processtuk waarmee het geding wordt ingeleid en waarin partijen het voorwerp van het geschil moeten omschrijven, terwijl de bijlagen slechts een bewijs‑ en hulpfunctie hebben. In die omstandigheden kan de neerlegging van bijlagen niet worden geacht gelijk te staan met een gedeeltelijke neerlegging van het verzoekschrift.
(cf. punt 41)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)
8 november 2007 (*)
„Hogere voorziening – Beroepstermijn – Artikel 43, lid 6, van Reglement voor procesvoering van Gerecht – Neerlegging van origineel van verzoekschrift na verstrijken van termijn – Niet-ontvankelijkheid – Begrip ‚verschoonbare dwaling’ – Begrip ‚toeval’”
In zaak C‑242/07 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 16 mei 2007,
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck als gemachtigde, bijgestaan door J.‑P. Buyle en C. Steyaert, advocaten,
rekwirant,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Flynn en A. Steiblytė als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: K. Schiemann, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. Kūris en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Koninkrijk België om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2007, België/Commissie (T‑5/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard zijn beroep tot nietigverklaring van de in een brief van 18 oktober 2006 vervatte beschikking van de Commissie houdende weigering om de door hem betaalde hoofdsom en de rente over de vorderingen van het Europees Sociaal Fonds terug te betalen (hierna: „litigieuze beschikking”), op grond dat dat beroep niet tijdig was ingesteld en de ingeroepen omstandigheden geen toeval vormden in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53 van dit Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht.
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beschikking
2 Uit de bestreden beschikking blijkt dat de litigieuze beschikking op 19 oktober 2006 aan het Koninkrijk België is betekend en dat de termijn waarover deze lidstaat beschikte om beroep tot nietigverklaring van die beschikking in te stellen krachtens artikel 230 EG verstreek op 2 januari 2007.
3 Op 21 december 2006 heeft het Koninkrijk België per telefax een kopie van haar ondertekend verzoekschrift, met bijlagen, ter griffie van het Gerecht doen toekomen. Overeenkomstig artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht had deze datum voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking kunnen worden genomen, mits het ondertekende origineel van het verzoekschrift uiterlijk tien dagen later ter griffie van het Gerecht was neergelegd.
4 Uit de bestreden beschikking blijkt evenwel dat het Gerecht op 27 december 2006 enkel de originele bijlagen had ontvangen, terwijl het ondertekende origineel van het verzoekschrift, dat per vergissing per diplomatieke post aan de Belgische ambassade te Luxemburg was gestuurd, uiteindelijk pas op 5 januari 2007 ter griffie van het Gerecht is binnengekomen.
5 Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking dan ook verklaard dat aangezien het Koninkrijk België het ondertekende origineel van het verzoekschrift niet binnen tien dagen na de verzending van de kopie ervan per telefax had doen toekomen, voor de berekening van de beroepstermijnen uitsluitend de datum van neerlegging van het ondertekende origineel van het verzoekschrift, te weten 5 januari 2007, in aanmerking kon worden genomen. Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat het verzoekschrift laattijdig was neergelegd.
6 Bij brief van 2 februari 2007 heeft het Koninkrijk België zich evenwel ter verkrijging van een afwijking van de betrokken termijn beroepen op verschoonbare dwaling, en heeft het toeval in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie ingeroepen.
7 Deze lidstaat betoogde in die brief dat zijn diensten de vereiste zorgvuldigheid aan de dag hadden gelegd door geruime tijd vóór het verstrijken van de beroepstermijn per telefax een kopie van het ondertekende verzoekschrift toe te sturen en dat hij de niet-verzending van het originele verzoekschrift pas heeft kunnen opmerken toen dit hem op 5 januari 2007 door de griffie van het Gerecht werd gemeld. Bovendien benadrukt deze lidstaat dat een per telefax verstuurd ondertekend verzoekschrift niet als nietig kan worden aangemerkt op grond dat het origineel niet binnen een termijn van tien dagen is binnengekomen.
8 Na de communautaire rechtspraak betreffende het begrip toeval in herinnering te hebben gebracht, heeft het Gerecht in de bestreden beschikking geoordeeld dat de laattijdige neerlegging van het origineel van het verzoekschrift toe te schrijven was aan het feit dat het betrokken ministerie dit origineel had doen toekomen aan de Belgische ambassade te Luxemburg, die het uiteindelijk pas op 5 januari 2007 ter griffie van het Gerecht heeft neergelegd. Het Gerecht was eveneens van oordeel dat geen enkel ander element was overlegd om aan te tonen dat uitzonderlijke omstandigheden of abnormale gebeurtenissen buiten de invloedssfeer van de instellingen van het Koninkrijk België ten grondslag zouden hebben gelegen aan het beweerde toeval. Ten slotte heeft het met betrekking tot de door deze lidstaat ingeroepen verschoonbare dwaling geoordeeld dat vragen betreffende het functioneren van de diensten van rekwirant de aldus begane dwaling op zich niet verschoonbaar konden maken.
De hogere voorziening
9 Met zijn hogere voorziening, ter ondersteuning waarvan het vier middelen aanvoert, verzoekt het Koninkrijk België het Hof:
– de bestreden beschikking te vernietigen;
– zijn beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ontvankelijk te verklaren en de door hem voor het Gerecht geformuleerde vorderingen toe te wijzen;
– de zaak in voorkomend geval terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg.
10 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt de hogere voorziening af te wijzen en het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten.
11 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen.
Het eerste middel: ontoereikende motivering van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
12 Het Koninkrijk België verwijt het Gerecht, de communautaire rechtspraak te hebben weergegeven zonder in de motivering van de bestreden beschikking te verduidelijken waarom het uit de omstandigheden van de onderhavige zaak niet afleidde dat er sprake was van toeval of van verschoonbare dwaling.
13 Het is inzonderheid van mening dat het Gerecht heeft geweigerd te erkennen dat er sprake was van toeval, door enkel de door zijn diensten begane vergissing vast te stellen en door ten onrechte te verklaren dat het Koninkrijk België geen andere elementen had overgelegd. Daarmee heeft het Gerecht onder meer niet gemotiveerd waarom het niet tot het bestaan van toeval heeft geconcludeerd op basis van een aantal elementen waarop niettemin was gewezen, zoals het feit dat een van zijn regeringsambtenaren, die met de voor het Hof aanhangige zaak C‑227/06 was belast, omstreeks 27 december 2006 telefonisch contact heeft gehad met de griffie van het Hof, die hem zou hebben bevestigd dat er twee enveloppen waren binnengekomen en hem zou hebben verzekerd dat alles in orde was, alsook de omstandigheid dat het Gerecht hem pas op 5 januari 2007 heeft gemeld dat het originele verzoekschrift niet was ontvangen, terwijl de bijlagen inderdaad op 27 december 2006 waren binnengekomen.
14 Met betrekking tot de verschoonbare dwaling heeft het Gerecht volgens het Koninkrijk België niet uitgelegd waarom de uitzonderlijke en nooit eerder ingetreden omstandigheid dat het originele verzoekschrift – in tegenstelling tot de bijlagen – niet tijdig ter griffie was binnengekomen, niet de conclusie wettigde dat er in casu sprake was van verschoonbare dwaling. Bijgevolg zou het in dit verband eveneens de motiveringsplicht hebben geschonden.
15 De Commissie betoogt van haar kant dat de beschikking rechtens toereikend is gemotiveerd en dat het Koninkrijk België op basis ervan de redenen kan kennen waarom het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
Beoordeling door het Hof
16 Er zij aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, dat van de gemeenschapsteksten inzake de beroepstermijnen slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan worden afgeweken, aangezien een strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie in die zin onder meer arrest van 26 november 1985, Cockerill-Sambre/Commissie, 42/85, Jurispr. blz. 3749, punt 10, en beschikkingen van 5 februari 1992, Frankrijk/Commissie, C‑59/91, Jurispr. blz. I‑525, punt 8, en 7 mei 1998, Ierland/Commissie, C‑239/97, Jurispr. blz. I‑2655, punt 7).
17 Het Hof heeft eveneens reeds de gelegenheid gehad om te preciseren dat de begrippen overmacht en toeval een objectief element bevatten, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de marktdeelnemers betreffen, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen, door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen. In het bijzonder moet de marktdeelnemer het verloop van de ingeleide procedure nauwkeurig in de gaten houden en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen (arrest Hof van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 32).
18 In casu heeft het Gerecht, na de hierboven genoemde rechtspraak in herinnering te hebben geroepen, in punt 16 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de laattijdige neerlegging van het origineel van het verzoekschrift toe te schrijven was aan de omstandigheid dat het Koninkrijk België dit origineel per diplomatieke post had verstuurd.
19 Wat de andere door het Koninkrijk België ingeroepen elementen betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld dat dit laatste zich voor het eerst in de fase van de hogere voorziening beroept op een beweerd telefoongesprek met de griffie van het Hof, die hem zou hebben bevestigd dat alles in orde was. In dit verband volstaat het vast te stellen dat, voor zover een dergelijk element niet voor het Gerecht is ingeroepen, dit laatste niet kan worden verweten, dit element niet in de motivering van de bestreden beschikking te hebben opgenomen.
20 Aangaande de omstandigheid dat de griffie hem pas op 5 januari 2007 heeft gemeld dat het origineel van het verzoekschrift niet was binnengekomen, zij eraan herinnerd dat de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet inhoudt dat het elk argument van rekwirant gedetailleerd moet beantwoorden, met name wanneer het argument onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs (zie in die zin arrest van 11 januari 2007, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu moet worden vastgesteld dat, ook al wordt in voornoemde brief van 2 februari 2007 verklaard dat het feit dat de griffie de ontvangst van de zending van het Koninkrijk België niet onmiddellijk heeft bevestigd, een externe omstandigheid vormt, deze lidstaat die verklaring evenwel geenszins heeft geëxpliciteerd. Daardoor is zij onvoldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen bepalen of zij pertinent is voor de beoordeling of er sprake was van toeval.
22 In die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het Gerecht in punt 16 van de bestreden beschikking zonder zijn motiveringsplicht te schenden heeft kunnen oordelen, dat geen enkel ander element was overgelegd ten bewijze dat het beweerde toeval te wijten was aan uitzonderlijke omstandigheden of abnormale gebeurtenissen buiten de invloedssfeer van de instellingen van het Koninkrijk België.
23 In elk geval kan het Koninkrijk België niet stellen dat de griffie van het Gerecht hem te laat heeft meegedeeld dat het originele verzoekschrift niet was binnengekomen. Het staat immers uitsluitend aan de verzoeker, het verloop van de ingeleide procedure nauwgezet te volgen en met name de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen om de voorziene termijnen in acht te nemen (zie in die zin arrest Bayer/Commissie, reeds aangehaald, punt 32), zodat het niet de taak van het Gerecht is, het gebrek aan zorgvuldigheid van een verzoeker goed te maken.
24 Wat ten slotte de omstandigheid betreft dat het origineel van het verzoekschrift niet tijdig ter griffie van het Gerecht is binnengekomen, terwijl de bijlagen wel binnen de beroepstermijn zijn neergelegd, volstaat de vaststelling dat het Koninkrijk België in voornoemde brief van 2 februari 2007 niet heeft uitgelegd waarom deze omstandigheid zo uitzonderlijk was dat sprake was van verschoonbare dwaling.
25 Hieraan dient overigens te worden toegevoegd dat een dergelijke omstandigheid hoe dan ook in het kader van gerechtelijke procedures niet uitzonderlijk is en in casu evenmin buiten de invloedssfeer van de instellingen van het Koninkrijk België lag.
26 Gelet op het voorgaande dient het eerste middel dan ook kennelijk ongegrond te worden verklaard.
Het tweede middel: onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het begrip verschoonbare dwaling
Argumenten van partijen
27 Volgens het Koninkrijk België heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 18 van de bestreden beschikking te oordelen dat de vragen betreffende het functioneren van zijn diensten op zich de begane dwaling niet verschoonbaar konden maken.
28 De Commissie is van mening dat het Gerecht zich trouw aan de communautaire rechtspraak heeft gehouden en dat het in bovengenoemd punt 18 op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betrokken lidstaat zich niet op het slecht functioneren van zijn interne organisatie kan beroepen als bewijs dat in casu sprake was van verschoonbare dwaling.
Beoordeling door het Hof
29 Er zij aan herinnerd dat het feit dat een justitiabele er volledig kennis van heeft dat een beschikking definitief is, en op de hoogte is van de krachtens artikel 230 EG toepasselijke beroepstermijn, op zichzelf niet uitsluit dat hij een verschoonbare dwaling kan aanvoeren ter rechtvaardiging van de overschrijding van de beroepstermijn. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer arrest Bayer/Commissie, reeds aangehaald, punt 26) kan een dergelijke dwaling zich met name voordoen wanneer de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag, op zich of in beslissende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid (arrest Hof van 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en ECB, C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837, punt 24).
30 Het Gerecht heeft bovengenoemde rechtspraak in de bestreden beschikking juist toegepast. Nadat het in punt 16 van die beschikking had geconstateerd dat de tardieve neerlegging van het verzoekschrift het gevolg was van de slechte werking van de diensten van het betrokken ministerie, kon het op goede gronden oordelen dat in casu, bij gebreke van andere elementen, de kwesties betreffende het functioneren van de diensten van het Koninkrijk België op zich de begane dwaling niet verschoonbaar konden maken, aangezien deze dwaling juist aan een gebrek van zorgvuldigheid van deze diensten was te wijten.
31 Bijgevolg moet het tweede middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
Derde middel: onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering doordat het Gerecht een argument niet heeft onderzocht
Argumenten van partijen
32 Het Koninkrijk België betoogt dat het Gerecht niet heeft onderzocht het door hem in zijn brief van 2 februari 2007 opgeworpen argument volgens hetwelk het feit dat de niet-inachtneming van de termijn van tien dagen om het ondertekende origineel van het verzoekschrift ter griffie van het Gerecht te doen toekomen, met nietigheid van het verzoekschrift wordt bestraft, neerkomt op een buitensporige procedurele strengheid, die in tegenspraak is met de huidige ontwikkeling van de communicatiemiddelen, zoals die met name tot uiting komt in de regeling betreffende een communautair kader voor elektronische ondertekeningen.
Beoordeling door het Hof
33 In casu kon voor de berekening van de procestermijnen geen rekening worden gehouden met de datum van ontvangst van de telefax, aangezien enkel de datum van neerlegging ter griffie van het origineel van het verzoekschrift in aanmerking kon worden genomen. Daar deze laatste datum buiten de termijn viel waarover het Koninkrijk België voor de indiening van zijn beroep beschikte, kon het Gerecht slechts concluderen, niet dat het verzoekschrift nietig was, zoals deze lidstaat stelt, maar dat het beroep in kwestie niet-ontvankelijk was wegens de laattijdige neerlegging van het verzoekschrift.
34 Bij lezing van de brief van 2 februari 2007 blijkt dit beweerde argument van rekwirant in feite veeleer neer te komen op een algemene kritiek op de regels die in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn neergelegd, welke regels het Gerecht evenwel, zoals in punt 16 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht, strikt dient toe te passen. De op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren houdt niet in, dat het elk argument van de verzoeker gedetailleerd moet beantwoorden, met name wanneer het argument onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs (zie arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 121, en 11 september 2003, België/Commissie, C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 81).
35 Bijgevolg moet het derde middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
Argumenten van partijen
36 Het Koninkrijk België betoogt dat de niet-ontvankelijkheid die aan een verzoekschrift wordt tegengeworpen ingeval het origineel ervan niet ter griffie van het Gerecht binnenkomt binnen tien dagen na de verzending van een kopie ervan per telefax die binnen de in artikel 230 EG gestelde termijn heeft plaatsgevonden, een schending van het evenredigheidsbeginsel vormt. Bij gebreke van dwingende vereisten in verband met de rechtszekerheid verlangt de eerbiediging van dit beginsel dat een verzoekschrift dat binnen de door het EG-Verdrag gestelde beroepstermijn per telefax is binnengekomen, niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, voor zover dit verzoekschrift wordt neergelegd binnen tien dagen na het verstrijken van de termijn die is gesteld voor de neerlegging van het verzoekschrift per telefax. Bovendien kan het originele verzoekschrift worden geacht gedeeltelijk tijdig ter griffie van het Gerecht te zijn neergelegd, aangezien de originele bijlagen zijn binnengekomen op 27 december 2006.
37 De Commissie stelt dat het onderhavige middel niet-ontvankelijk is, voor zover het in feite gericht is tegen de wettigheid van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Volgens de Commissie kan het Koninkrijk België evenwel niet incidenteel opkomen tegen een bepaling van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die het binnen een termijn van twee maanden had kunnen aanvechten krachtens artikel 230 EG. Subsidiair is zij van mening dat dit middel ongegrond is, aangezien de gemeenschapswetgever het Gerecht niet heeft gemachtigd noch heeft verplicht van geval tot geval de evenredigheid te onderzoeken van een niet-ontvankelijkheid die in omstandigheden als de onderhavige wordt tegengeworpen.
Beoordeling door het Hof
38 De bewoordingen zelf van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht laten het Gerecht geen enkele beoordelingsvrijheid bij de toepassing van deze bepaling. Aan de mogelijkheid voor een verzoeker om zich voor de berekening van de procestermijnen te beroepen op de datum waarop de griffie van het Gerecht een telefax heeft ontvangen, is de voorwaarde gekoppeld dat het ondertekende origineel van het processtuk waarvan op die manier een kopie is toegestuurd, uiterlijk tien dagen later ter griffie binnenkomt.
39 Wanneer de telefax, zoals in casu, meer dan tien dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de instelling van een beroep bij het Gerecht wordt ontvangen, heeft bovendien artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet tot gevolg dat deze termijn wordt verlengd (beschikking van 18 januari 2005, Zuazaga Meabe/BHIM, C‑325/03 P, Jurispr. blz. I‑403, punt 18).
40 In die omstandigheden kan het Koninkrijk België zich niet op schending van het evenredigheidsbeginsel beroepen, aangezien, zoals het Gerecht in de bestreden beschikking heeft geconstateerd, de niet-ontvankelijkheid van het beroep te wijten is aan het gebrek aan zorgvuldigheid van deze lidstaat om het ondertekende origineel van het verzoekschrift binnen de beroepstermijn ter griffie van het Gerecht te doen toekomen, en niet aan de wijze waarop het Gerecht artikel 43, lid 6, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft toegepast, welke bepaling in dit Reglement het gebruik van de moderne communicatietechnieken heeft geregeld in het kader van de wijzigingen die het Gerecht met goedkeuring van het Hof van Justitie en met goedkeuring van de Raad, met eenparigheid van stemmen verleend, op 6 december 2000 heeft vastgesteld (PB L 322, blz. 4), en waarvan in casu één van de toepassingsvoorwaarden niet was vervuld.
41 Ten slotte kan het Koninkrijk België niet stellen dat het originele verzoekschrift gedeeltelijk tijdig was neergelegd omdat de originele bijlagen daadwerkelijk ter griffie van het Gerecht waren binnengekomen. Ook al beschikt een rekwirant volgens artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht over de mogelijkheid om een verzuim van het verzoekschrift te herstellen, onder meer door ontbrekende bijlagen over te leggen, is dit herstel immers evenwel slechts mogelijk voor zover, overeenkomstig artikel 21 van het Statuut van het Hof, dat op de procedure voor het Gerecht van toepassing is, is voldaan aan de essentiële voorwaarde voor aanhangigmaking bij het Gerecht, te weten de neerlegging van het verzoekschrift. Het verzoekschrift vormt immers het processtuk waarmee het geding wordt ingeleid en waarin partijen het voorwerp van het geschil moeten omschrijven (zie in die zin arresten Hof van 25 september 1979, Commissie/Frankrijk, 232/78, Jurispr. blz. 2729, punt 3, en 6 april 2000, Commissie/Frankrijk, C‑256/98, Jurispr. blz. I‑2487, punt 31), terwijl de bijlagen slechts een bewijs‑ en hulpfunctie hebben (zie in die zin arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 99). In die omstandigheden kan de neerlegging van bijlagen niet worden geacht gelijk te staan met een gedeeltelijke neerlegging van het verzoekschrift.
42 Bijgevolg dient het vierde middel kennelijk ongegrond te worden verklaard.
43 Gelet op een en ander moet de hogere voorziening kennelijk ongegrond worden verklaard.
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Zesde kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy