Zaak C‑503/07 P
Saint-Gobain Glass Deutschland GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten – Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging – Bondsrepubliek Duitsland – Toewijzing van emissierechten – Periode 2008/2012 – Voorwaarden – Individueel geraakt zijn – Niet-ontvankelijkheid – Recht om in rechte te worden gehoord – Recht op eerlijk proces”
Samenvatting van de beschikking
1. Hogere voorziening – Procesbelang
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken
(Art. 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9 en 11)
1. Het Hof kan een hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaren wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant. Procesbelang veronderstelt immers dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn.
(cf. punt 48)
2. De omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, impliceert niet dat deze subjecten moeten worden beschouwd als individueel door deze maatregel geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie.
Wat de toepassing van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61 betreft, is in de eerste plaats een beschikking van de Commissie die tot een lidstaat is gericht en de gedeeltelijke afwijzing van een nationaal plan voor de toewijzing van broeikasgasemissierechten (NTP) voor de tweede toewijzingsperiode inhoudt, een handeling van algemene strekking, daar zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën personen. In de tweede plaats brengt het feit dat deze beschikking tot gevolg had dat instandhouding van de toewijzingsgarantie waarop enkele exploitanten uit hoofde van een nationale wet tot toewijzing van emissierechten voor de eerste toewijzingsperiode aanspraak konden maken, verboden werd, niet mee dat deze beschikking het karakter had van een bundel individuele beschikkingen. Uit het feit dat het door de lidstaat bij de Commissie ingediende NTP een lijst moet bevatten van installaties waarvoor de regeling voor de handel in emissierechten geldt, alsmede de rechten die de lidstaat aan die installaties denkt toe te kennen, kan niet de conclusie worden getrokken dat de Commissie zich in die beschikking heeft uitgesproken over individuele aanvragen.
Hoe dan ook hebben de betrokken exploitanten, al kunnen zij geen nietigverklaring van de bestreden beschikking vorderen, nog steeds de mogelijkheid, de ter uitvoering van die beschikking genomen nationale maatregelen aan te vechten en zich in die context op de onwettigheid van de bestreden beschikking te beroepen voor de nationale rechter, die rechtspreekt met inachtneming van artikel 234 EG.
(cf. punten 70‑73, 78)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)
8 april 2008 (*)
„Hogere voorziening – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten – Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging – Bondsrepubliek Duitsland – Toewijzing van emissierechten – Periode 2008/2012 – Voorwaarden – Individueel geraakt zijn – Niet-ontvankelijkheid – Recht om in rechte te worden gehoord – Recht op eerlijk proces”
In zaak C‑503/07 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 14 november 2007,
Saint-Gobain Glass Deutschland GmbH, gevestigd te Aken (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Posser en S. Altenschmidt, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Fels-Werke GmbH, gevestigd te Goslar (Duitsland),
Spenner-Zement GmbH & Co. KG, gevestigd te Erwitte (Duitsland),
verzoeksters in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, P. Kūris en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gezien het verzoek van rekwirante om de zaak te behandelen volgens de versnelde procedure krachtens artikel 62 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Saint-Gobain Glass Deutschland GmbH (hierna: „Saint-Gobain Glass Deutschland”) nietigverklaring van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 11 september 2007, Fels-Werke e.a./Commissie (T‑28/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking K(2006) 5609 van de Commissie van 29 november 2006 inzake het nationaal plan voor de toewijzing van broeikasgasemissierechten, door de Bondsrepubliek Duitsland aangemeld voor de periode 2008 tot en met 2012 (hierna: „litigieuze beschikking”), heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
2 Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32) stelt met ingang van 1 januari 2005 een regeling vast (hierna: „regeling emissierechtenhandel”) om de emissies van broeikasgassen, met name kooldioxide, op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.
3 Volgens artikel 2 van richtlijn 2003/87 is deze richtlijn van toepassing op emissies uit de in bijlage I bij de richtlijn genoemde activiteiten, waaronder installaties voor de vervaardiging van glas.
4 Artikel 11 van richtlijn 2003/87 voorziet in een eerste periode van toewijzing van emissierechten van 2005 tot en met 2007 (hierna: „eerste toewijzingsperiode”) en vervolgens in een tweede toewijzingsperiode van 2008 tot en met 2012 (hierna: „tweede toewijzingsperiode”).
5 De voorwaarden en procedures voor de toewijzing van emissierechten aan exploitanten van installaties door de bevoegde nationale autoriteiten op basis van een nationaal toewijzingsplan (hierna: „NTP”) in deze twee toewijzingsperiodes zijn neergelegd in de artikelen 9 tot en met 11 van richtlijn 2003/87.
6 Artikel 9, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2003/87 bepaalt:
„Voor elke in artikel 11, leden 1 en 2, bedoelde termijn stelt elke lidstaat een [NTP] op, waarin de totale hoeveelheid emissierechten wordt vermeld die hij voornemens is voor die periode toe te wijzen, alsmede de manier waarop hij voornemens is deze rechten toe te wijzen. Het [NTP] wordt gebaseerd op objectieve en transparante criteria, waaronder de in bijlage III genoemde, waarbij terdege rekening wordt gehouden met reacties vanuit het publiek. [...]”
7 Artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2003/87 verplicht de lidstaten om voor elke toewijzingsperiode een NTP te publiceren en dit aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten mee te delen.
8 Artikel 9, lid 3, van deze richtlijn luidt als volgt:
„Binnen drie maanden nadat een lidstaat uit hoofde van lid 1 een [NTP] heeft meegedeeld, kan de Commissie het [NTP] of een deel daarvan verwerpen als het niet met de in bijlage III genoemde criteria of met artikel 10 verenigbaar is. De lidstaten nemen pas een besluit krachtens artikel 11, lid 1, of lid 2, wanneer de voorgestelde wijzigingen door de Commissie zijn aanvaard. Een besluit tot verwerping wordt door de Commissie gemotiveerd.”
9 Volgens artikel 10 van richtlijn 2003/87 moeten de lidstaten voor de eerste toewijzingsperiode ten minste 95 % van de emissierechten kosteloos toewijzen.
10 Artikel 11 van richtlijn 2003/87, betreffende de toewijzing en verlening van emissierechten, bepaalt:
„1. Voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en over de toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie. Dit besluit wordt ten minste drie maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het [NTP] dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10, met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.
2. Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 en voor elke volgende periode van vijf jaar neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en leidt hij het proces van toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie in. Het besluit wordt ten minste twaalf maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het [NTP] van de lidstaat dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10, met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.
3. Krachtens lid 1 of lid 2 genomen besluiten zijn in overeenstemming met de voorschriften van het [EG-]Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88. Bij hun besluit over de toewijzing houden de lidstaten rekening met de noodzaak emissierechten beschikbaar te houden voor nieuwkomers.
[...]”
11 Bijlage III bij richtlijn 2003/87 noemt elf criteria voor NTP’s.
12 Het vijfde en het tiende criterium van deze bijlage luiden als volgt:
„5. Het [NTP] mag geen zodanig onderscheid maken tussen ondernemingen of sectoren dat bepaalde ondernemingen of activiteiten onrechtmatig worden bevoordeeld, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88.”
[...]
10. Het plan moet een lijst bevatten van de installaties die in deze richtlijn worden opgenomen met de hoeveelheden emissierechten bestemd om te worden toegewezen aan ieder van hen.”
13 Volgens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2003/87 zijn emissierechten alleen geldig voor de emissies in de periode waarvoor zij zijn verleend.
Voorgeschiedenis van het geding
14 Blijkens de bestreden beschikking exploiteert rekwirante een installatie voor de vervaardiging van glas te Porz. Bij beschikking van 16 december 2004 van het Umweltbundesamt (Duitse dienst milieubeheer) kreeg zij voor een in de loop van 2003 en 2004 in gebruik genomen deel van de installatie emissierechten voor de eerste toewijzingsperiode (2005-2007) op basis van het Duitse NTP (hierna: „Duitse NTP I”) en artikel 8 van de Duitse wet inzake de toewijzing van emissierechten voor de periode 2005-2007 (Zuteilungsgesetz 2007), van 26 augustus 2004 BGBl. 2004 I, blz. 2211; hierna: „ZuG 2007”).
15 Ingevolge § 8, lid 1, tweede zin, ZuG 2007 is de betrokken installatie gedurende de twaalf jaar na ingebruikneming vrijgesteld van toepassing van een vervullingsfactor.
16 Overeenkomstig § 2 ZuG 2007 zijn de relevante bepalingen van deze wet alleen van toepassing op de eerste toewijzingsperiode, voor zover niet anders is bepaald.
17 Voorts bepaalt § 7 van de wet van 8 juli 2004 houdende omzetting van richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de emissierechtenhandel (Gesetz zur Umsetzung der Richtlinie 2003/87/EG über ein System für den Handel mit Treibhausgasemissionszertifikaten in der Gemeinschaft, BGBl. 2004 I, blz. 1578; hierna: „TEHG”) onder meer dat het voor elke toewijzingsperiode vastgestelde NTP de grondslag vormt voor een toewijzingswet en dat de toewijzing plaatsvindt op basis van die wet.
18 Krachtens § 9, lid 1, TEHG hebben exploitanten recht op toewijzing van emissierechten volgens de criteria van de toewijzingswet. Ingevolge lid 2 vindt toewijzing plaats aan de hand van de activiteiten in een bepaalde toewijzingsperiode.
19 Ten slotte bepaalt § 10, lid 1, TEHG dat voor elke toewijzing een schriftelijke aanvraag bij de bevoegde autoriteiten moet worden ingediend.
20 Op 4 juli 2006 heeft de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 9, lid 1, van richtlijn 2003/87 haar NTP voor de tweede toewijzingsperiode aangemeld bij de Commissie (hierna: „Duitse NTP II”).
21 Evenals het Duitse NTP I bevat het Duitse NTP II in hoofdstuk 6.1 de algemene toewijzingsregel voor bestaande installaties („Bestandsanlagen”) die vóór 31 december 2002 in gebruik zijn genomen. Voor industriële installaties is de toepasselijke vervullingsfactor 0,9875.
22 Voorts is in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II, onder de titel „Toewijzingen volgens § 8 ZuG 2007”, bepaald dat volgens de genoemde bepaling voor de berekening van de emissierechten voor tussen 1 januari 2003 en 31 december 2004 in gebruik genomen installaties, gedurende de twaalf jaar na ingebruikneming geen vervullingsfactor geldt.
23 Bij de litigieuze beschikking wees de Commissie het Duitse NTP II gedeeltelijk af. In artikel 1, lid 2, van de beschikking constateerde de Commissie dat de toewijzingsvoorschriften in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II, met name die onder de titel „Toewijzingen volgens § 8 ZuG 2007”, onverenigbaar waren met het vijfde criterium van bijlage III bij richtlijn 2003/87, doordat zij een ongerechtvaardigd voordeel inhielden voor de betrokken installaties ten opzichte van andere, vergelijkbare bestaande installaties, waarop de algemene toewijzingsmethode werd toegepast.
24 De Commissie vond namelijk dat door het kosteloos toewijzen van emissierechten aan sommige activiteiten door de toepassing van een minder strenge en dus gunstiger vervullingsfactor, een selectief economisch voordeel aan ondernemingen werd toegekend dat de mededinging dreigde te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten nadelig kon beïnvloeden, en dat dus met de artikelen 87 EG en 88 EG strijdige staatssteun kon zijn.
25 De Commissie stond alleen toe dat binnen één toewijzingsperiode de toewijzing van emissierechten aan bestaande installaties kon plaatsvinden volgens een andere methode dan die voor „nieuwkomers” in de zin van artikel 3, sub h, van richtlijn 2003/87, die daarmee door deze richtlijn als bijzondere categorie werden erkend. Deze ongelijke behandeling was echter niet langer gerechtvaardigd in de daaropvolgende toewijzingsperiode, waarin de aanvankelijke „nieuwkomer” een bestaande installatie was geworden waarvoor gegevens beschikbaar waren die met die van bestaande installaties vergelijkbaar waren.
26 In artikel 2, lid 2, van de litigieuze beschikking verklaarde de Commissie dat zij tegen het Duitse NTP II geen bezwaar zou maken, mits de Bondsrepubliek Duitsland daarin op niet-discriminerende wijze de navolgende wijzigingen zou aanbrengen en deze ter kennis van de Commissie brengen:
„[D]e toewijzingsgaranties voor de eerste toewijzingsperiode, zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 van het [Duitse NTP II] onder de titels ‚Toegevoegde nieuwe installaties volgens § 11 ZuG 2007’ en ‚Toewijzingen volgens § 8 ZuG 2007’ [...], dienen bij de toewijzing van emissierechten niet te worden toegepast op een wijze die de betrokken installaties bevoordeelt ten opzichte van andere, vergelijkbare bestaande installaties, waarop de algemene toewijzingsmethode van dit NTP wordt toegepast; met andere woorden, op de betrokken installaties moet dezelfde vervullingsfactor worden toegepast als op de andere, vergelijkbare bestaande installaties [...]”
Bestreden beschikking
27 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 februari 2007, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld.
28 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op dezelfde datum, heeft rekwirante voorts verzocht de zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij brief van 23 februari 2007 heeft de Commissie tegen behandeling volgens de versnelde procedure bezwaar gemaakt. Bij beschikking van het Gerecht van 7 juni 2007 is het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure toegewezen.
29 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 maart 2007, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht tegen eerdergenoemd beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarover rekwirante op 12 april 2007 opmerkingen heeft ingediend.
30 Met haar verzoekschrift vorderde rekwirante van het Gerecht:
– nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van de litigieuze beschikking, voor zover daarbij de garanties voor toewijzingen uit de eerste toewijzingsperiode zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II onder de titels „Toegevoegde nieuwe installaties volgens § 11 ZuG 2007” en „Toewijzingen volgens § 8 ZuG 2007”, met richtlijn 2003/87 onverenigbaar zijn verklaard;
– nietigverklaring van artikel 2, lid 2, van de litigieuze beschikking, voor zover daarbij aan de Bondsrepubliek Duitsland eisen („Vorgaben”) worden gesteld inzake de toepassing van de garanties voor toewijzingen uit de eerste toewijzingsperiode, zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II onder de titels „Toegevoegde nieuwe installaties volgens § 11 ZuG 2007” en „Toewijzingen volgens § 8 ZuG 2007”, en daarbij wordt gelast, de vervullingsfactor toe te passen die geldt voor andere, vergelijkbare bestaande installaties;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
31 Bij de bestreden beschikking verklaarde het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk, op grond dat met name rekwirante, tot wie de litigieuze beschikking niet was gericht, door deze beschikking niet individueel werd geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
32 Deze conclusie baseerde het Gerecht op de constatering in met name punt 59 van de bestreden beschikking dat de litigieuze beschikking een handeling van algemene strekking was, daar zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën personen. De artikelen 1, lid 2, en 2, lid 2, van de litigieuze beschikking hadden volgens het Gerecht immers betrekking op alle exploitanten van installaties, op wie de voorschriften in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II in algemene en abstracte zin van toepassing waren en die actief waren in de economische sectoren waarvoor ingevolge bijlage I bij richtlijn 2003/87 de regeling voor de emissierechtenhandel geldt. Gelet op die bepalingen en mits zij de voor hen kenmerkende eigenschappen bezaten, werden die exploitanten dus op gelijke wijze geraakt en verkeerden zij in een identieke situatie.
33 Het Gerecht wees er vervolgens op dat volgens vaste rechtspraak een andere natuurlijke of rechtspersoon dan degene tot wie de handeling is gericht, slechts kan stellen individueel te zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, indien de betrokken bepaling hem treft uit hoofde van een zekere bijzondere hoedanigheid of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 197, 211; 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 20; 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 36, en 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, Jurispr. blz. I‑3425, punt 45).
34 Het Gerecht merkte in dit verband op dat het enkele feit dat een handeling van algemene strekking in concrete gevallen uiteenlopende gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, niet betekent dat zij daardoor ten opzichte van alle andere ondernemers worden gekarakteriseerd, daar de toepassing van die handeling geschiedt uit hoofde van een objectief bepaalde situatie.
35 In punt 61 van de bestreden beschikking oordeelde het Gerecht dat verzoeksters niet door hun specifieke eigenschappen werden geïndividualiseerd, maar juist op gelijke voet werden geraakt als alle andere in dezelfde situatie verkerende exploitanten van installaties waarvoor dezelfde nationale en communautaire voorschriften golden. Verzoeksters konden dus slechts stellen, door de litigieuze beschikking te zijn geraakt vanwege hun objectieve hoedanigheid van exploitant op wie de voorschriften van hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II van toepassing waren en die actief waren in de onder bijlage I bij richtlijn 2003/87 vallende sectoren.
36 Voorts oordeelde het Gerecht in dit punt van de bestreden beschikking dat geen van de door verzoeksters naar voren gebrachte argumenten aan dit oordeel kon afdoen.
37 In het bijzonder verklaarde het Gerecht in punt 65 van de bestreden beschikking dat geen gehoor kon worden gegeven aan het argument dat Saint-Gobain Glass Deutschland deel uitmaakt van een besloten kring van personen doordat zij behoort tot een groep exploitanten die in de loop van de periode 2003/2004 emissierechten hebben gevraagd en gekregen ingevolge § 8, lid 1, ZuG 2007. Het Gerecht stelde allereerst vast dat Saint-Gobain Glass Deutschland geen gegevens of bewijzen had overgelegd met betrekking tot de samenstelling van deze besloten kring van exploitanten. Zo had zij bij de stukken geen lijst gevoegd van exploitanten op wie § 8, lid 1, ZuG 2007 was toegepast, zoals door de beide andere verzoeksters was overgelegd.
38 Verder wees het Gerecht erop dat de omstandigheid dat ten tijde van de vaststelling van de bestreden maatregel het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie die maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden beschouwd als individueel door deze maatregel geraakt, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arrest Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C‑451/98, Jurispr. blz. I‑8949, punt 52).
39 Het Gerecht concludeerde dan ook dat Saint-Gobain Glass Deutschland niet had aangetoond dat zij door de bestreden beschikking individueel was geraakt doordat zij behoorde tot een besloten kring van exploitanten.
40 Voorts was het Gerecht van oordeel dat noch uit de doelstellingen van richtlijn 2003/87, gelezen in samenhang met de vijfde overweging van de considerans, noch uit het vijfde criterium van bijlage III, noch uit enige andere bepaling van die richtlijn, voor de exploitanten van installaties een garantie voortvloeide dat op hen een bepaalde toewijzingsmethode zou worden toegepast dan wel zij in aanmerking kwamen voor een zeker aantal broeikasgasemissierechten, in het bijzonder waar deze garantie verschillende toewijzingsperioden betrof. Integendeel werd in artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 2003/87, gelezen in samenhang met de artikelen 9, lid 1, en 13, lid 1, van deze richtlijn, een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de eerste en de tweede toewijzingsperiode en werd de geldigheid van toegewezen emissierechten beperkt tot één toewijzingsperiode, hetgeen inhield dat de lidstaten voor elke periode een afzonderlijke toewijzingsbeschikking moesten geven.
Conclusies van partijen
41 Met haar hogere voorziening verzoekt Saint-Gobain Glass Deutschland het Hof:
– de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze rekwirante betreft;
– artikel 1, lid 2, van de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover bij deze bepaling de in de eerste handelsperiode uitgegeven toewijzingsgaranties, zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II, met richtlijn 2003/87 onverenigbaar zijn verklaard;
– artikel 2, lid 2, van de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover bij deze bepaling in de eerste plaats aan de Bondsrepubliek Duitsland verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de toepassing van de in de eerste handelsperiode gegeven toewijzingsgaranties, zoals beschreven in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II, en in de tweede plaats de toepassing van dezelfde voortgangscoëfficiënt verplicht wordt gesteld als voor de andere, vergelijkbare bestaande installaties;
– subsidiair, de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak te verwijzen naar het Gerecht;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
42 De Commissie vordert primair niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair ongegrondverklaring van de hogere voorziening. Tevens vordert zij verwijzing van rekwirante in de kosten.
Beslissing in hogere voorziening
43 Saint-Gobain Glass Deutschland beroept zich voor haar hogere voorziening op twee middelen, schending van procesrecht en schending van artikel 230, vierde alinea, EG.
44 Volgens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening afwijzen.
45 Het Hof is van oordeel dat dit in casu het geval is en dat, gelet op de thans gegeven beschikking, op het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure geen uitspraak behoeft te worden gedaan.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
46 De Commissie is van mening dat rekwirante geen belang meer heeft bij de procedure, daar nietigverklaring van de bepalingen van de litigieuze beschikking in het kader van de hogere voorziening geen rechtsgevolg zal hebben wegens de aanneming van beschikking C(2007) 5258 van de Commissie van 26 oktober 2007, waarbij de door de Bondsrepubliek Duitsland in haar regelgeving aangebrachte wijzigingen zijn goedgekeurd, met name de vervanging van het op één vervullingsfactor gebaseerde systeem door een ander systeem.
47 Op verzoek van het Hof ingevolge artikel 54 bis van het Reglement voor de procesvoering heeft de Commissie het Hof die laatste beschikking overgelegd.
48 Het Hof kan een hogere voorziening niet-ontvankelijk verklaren wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant. Procesbelang veronderstelt immers dat de uitslag van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn (zie arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, C‑19/93 P, Jurispr. blz. I‑3319, punt 13, en beschikking van 25 januari 2001, Lech-Stahlwerke/Commissie, C‑111/99 P, Jurispr. blz. I‑727, punt 18).
49 In casu moet worden geconstateerd dat de beschikking waarop de Commissie zich beroept om aan te tonen dat rekwirante geen procesbelang heeft, ten eerste niet in de plaats komt van de litigieuze beschikking en ten tweede alleen wijzigingen noemt in verband met artikel 1, lid 2, van de litigieuze beschikking.
50 Rekwirante betwist echter tevens de constateringen inzake de onverenigbaarheid met richtlijn 2003/87 van de in de eerste toewijzingsperiode gegeven toewijzingsgaranties, als vermeld in artikel 2, lid 2, van de litigieuze beschikking, voor zover deze bepaling in de eerste plaats de lidstaat tot welke de beschikking is gericht, verplichtingen oplegt met betrekking tot de toepassing van de in de eerste handelsperiode gegeven toewijzingsgaranties als beschreven in hoofdstuk 6.2 van het Duitse NTP II, en in de tweede plaats de lidstaat gelast, dezelfde voortgangscoëfficiënt toe te passen als voor de andere, vergelijkbare bestaande installaties.
51 Derhalve is het Hof, nu verdere informatie ontbreekt, niet in staat om, zoals de Commissie verzoekt, vast te stellen dat Saint-Gobain Glass Deutschland geen belang heeft bij de hogere voorziening.
52 Bijgevolg dient de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen.
Eerste middel: schending van het procesrecht
Argumenten van partijen
53 Saint-Gobain Glass Deutschland stelt dat het Gerecht met de bestreden beschikking zowel het recht op een eerlijk proces als het recht om te worden gehoord heeft geschonden. Met name moeten de partijen in een geding de mogelijkheid hebben om zich uit te laten over alle feitelijke of juridische kwesties die relevant zijn voor de beslechting van het geding.
54 Volgens rekwirante heeft het Gerecht zijn beschikking in wezen gebaseerd op het feit dat zij geen gegevens of bewijzen heeft overgelegd met betrekking tot de samenstelling van de besloten kring van exploitanten, waarop zij zich had beroepen om te worden aangemerkt als door de litigieuze beschikking individueel geraakt persoon. Het Gerecht heeft haar echter niet om overlegging van een lijst van de betrokken exploitanten gevraagd. Zodoende heeft Saint-Gobain Glass Deutschland niet voor het Gerecht uiteen kunnen zetten om welke redenen zij een dergelijke lijst niet heeft overgelegd.
55 Rekwirante is van mening dat zij geen reden had om deze lijst over te leggen zonder daarom door het Gerecht uitdrukkelijk te zijn verzocht. Voorts volgde het feit dat zij behoorde tot een besloten kring van door de litigieuze beschikking geraakte ondernemers, rechtstreeks uit de structuur van de nationale wetgeving en was dit dus niet afhankelijk van de overlegging van een lijst van betrokken exploitanten.
56 Voorts kon Saint-Gobain Glass Deutschland een dergelijke lijst niet overleggen omdat het Umweltbundesamt om privacyredenen niet op een verzoek daartoe kon ingaan. Het Gerecht daarentegen had een maatregel tot organisatie van de procesgang of een instructiemaatregel kunnen nemen. Indien het Gerecht zulks had verzocht, had de Bondsrepubliek Duitsland een dergelijke lijst overgelegd waaruit zou blijken dat rekwirante tot een besloten kring van exploitanten behoorde.
57 De Commissie is van mening dat het Gerecht met de bestreden beschikking geen inbreuk op zijn procesrecht heeft gemaakt.
Beoordeling door het Hof
58 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het Gerecht, anders dan rekwirante lijkt te menen, slechts ten overvloede heeft overwogen dat rekwirante geen lijst van de door de litigieuze beschikking geraakte exploitanten had verschaft om aan te tonen dat zij door die beschikking individueel werd geraakt.
59 Het Gerecht heeft immers allereerst, in punt 61 van de bestreden beschikking, verklaard dat verzoeksters door de litigieuze beschikking niet individueel werden geraakt, en dat geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten aan dit oordeel kon afdoen.
60 In het bijzonder heeft het Gerecht, in antwoord op enkele argumenten van Saint-Gobain Glass Deutschland die erop berustten dat zij behoorde tot een besloten kring van exploitanten die door de litigieuze beschikking werden geraakt, er in punt 65 van de bestreden beschikking op gewezen dat het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie de bestreden maatregel in die beschikking van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden beschouwd als individueel door deze maatregel geraakt, zolang maar vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie.
61 In deze context heeft het Gerecht vastgesteld dat Saint-Gobain Glass Deutschland geen gegevens of bewijsmateriaal had overgelegd met betrekking tot de samenstelling van deze besloten kring van exploitanten. Slechts ten overvloede dus heeft het Gerecht opgemerkt dat zij, anders dan de andere verzoeksters, bij de stukken geen lijst van exploitanten had gevoegd.
62 Volgens vaste rechtspraak kunnen middelen die zijn aangevoerd tegen overwegingen ten overvloede in een beslissing van het Gerecht, niet tot vernietiging van deze beslissing leiden, zodat deze niet ter zake dienend zijn (arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 148, en beschikking van 23 februari 2006, Piau/Commissie, C‑171/05 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 86).
63 Derhalve moet het eerste middel als niet ter zake dienend worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 230, vierde alinea, EG
Argumenten van partijen
64 Met dit middel betoogt Saint-Gobain Glass Deutschland in wezen dat het Gerecht het begrip individueel geraakt zijn door een communautaire handeling, verkeerd heeft toegepast.
65 Volgens rekwirante werd de kring van betrokken exploitanten definitief bepaald en/of kon deze worden bepaald op basis van de Duitse wettelijke regeling, en kon deze hoe dan ook niet worden uitgebreid. Het Gerecht kon derhalve niet verklaren dat het verbod om de toewijzingsgarantie in stand te houden, op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie van toepassing was.
66 De exploitanten waren in de litigieuze beschikking precies bepaald, zodat de objectieve vermelding van het toepassingsgebied van § 8 ZuG 2007 zonder meer had kunnen worden vervangen door een lijst waarin de exploitanten met naam en toenaam werden genoemd, zonder dat dit de strekking van de beschikking zou hebben gewijzigd.
67 Met een beroep op het arrest van 13 mei 1971, International Fruit Company e.a./Commissie (41/70–44/70, Jurispr. blz. 411, punt 21), stelt rekwirante dat de litigieuze beschikking door het Gerecht had kunnen worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen, aangezien de Commissie met de beschikking de instandhouding van genoemde toewijzingsgarantie had verboden ten opzichte van de exploitanten op wie § 8 ZuG 2007 van toepassing was. Uiteindelijk is de beschikking van de Commissie inzake het Duitse NTP II zowel een beschikking met een algemeen karakter als een bundel individuele beschikkingen, voor zover daarbij de toepassing van de toewijzingsgaranties uit hoofde van § 8 ZuG 2007, verboden werd.
68 De Commissie stelt dat dit middel ongegrond moet worden verklaard. Het Gerecht heeft artikel 230, vierde alinea, EG correct toegepast.
69 Overigens kan de litigieuze beschikking volgens de Commissie niet worden aangemerkt als een bundel individuele beschikkingen, aangezien zij zich niet heeft uitgesproken over individuele aanvragen en zij hoe dan ook niet beschikte over voldoende informatie inzake de bij het NTP aangemelde installaties om zich in de door rekwirante voorgestelde zin te kunnen uitspreken.
Beoordeling door het Hof
70 Geconstateerd dient te worden, zoals het Gerecht terecht heeft gedaan, dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden beschouwd als individueel door deze maatregel geraakt, zolang maar vaststaat dat, zoals in casu, deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (zie met name arrest Antillean Rice Mills/Raad, reeds aangehaald, punt 52, alsook beschikkingen van 24 mei 1993, Arnaud e.a./Raad, C‑131/92, Jurispr. blz. I‑2573, punt 13, en 21 juni 1993, Chiquita Banana e.a./Raad, C‑276/93, Jurispr. blz. I‑3345, punt 8).
71 Betreffende de redenering van rekwirante die zou moeten aantonen dat de litigieuze beschikking een hybride karakter heeft doordat zij tegelijkertijd een handeling van algemene strekking en een bundel individuele beschikkingen is, moet in de eerste plaats worden geconstateerd, zoals het Gerecht in punt 59 van de bestreden beschikking heeft gedaan, dat de litigieuze beschikking, die gericht is tot de Bondsrepubliek Duitsland, een algemene strekking heeft in die zin dat zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract omschreven categorieën personen.
72 In de tweede plaats brengt het feit dat de litigieuze beschikking tot gevolg had dat instandhouding van de toewijzingsgaranties waarop enkele exploitanten uit hoofde van § 8 ZuG 2007 aanspraak konden maken, verboden werd, niet mee dat deze beschikking het karakter had van een bundel individuele beschikkingen.
73 Anders dan rekwirante in het kader van deze hogere voorziening stelt, kan uit het feit dat het door de lidstaat bij de Commissie ingediende NTP een lijst moet bevatten van installaties waarvoor de regeling voor de handel in emissierechten geldt, alsmede de rechten die de lidstaat aan die installaties denkt toe te kennen, niet de conclusie worden getrokken dat de Commissie zich in de litigieuze beschikking heeft uitgesproken over individuele aanvragen, zoals wel het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest International Fruit Company e.a./Commissie, reeds aangehaald.
74 Deze constatering wordt gestaafd door het feit dat in de lijst van bijlage III, punt 10, van richtlijn 2003/87 de betrokken installaties moeten zijn opgenomen en niet een opsomming van met naam en toenaam genoemde exploitanten aan wie emissierechten worden toegekend.
75 Voorts is het overeenkomstig artikel 11, leden 2 en 3, van deze richtlijn aan de lidstaten en niet aan de Commissie om een besluit te nemen over de totale hoeveelheid emissierechten die zij over de betrokken periode zullen toewijzen, het proces van toewijzing van die emissierechten aan de exploitanten van de installaties in te leiden en zich over de toewijzing van deze emissierechten uit te spreken. Dat besluit wordt genomen op basis van het ingevolge artikel 9 door de lidstaten opgestelde NTP en in overeenstemming met artikel 10 van die richtlijn.
76 Ten slotte, zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 67 van de bestreden beschikking, vloeit noch uit de doelstellingen van richtlijn 2003/87, gelezen in samenhang met de vijfde overweging van de considerans, noch uit het vijfde criterium van bijlage III, noch uit enige andere bepaling van die richtlijn, voor de exploitanten van installaties een garantie voort dat op hen een bepaalde toewijzingsmethode zou worden toegepast dan wel dat zij in aanmerking kwamen voor een zekere hoeveelheid broeikasgasemissierechten. Voorts wordt deze constatering bevestigd door de later door de Bondsrepubliek Duitsland in haar NTP II aangebrachte wijzigingen, die door de Commissie zijn geaccepteerd.
77 Het Gerecht heeft artikel 230 EG derhalve niet onjuist toegepast door te oordelen dat de litigieuze beschikking een algemene strekking had en rekwirante dus niet individueel raakte.
78 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat rekwiranten, al kunnen zij geen nietigverklaring van de bestreden handeling vorderen, nog steeds de mogelijkheid hebben, de ter uitvoering van de bestreden beschikking genomen nationale maatregelen aan te vechten, en zich in die context op de onwettigheid van de bestreden beschikking te beroepen bij de nationale rechter, die rechtspreekt met inachtneming van artikel 234 EG (zie in die zin arresten van 27 september 1983, Universität Hamburg, 216/82, Jurispr. blz. 2771, punt 10, en 17 november 1998, Kruidvat/Commissie, C‑70/97 P, Jurispr. blz. I‑7183, punten 48 en 49).
79 Gelet op het voorgaande dient dit middel kennelijk ongegrond te worden verklaard en de hogere voorziening derhalve in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
80 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Saint-Gobain Glass Deutschland in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Zesde kamer) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Saint-Gobain Glass Deutschland GmbH wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy