Gevoegde zaken C‑512/07 P(R) en C‑15/08 P(R)
Achille Occhetto
en
Europees Parlement
tegen
Beniamino Donnici
„Hogere voorziening – Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Leden van Europees Parlement – Onderzoek van geloofsbrieven – Bekendmaking van verkiezing tot lid na terugtreding van kandidaten van zelfde lijst – Onderzoek van geldigheid van terugtreding – Besluit van Europees Parlement houdende ongeldigverklaring van mandaat van kandidaat wiens verkiezing tot lid bekend is gemaakt”
Samenvatting van de beschikking
1. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste rechtsopvatting van kortgedingrechter – Akte betreffende verkiezing van leden van Europees Parlement
(Art. 225 EG; Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 12; Statuut van het Hof van Justitie, art. 57, tweede alinea; Reglement van het Europees Parlement, art. 3, lid 3)
2. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste rechtsopvatting van kortgedingrechter – Akte betreffende verkiezing van leden van Europees Parlement
(Art. 225 EG; Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 6; Statuut van het Hof van Justitie, art. 57, tweede alinea; Reglement van het Europees Parlement, art. 3, lid 5, en 4, leden 3 en 9)
3. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste rechtsopvatting van kortgedingrechter – Akte betreffende verkiezing van leden van Europees Parlement
(Art. 225 EG; Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, art. 12; Statuut van het Hof van Justitie, art. 57, tweede alinea)
4. Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Opschorting van tenuitvoerlegging van handeling van Europees Parlement waarbij mandaat van een van zijn leden wegens gebrek aan geloofsbrieven ongeldig is verklaard
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
5. Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Opschorting van tenuitvoerlegging van handeling van Europees Parlement waarbij mandaat van een van zijn leden wegens gebrek aan geloofsbrieven ongeldig is verklaard
(Art. 242 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
1. De kortgedingrechter geeft geen blijk van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting inzake de omvang van de bevoegdheden van het Europees Parlement krachtens artikel 12 van de Akte van 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, zoals gewijzigd en vernummerd bij besluit 2002/772, wanneer hij de uitdrukking „nota nemen” in dit artikel aldus opvat dat het Parlement volstrekt geen beoordelingsvrijheid heeft inzake de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen.
Dit artikel bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat het Parlement enerzijds „nota neemt” van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en anderzijds over eventuele bezwaren slechts kan beslissen „op grond van de bepalingen van [die] akte”, en wel „met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst”. Daaruit volgt dat de tekst van artikel 12 op het eerste gezicht lijkt te pleiten voor een restrictieve uitlegging ervan. Wat het onderzoek van de geloofsbrieven van de leden van het Parlement betreft, geven voorts artikel 12 van de Akte van 1976 en artikel 3, lid 3, van het Reglement van het Europees Parlement dit laatste de bevoegdheid om te beslissen over de geldigheid van het mandaat van elk der nieuwgekozen leden, alsmede over eventuele bezwaren ingebracht op grond van de bepalingen van de Akte van 1976, maar respectievelijk „met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst” en „met uitzondering van [de bezwaren] welke gebaseerd zijn op de nationale kieswetten”. Uit deze uitsluitingen blijkt ook duidelijk dat het Parlement geen algemene bevoegdheid heeft tot toetsing van de nationale verkiezingsprocedures aan het gemeenschapsrecht.
(cf. punten 30‑32, 35)
2. Een beschikking in kort geding geeft geen blijk van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting ter zake van de uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, zoals gewijzigd en vernummerd bij besluit 2002/772, wanneer daarin wordt geconcludeerd dat dit artikel alleen ziet op de leden van het Europees Parlement.
Dienaangaande hebben de bewoordingen van dit artikel 6 enerzijds uitdrukkelijk betrekking op de „leden van het Europees Parlement” en gaat het daarin anderzijds om het stemrecht van die leden, welk recht naar de aard ervan niet in verband kan worden gebracht met de hoedanigheid van kandidaat die op grond van zijn rangorde op de lijst officieel gekozen wordt verklaard. Weliswaar mag bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht in het algemeen niet strikt worden uitgegaan van de bewoordingen ervan zonder rekening te houden met de context en het doel, maar dit neemt niet weg dat dit artikel op zich geen grond kan opleveren voor een algemene bevoegdheid van het Parlement om de verkiezingsprocedures van de lidstaten te toetsen aan alle beginselen waarop dit artikel is gebaseerd, met name die van artikel 3 van aanvullend protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag van de rechten van de mens.
Overeenkomstig het beginsel van de hiërarchie van de normen kan een bepaling van het Reglement van het Europees Parlement, zoals de artikelen 3, lid 5, en 4, leden 3 en 9, daarvan, bovendien niet afwijken van de bepalingen van de Akte van 1976. Dit reglement is namelijk een interne-organisatiemaatregel waarbij aan het Parlement geen bevoegdheden kunnen worden toegekend die niet uitdrukkelijk door een normatieve handeling, in casu de Akte van 1976, zijn erkend. Daaruit volgt dat, althans in het kader van een onderzoek van de fumus boni juris, de bepalingen van dit reglement moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de bewoordingen en het doel van de bepalingen van de Akte van 1976, en niet andersom.
(cf. punten 40‑43, 45-46)
3. Een uitlegging volgens welke artikel 12 van de Akte van 1976 betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, zoals gewijzigd en vernummerd bij besluit 2002/772, niet voorziet in een bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en het Parlement en in de uitoefening van die bevoegdheden in het kader van afzonderlijke procedures, maar in één besluitvormingsproces waaraan zowel het Parlement als de nationale autoriteiten deelnemen, lijkt op het eerste gezicht niet in overeenstemming met deze bepaling. Wanneer een nationale handeling deel uitmaakt van een communautair besluitvormingsproces en ingevolge de bevoegdheidsverdeling op het betrokken gebied het beslissende gemeenschapsorgaan bindt en derhalve bepalend is voor de inhoud van de op gemeenschapsniveau te nemen beslissing, kunnen eventuele onregelmatigheden in deze nationale handeling in geen geval invloed hebben op de geldigheid van het besluit van die gemeenschapsinstelling. Dit is relevant voor de uitlegging van de bevoegdheidsverdeling in artikel 12 van de Akte van 1976.
Bijgevolg geeft een beschikking in kort geding waarin wordt geconcludeerd dat de vermeende onregelmatigheden in het besluit van een nationaal kiesbureau waarbij de verkiezing tot lid van het Parlement bekend werd gemaakt, geen invloed hebben op het besluit van het Parlement betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van dit lid, geen blijk van een kennelijke onjuiste rechtsopvatting of van een gebrekkige motivering.
(cf. punten 50‑51, 53-54)
4. De kortgedingprocedure heeft tot doel de volle werking van het arrest in de hoofdzaak te waarborgen. Om dit doel te bereiken, dienen de gevorderde maatregelen spoedeisend te zijn in die zin dat zij noodzakelijk zijn om ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van de verzoeker te voorkomen en derhalve al vóór de uitspraak in de hoofdzaak effect moeten sorteren. Daaruit volgt dat de kortgedingrechter voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van het Europees Parlement waarbij het mandaat van een van diens leden wegens gebrek aan geloofsbrieven ongeldig is verklaard, uitsluitend rekening hoeft te houden met de belangen van de verzoeker, met name met het bestaan van een kans op ernstige en onherstelbare schade voor diens belangen, zonder rekening te hoeven houden met andere factoren van algemene aard, zoals in casu de continuïteit van de politieke vertegenwoordiging, factoren die in voorkomend geval slechts in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de afweging van de betrokken belangen.
(cf. punten 57‑58)
5. In een kortgedingprocedure strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van het Europees Parlement waarbij het mandaat van een van diens leden wegens gebrek aan geloofsbrieven ongeldig is verklaard, neemt de kortgedingrechter, nadat hij tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een situatie waarin de respectieve specifieke en rechtstreekse belangen van dit lid en zijn vervanger met elkaar in balans waren, de meer algemene belangen in aanmerking – waaraan in dergelijke omstandigheden een bijzondere betekenis toekomt – zoals het belang van de betrokken lidstaat om zijn verkiezingswetgeving door het Parlement geëerbiedigd te zien en de leden die volgens zijn verkiezingsprocedures zijn gekozen en door een van zijn hoogste rechterlijke instanties verkozen zijn verklaard, zitting te zien nemen in het Parlement, en het belang van het Parlement bij handhaving van zijn besluiten, bij zijn politieke legitimatie en bij de omstandigheid dat de kandidaat die de meeste stemmen heeft behaald, zitting neemt. Pas na de constatering dat de betrokken specifieke én algemene belangen met elkaar in balans waren, onderzoekt de kortgedingrechter of de aangevoerde middelen serieus genoeg zijn om van een fumus boni juris te kunnen spreken.
(cf. punten 66‑67, 70)
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF
13 januari 2009 (*)
„Hogere voorziening – Kort geding – Opschorting van tenuitvoerlegging – Leden van het Europees Parlement – Onderzoek van geloofsbrieven – Bekendmaking van verkiezing tot lid na terugtreding van kandidaten van dezelfde lijst – Onderzoek van geldigheid van terugtreding – Besluit van Europees Parlement waarbij het mandaat van een kandidaat wiens verkiezing tot lid bekend is gemaakt, ongeldig is verklaard”
In de gevoegde zaken C‑512/07 P(R) en C‑15/08 P(R),
betreffende twee hogere voorzieningen op grond van artikel 57, tweede alinea van het Statuut van het Hof van Justitie, op respectievelijk 22 november 2007 en 16 januari 2008 neergelegd ter griffie van het Hof,
Achille Occhetto, wonende te Rome (Italië), vertegenwoordigd door P. De Caterini en F. Paola, avvocati, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Krück, N. Lorenz en L. Visaggio als gemachtigden,
rekwiranten,
andere partijen bij de procedure:
Beniamino Donnici, wonende te Castrolibero (Italië), vertegenwoordigd door M. Sanino, G. M. Roberti, I. Perego en P. Salvatore, avvocati,
verzoeker in eerste aanleg,
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
interveniënte in eerste aanleg,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
advocaat-generaal M. Poiares Maduro gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met hun hogere voorzieningen vorderen A. Occhetto en het Europees Parlement vernietiging van de beschikking van de kortgedingrechter van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 november 2007, Donnici/Parlement (T‑215/07 R, Jurispr. blz. II‑467; hierna: „bestreden beschikking”), waarin deze de opschorting van de tenuitvoerlegging heeft gelast van het besluit van het Europees Parlement van 24 mei 2007 betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van B. Donnici [2007/2121(REG); hierna: „litigieus besluit”].
2 Wegens verknochtheid van de bovengenoemde hogere voorzieningen dienen zij overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering te worden gevoegd ten behoeve van deze beschikking.
Toepasselijke bepalingen
De Akte van 1976
3 De artikelen 6 tot en met 8, 12 en 13, lid 3, van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (PB L 278, blz. 1), zoals gewijzigd en vernummerd bij besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en 23 september 2002 (PB L 283, blz. 1; hierna: „Akte van 1976”), luiden als volgt:
„Artikel 6
1. De leden van het Europees Parlement brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden.
2. De leden van het Europees Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 7
1. De hoedanigheid van lid van het Europees Parlement is onverenigbaar met die van:
– lid van de regering van een lidstaat;
– lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;
– rechter in, griffier van of advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen of het Gerecht van eerste aanleg;
– lid van de directie van de Europese Centrale Bank;
– lid van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen,
– ombudsman van de Europese Gemeenschappen;
– lid van het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
– lid van comités of lichamen die krachtens de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zijn ingesteld met het oog op het beheer van middelen der Gemeenschappen of ter vervulling van een duurzame taak van rechtstreeks administratief beheer;
– lid van de Raad van Bewind, van de directie of beambte van de Europese Investeringsbank;
– ambtenaar of ander personeelslid in actieve dienst van de instellingen der Europese Gemeenschappen of van de daaraan verbonden gespecialiseerde lichamen of van de Europese Centrale Bank.
2. Met ingang van de verkiezing van het Europees Parlement in 2004 is de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement onverenigbaar met die van lid van een nationaal parlement.
In afwijking daarvan en onverminderd lid 3:
– mogen leden van het Ierse parlement die bij een latere verkiezing voor het Europees Parlement gekozen worden, een dubbel mandaat uitoefenen tot de volgende verkiezingen voor het Ierse parlement, waarna de eerste alinea van dit lid van toepassing is;
– mogen leden van het parlement van het Verenigd Koninkrijk die in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de verkiezing van het Europees Parlement in 2004 tevens lid zijn van het Europees Parlement, een dubbel mandaat uitoefenen tot de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009, waarna de eerste alinea van dit lid van toepassing is.
[...]
Artikel 8
Behoudens de bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen.
Die nationale bepalingen, die eventueel rekening kunnen houden met de eigenheden van de lidstaten, mogen echter over het geheel genomen geen afbreuk doen aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging.
[...]
Artikel 12
Het Europees Parlement onderzoekt de geloofsbrieven van de vertegenwoordigers. Hiertoe neemt het nota van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist het over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst.
Artikel 13
[...]
3. Wanneer de wetgeving van een lidstaat uitdrukkelijk voorschrijft dat het mandaat van een lid van het Europees Parlement vervalt, loopt het mandaat van de betrokkene ten einde op grond van de bepalingen van die wetgeving. De bevoegde nationale autoriteiten brengen het Europees Parlement daarvan op de hoogte.”
Reglement van het Europees Parlement
4 De artikelen 3 en 4, leden 3 en 9, van het Reglement van het Europees Parlement luiden:
„Artikel 3
Onderzoek van de geloofsbrieven
1. Na de verkiezingen voor het Europees Parlement verzoekt de voorzitter de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Parlement onverwijld de namen van de gekozen leden mede te delen zodat alle leden vanaf de opening van de eerste vergadering na de verkiezingen daadwerkelijk in het Parlement zitting kunnen nemen.
Tegelijkertijd vestigt de voorzitter de aandacht van deze autoriteiten op de desbetreffende bepalingen van de [Akte van 1976] en verzoekt hen de nodige maatregelen te treffen teneinde elke vorm van onverenigbaarheid met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te voorkomen.
2. Elk lid van wiens verkiezing aan het Parlement mededeling is gedaan, legt, alvorens in het Parlement zitting te nemen, schriftelijk een verklaring af dat hij geen functie bekleedt die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, van de [Akte van 1976]. Na de algemene verkiezingen wordt deze verklaring zo mogelijk niet later dan zes dagen voor de constituerende vergadering van het Parlement afgelegd. Zolang de geloofsbrieven van een lid nog niet zijn onderzocht of over ingebrachte bezwaren nog niet is beslist, en mits hij tevoren de bovengenoemde schriftelijke verklaring heeft ondertekend, neemt betrokkene met volledige rechten zitting in het Parlement en zijn organen.
Wanneer aan de hand van uit publiek toegankelijke bronnen te verifiëren feiten wordt vastgesteld dat een lid een functie bekleedt die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, van de [Akte van 1976], constateert het Parlement, op basis van door zijn voorzitter verstrekte informatie, dat de zetel vacant is.
3. Aan de hand van een verslag van de bevoegde commissie gaat het Parlement onverwijld over tot onderzoek van de geloofsbrieven en beslist het over de geldigheid van het mandaat van elk der nieuwgekozen leden, alsmede over eventuele bezwaren, ingebracht overeenkomstig het bepaalde in de [Akte van 1976], met uitzondering van die welke gebaseerd zijn op de nationale kieswetten.
4. Het verslag van de bevoegde commissie stoelt op de officiële bekendmaking door elke lidstaat van de volledige verkiezingsuitslag, onder vermelding van de namen van de gekozen kandidaten en van die van hun eventuele vervangers in de uit de verkiezingsuitslag blijkende volgorde.
Het mandaat van een lid kan slechts geldig worden verklaard indien de uit onderhavig artikel alsmede bijlage I van het Reglement voortvloeiende schriftelijke verklaringen zijn opgesteld.
Het Parlement kan zich op grond van een verslag van zijn bevoegde commissie op elk tijdstip uitspreken over eventuele bezwaren omtrent de geldigheid van het mandaat van een lid.
5. Indien de benoeming van een lid voortvloeit uit het feit dat kandidaten van dezelfde lijst afzien van benoeming, ziet de bevoegde commissie erop toe dat niet-aanvaarding van het mandaat strookt met de letter en de geest van de [Akte van 1976] en met artikel 4, lid 3, van het Reglement.
6. De bevoegde commissie ziet erop toe dat alle voor de uitoefening van het mandaat van een lid of voor de volgorde der vervangers relevante gegevens onverwijld door de autoriteiten van de lidstaten of de Unie ter kennis van het Parlement worden gebracht en dat in geval van een benoeming daarbij de datum waarop de benoeming van kracht wordt, wordt vermeld.
Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien van een lid een procedure openen op grond waarvan het mandaat van dit lid vervallen zou kunnen worden verklaard, verzoekt de [v]oorzitter deze autoriteiten hem regelmatig op de hoogte te stellen van de voortgang van de procedure. Hij verwijst de aangelegenheid naar de bevoegde commissie, op voorstel waarvan het Parlement zich over de aangelegenheid kan uitspreken.
Artikel 4
Duur van het mandaat
[...]
3. Elk demissionair lid deelt de voorzitter zijn ontslagneming alsook de datum van ingang daarvan mede. Deze datum moet binnen een termijn van drie maanden na de mededeling vallen. Van deze mededeling wordt in aanwezigheid van de secretaris-generaal of zijn vertegenwoordiger een proces-verbaal opgemaakt, dat door laatstgenoemde alsmede door het betrokken lid ondertekend wordt en onverwijld wordt voorgelegd aan de bevoegde commissie, die het op de agenda voor haar eerste vergadering volgend op de ontvangst van dit document plaatst.
Indien de bevoegde commissie van oordeel is dat de ontslagneming niet strookt met de letter en de geest van de [Akte van 1976], deelt zij dat aan het Parlement mede, zodat het kan besluiten al dan niet te constateren dat de zetel vacant is.
Is dat niet het geval, dan wordt geconstateerd dat de zetel vacant is met ingang van de datum die door het demissionaire lid in het proces-verbaal van ontslagneming is aangegeven. Er wordt hierover niet door het Parlement gestemd.
[...]
9. Ingeval bij het aanvaarden of het afzien van het mandaat kennelijk sprake is geweest van feitelijke onjuistheden of van wilsgebrek behoudt het Parlement zich het recht voor het desbetreffende mandaat ongeldig te verklaren, c.q. te weigeren te constateren dat de zetel vacant is.”
Statuut van de leden van het Europees Parlement
5 Volgens punt 4 van de considerans van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB L 262, blz. 1; hierna: „Statuut van de leden”) moeten „[d]e in artikel 2 beschermde vrijheid en onafhankelijkheid van het lid [...] worden geregeld. Zij komen in geen enkele tekst van het primaire recht voor. Verklaringen waarin leden zich ertoe verplichten het mandaat op een bepaald tijdstip te beëindigen of blanco verklaringen over de beëindiging van het mandaat, waarvan een partij naar eigen goeddunken gebruik kan maken, moeten worden beschouwd als zijnde onverenigbaar met de vrijheid en onafhankelijkheid van het lid en kunnen derhalve niet juridisch bindend zijn.”
6 Luidens punt 5 van de considerans van het Statuut van de leden van het Europees Parlement worden in artikel 3, lid 1, de voorschriften van artikel 6, lid 1, van de Akte van 1976 volledig overgenomen.
7 De artikelen 2 en 30 van het Statuut van de leden bepalen:
„Artikel 2
1. De leden zijn vrij en onafhankelijk.
2. Overeenkomsten over het neerleggen van het mandaat vóór afloop of aan het einde van een zittingsperiode zijn nietig.
[...]
Artikel 30
Dit Statuut treedt in werking op de eerste dag van de zittingsperiode van het Europees Parlement die in 2009 begint.”
Feiten
8 De feiten van het geschil zijn in de punten 6 tot en met 17 van de bestreden beschikking als volgt uiteengezet:
„6 Bij de op 12 en 13 juni 2004 gehouden Europese verkiezingen stond B. Donnici [...] op de gezamenlijke lijst ‚Società Civile – Di Pietro Occhetto’ in de kieskring Zuid-Italië. Die lijst behaalde twee zetels, één in de kieskring Zuid-Italië en één in de kieskring Noord-West-Italië. A. Di Pietro, die in beide kieskringen de meeste stemmen had behaald, koos ervoor de zetel voor de kieskring Zuid-Italië te bezetten.
7 A. Occhetto eindigde in beide kieskringen op de tweede plaats, dat wil zeggen in de kieskring Zuid-Italië boven [Donnici] en in de kieskring Noord-West-Italië boven G. Chiesa. Aangezien Di Pietro had geopteerd voor de zetel van de kieskring Zuid-Italië, had Occhetto in de kieskring Noord-West-Italië verkozen moeten worden verklaard. Occhetto, die destijds lid was van de Italiaanse senaat, gaf echter bij een op 6 juli 2004 ondertekende schriftelijke notariële verklaring te kennen dat hij ‚onherroepelijk’ afzag van verkiezing tot lid van het Europees Parlement in beide kieskringen. Die verklaring kwam de volgende dag binnen bij het Ufficio elettorale nazionale per il Parlamento europeo presso la Corte di cassazione (nationaal kiesbureau voor het Europees Parlement bij het Italiaanse Hof van cassatie; hierna: ‚Italiaans kiesbureau’).
8 Op 12 november 2004 stelde het Italiaanse kiesbureau het Parlement in kennis van de officiële uitslag van de Europese verkiezingen, onder vermelding van de namen van de gekozen kandidaten en van die van hun vervangers. Het maakte de verkiezing van Chiesa in de kieskring Noord-West-Italië en die van Di Pietro in de kieskring Zuid-Italië bekend, zodat [Donnici] in laatstgenoemde kieskring op de eerste plaats van de niet-gekozenen kwam.
9 Bij de Italiaanse parlementsverkiezingen van 9 en 10 april 2006 werd Di Pietro in het Italiaanse parlement gekozen. Hij koos ervoor dit nationale mandaat met ingang van 28 april 2006 te gaan uitoefenen. Aangezien deze functie ingevolge artikel 7, lid 2, van de Akte van 1976 onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement, stelde het Parlement op 27 april 2006 vast dat de zetel van Di Pietro met ingang van de volgende dag vacant zou zijn, waarvan het de Italiaanse Republiek op de hoogte bracht.
10 Bij een tot het Italiaanse kiesbureau gerichte verklaring van 27 april 2006 herriep Occhetto zijn besluit tot niet-aanvaarding van 7 juli 2004 en gaf hij uitdrukking aan ‚zijn wens om als eerste van de niet-gekozenen in de kieskring [Zuid-Italië] de plaats van [Di] Pietro in te nemen, zodat elke eerdere verklaring als ongeldig, zonder effect en hoe dan ook herroepen moe[s]t worden beschouwd [...] en in elk geval rekening [moest] worden gehouden met de wens zoals die tot uitdrukking was gebracht op de datum van de bekendmaking van de gekozenen’.
11 Naar aanleiding van die verklaring maakte het Italiaanse kiesbureau op 8 mei 2006 de verkiezing van Occhetto tot lid van het Parlement bekend.
12 Bij vonnis van 21 juli 2006 verklaarde het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (regionaal bestuursgerecht van Latium) het door [Donnici] tegen die bekendmaking ingestelde beroep tot nietigverklaring ongegrond. Daartoe overwoog het, zakelijk weergegeven, dat het besluit van Occhetto van 7 juli 2004 om zijn mandaat niet te aanvaarden, niet betekende dat Occhetto daarmee ook afstand had gedaan van zijn plaats op de lijst van mogelijke vervangers. Het beklemtoonde in dit verband dat de eerbiediging van de volkswil gebiedt dat de verkiezingsuitslag als onaantastbaar en onveranderlijk wordt beschouwd en dat niet-aanvaarding van een mandaat geen gevolgen kan hebben voor eventuele vervanging in geval van onverenigbaarheid, vervallenverklaring, onverkiesbaarheid of niet-aanvaarding door de rechthebbenden. Een kandidaat die zijn verkiezing niet heeft aanvaard, zou derhalve het recht hebben om, wanneer aan de voorwaarden voor vervanging van een parlementslid is voldaan, van zijn eerdere besluit terug te komen en de vacant geworden zetel te bezetten.
13 [Donnici] maakte ook bij het Parlement bezwaar tegen de bekendmaking van de verkiezing van Occhetto tot lid van het Parlement in plaats van Di Pietro. Dit bezwaar werd op 21 juni 2006 door de commissie juridische zaken van het Parlement behandeld. Na te hebben vastgesteld dat het bezwaar ingevolge artikel 12 van de Akte van 1976 niet-ontvankelijk was omdat het op de Italiaanse kieswet was gebaseerd, stelde de commissie juridische zaken het Parlement unaniem voor, het mandaat van Occhetto met ingang van 8 mei 2006 geldig te verklaren. Op 3 juli daaraanvolgend bekrachtigde het Parlement het mandaat van Occhetto.
14 Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 6 december 2006 wees de Consiglio di Stato (Italiaanse Raad van State) het door [Donnici] tegen voormeld vonnis van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio ingestelde beroep toe, vernietigde dat vonnis en verklaarde nietig de bekendmaking, door het Italiaanse kiesbureau op 8 mei 2006, van de verkiezing van Occhetto tot lid van het [Europees] Parlement. De Consiglio di Stato overwoog in de eerste plaats dat het onlogisch is onderscheid te maken tussen het afzien van verkiezing en het afzien van de plaats in de verkiezingsuitslag, aangezien de verkiezing een gevolg is van de plaats in de uitslag en niet-aanvaarding van de verkiezing voor de betrokkene dus meebrengt dat zijn naam uit de uitslag wordt geschrapt, met alle gevolgen van dien. De Consiglio di Stato oordeelde in de tweede plaats dat het tegenstrijdig is om te stellen dat niet-aanvaarding van de verkiezing geen gevolgen heeft voor een vervanging en dat de kandidaat die van een Europees mandaat afziet, het recht heeft van dat besluit terug te komen wanneer vervanging van een parlementslid aan de orde is. Ten slotte overwoog hij dat niet-aanvaarding van de verkiezing onherroepelijk wordt zodra de bevoegde instantie daarvan akte heeft genomen en als gevolg daarvan de oorspronkelijk door het kiesbureau vastgestelde verkiezingsuitslag is gewijzigd.
15 Op 29 maart 2007 nam het Italiaanse kiesbureau akte van voormeld arrest van de Consiglio di Stato en maakte het de verkiezing van [Donnici] tot lid van het Parlement voor de kieskring Zuid-Italië bekend, waarmee Occhetto van zijn mandaat werd ontheven.
16 Een en ander werd meegedeeld aan het Parlement, dat daarvan in het verslag van de plenaire zitting van 23 april 2007 nota nam in de volgende bewoordingen:
‚De bevoegde Italiaanse autoriteiten hebben meegedeeld dat de bekendmaking van de verkiezing [van Occhetto] nietig is verklaard en dat de daardoor vacant geworden zetel is toegewezen aan [Donnici]. Het Parlement neemt nota van deze besluiten met ingang van 29.3.2007.
[...]
Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van [het Reglement van het Parlement] neemt [Donnici], zolang [zijn] geloofsbrieven [...] nog niet zijn onderzocht of over ingebrachte bezwaren nog niet is beslist, en mits [hij] tevoren de [...] schriftelijke verklaring heeft ondertekend dat hij geen functie bekleedt die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement, [...] met volledige rechten zitting in het Parlement en zijn organen.’
17 In de tussentijd had Occhetto bij brief van 5 april 2007, aangevuld door een nota van 14 april daaraanvolgend, een bezwaar ingebracht en het Parlement verzocht zijn mandaat te bekrachtigen en dat van [Donnici] ongeldig te verklaren. Bij [het litigieuze besluit], genomen op basis van het verslag van de commissie juridische zaken van 22 mei 2007 (A6 0198/2007), heeft het Parlement het mandaat van [Donnici], van wiens verkiezing door de bevoegde nationale autoriteiten mededeling was gedaan, ongeldig verklaard en dat van Occhetto bekrachtigd. Het heeft tevens zijn voorzitter verzocht dit besluit te doen toekomen aan de bevoegde nationale autoriteit alsmede aan [Donnici] en Occhetto.”
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden beschikking
9 Bij op 22 juni 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Donnici krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. Bij afzonderlijke akte heeft hij ook een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van dit besluit.
10 Occhetto en de Italiaanse Republiek zijn toegelaten tot interventie aan de zijde van respectievelijk het Parlement en Donnici.
11 Ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring heeft Donnici twee middelen aangevoerd. Met het eerste middel stelde hij dat het Parlement met de vaststelling van het litigieuze besluit in strijd had gehandeld met de regels en beginselen die zijn bevoegdheid op het gebied van het onderzoek van de geloofsbrieven van zijn leden bepalen. Met het tweede middel verweet hij het Parlement ontoereikende motivering van dat besluit.
12 In de bestreden beschikking heeft de kortgedingrechter eerst onderzocht of de door Donnici voor zijn beroep tot nietigverklaring aangevoerde rechtsgronden op het eerste gezicht gegrond leken, om te bepalen of aan de voorwaarde van fumus boni juris was voldaan. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft hij geoordeeld dat het middel betreffende de onbevoegdheid van het Parlement om het bestreden besluit vast te stellen serieus was en niet zonder grondiger onderzoek, dat uitsluitend door de rechter in de hoofdzaak kan worden uitgevoerd, kon worden gepasseerd. Hij heeft derhalve geconcludeerd dat die voorwaarde in casu was vervuld.
13 Vervolgens heeft de kortgedingrechter geoordeeld dat de gevorderde opschorting van de tenuitvoerlegging noodzakelijk was om ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van Donnici te voorkomen, met name gelet op de beperkte duur van het mandaat van een parlementslid en op het feit dat het litigieuze besluit het Donnici onmogelijk maakte zijn mandaat verder te vervullen.
14 Ten slotte heeft de kortgedingrechter de betrokken belangen tegen elkaar afgewogen en vastgesteld dat, gelet op het feit dat de respectieve specifieke en rechtstreekse belangen van Donnici en Occhetto met elkaar in balans waren, meer algemene belangen in aanmerking moesten worden genomen. Op grond van onder meer het belang van de Italiaanse Republiek bij eerbiediging van haar verkiezingswetgeving door het Parlement en het feit dat de argumenten van Donnici plausibel waren en serieus moesten worden genomen, heeft hij geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit was voldaan en heeft hij het daartoe strekkende verzoek van Donnici derhalve toegewezen.
Conclusies van partijen
15 Met hun respectieve hogere voorzieningen vorderen Occhetto en het Parlement vernietiging van de bestreden beschikking. Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren zij middelen aan inzake onjuiste beoordeling van de fumus boni juris en onjuiste beoordeling van de spoedeisendheid en de afweging van de betrokken belangen.
16 Donnici en de Italiaanse regering vorderen afwijzing van de hogere voorzieningen. Wat de hogere voorziening van Occhetto betreft, verzoekt Donnici primair deze niet-ontvankelijk te verklaren.
Hogere voorziening
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening van Occhetto
17 Donnici stelt dat de hogere voorziening van Occhetto in wezen gebaseerd lijkt te zijn op de stelling dat er bij zijn besluit om af te zien van het mandaat in wezen sprake was van een wilsgebrek, zodat dat besluit ongeldig was, wat door het Parlement zou moeten worden vastgesteld in de fase van het onderzoek van de geloofsbrieven. Volgens Donnici heeft Occhetto echter noch voor de nationale gerechten, noch voor de communautaire kortgedingrechter aangevoerd dat er sprake was van een wilsgebrek. Daaruit volgt dat de hogere voorziening van Occhetto in wezen gebaseerd is op factoren die voor het eerst in de onderhavige procedure in hogere voorziening zijn aangevoerd. Voorts impliceert het onderzoek van de omstandigheden waarvan het bestaan van een wilsgebrek afhangen, dat feitelijke gegevens worden vastgesteld en beoordeeld, wat in de fase van de hogere voorziening is uitgesloten. Op grond daarvan verzoekt Donnici dat de hogere voorziening van Occhetto niet-ontvankelijk wordt verklaard.
18 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, ook al voert Occhetto in zijn hogere voorziening een reeks overwegingen aan inzake de geldigheid van zijn niet-aanvaarding van het mandaat als lid en inzake het bestaan van een wilsgebrek, dit niet wegneemt dat die hogere voorziening berust op een aantal middelen inzake enerzijds verkeerde uitlegging van de bepalingen van de Akte van 1976 en anderzijds onjuiste beoordeling van de spoedeisendheid en de afweging van de betrokken belangen.
19 De conclusie luidt derhalve dat de hogere voorziening van Occhetto ontvankelijk is.
Middelen inzake onjuiste beoordeling van de fumus boni juris
20 Wat de beoordeling van de fumus boni juris door de kortgedingrechter betreft voeren rekwiranten drie middelen aan, ontleend aan respectievelijk:
– verkeerde uitlegging van artikel 12 van de Akte van 1976 inzake de omvang van de onderzoeksbevoegdheden van het Parlement;
– verkeerde uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976 en van de werkingssfeer ervan alsook schending van artikel 3 van Aanvullend protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), en
– onjuiste rechtsopvatting en tegenstrijdige motivering op het punt van de vaststelling van de gevolgen van de vermeende onwettigheid van het besluit van de Italiaanse autoriteiten voor het litigieuze besluit.
Het middel inzake verkeerde uitlegging van artikel 12 van de Akte van 1976
– Argumenten van rekwiranten
21 Volgens Occhetto en het Parlement heeft de kortgedingrechter, door te overwegen dat het Parlement op grond van artikel 12 van de Akte van 1976 slechts nota mag nemen van de door de bevoegde nationale autoriteiten bekendgemaakte verkiezingsuitslagen en niet de principiële bevoegdheid bezit om toe te zien op de eerbiediging van het gemeenschapsrecht door de lidstaten, deze bepaling verkeerd uitgelegd, gelet op zowel de tekst ervan als de algemene context waarvan zij deel uitmaakt.
22 Ook al mag het Parlement volgens artikel 12 van de Akte van 1976 slechts „nota nemen” van de uitslagen van de onderzoeken van de nationale autoriteiten, die zijn uitgevoerd op basis van de regels van de lidstaten, dit neemt niet weg dat het een zelfstandige onderzoeksbevoegdheid heeft op basis van de regels van het gemeenschapsrecht. Waar het een procedure in het kader van de samenstelling van een communautaire instelling betreft, bestaat er een communautair normatief niveau dat niet beoogt de nationale procedures te harmoniseren, maar een minimumstandaard in te voeren, waardoor verstoringen als gevolg van verschillen tussen de nationale procedures kunnen worden voorkomen. In die zin verleent artikel 12 van de Akte van 1976 het Parlement de bevoegdheid om te beslissen over bezwaren op grond van de bepalingen van die Akte. Die bevoegdheid moet noodzakelijkerwijs niet alleen op basis van de letterlijke inhoud van die Akte worden uitgeoefend, maar ook op basis van de algemene beginselen die daaraan in zijn totaliteit ten grondslag liggen.
23 Anders dan de kortgedingrechter heeft overwogen, beoogt de tweede zin van artikel 12 van de Akte van 1976 derhalve niet de bevoegdheid van het Parlement te beperken, maar geeft het aan op welke twee wijzen die bevoegdheid kan worden uitgeoefend. Het Parlement moet zich op het punt van het onderzoek in het kader van de nationale wetgeving weliswaar beperken tot het nemen van nota daarvan, maar het beschikt over een volledige onderzoeksbevoegdheid in het kader van het gemeenschapsrecht.
24 Voor deze uitlegging van artikel 12 van de Akte van 1976 voeren rekwiranten in de eerste plaats artikel 8 van die Akte aan, dat volgens hen bevestigt dat de onderzoeksbevoegdheid van het Parlement uit twee delen bestaat. Door te stellen dat voor de verkiezingsprocedure „in elke lidstaat de nationale bepalingen [gelden]”, echter „behoudens de bepalingen van deze akte”, noemt die bepaling namelijk de twee parameters op basis waarvan de onderzoeksbevoegdheid wordt uitgeoefend.
25 In de tweede plaats bestaat in het Parlement een institutionele praktijk die ondubbelzinnig aantoont dat het Parlement de geloofsbrieven van zijn leden wil onderzoeken aan de hand van een communautair referentiekader.
26 Deze praktijk blijkt enerzijds uit het verslag van de commissie Reglement, onderzoek geloofsbrieven en immuniteiten van het Parlement over de wijziging van de artikelen 7 en 8 van het Reglement van het Europees Parlement inzake het onderzoek van de geloofsbrieven en de duur van het parlementaire mandaat (A3-0166/94), welke artikelen corresponderen met respectievelijk de artikelen 3 en 4 van het momenteel geldende Reglement van het Europees Parlement.
27 Anderzijds betogen rekwiranten dat het Parlement in artikel 2 van zijn resolutie over betwisting van en bezwaren tegen de geldigheid van mandaten in verband met het „tourniquet-systeem” (PB 1983, C 68, blz. 31) vaststelt dat „betwistingen van de geldigheid van het mandaat van nieuw gekozen leden of bezwaren tegen de geldigheid van reeds onderzochte mandaten die gebaseerd zijn op juridische bezwaren tegen het ‚tourniquet-systeem’, ongegrond zijn”. Hoe dan ook is het zinloos een complex onderzoekssysteem op te zetten, bestaande uit twee delen, een nationaal en een communautair, wanneer er vervolgens geen communautair normatief niveau is en het Parlement in de uitoefening van zijn onderzoeksbevoegdheid slechts nota hoeft te nemen van de op nationaal niveau bekendgemaakte uitslagen.
28 In de derde plaats zijn de arresten van het Hof van 7 juli 2005, Le Pen/Parlement (C‑208/03 P, Jurispr. blz. I‑6051), en van het Gerecht van 10 april 2003, Le Pen/Parlement (T‑353/00, Jurispr. blz. II‑1729), waarop de kortgedingrechter zich heeft gebaseerd, geen relevante precedenten voor de zaak ten gronde. De zaak die tot deze arresten heeft geleid, had namelijk betrekking op de geldigheid van een besluit waarin het Parlement nota had genomen van een beslissing van de nationale autoriteiten tot beëindiging van het parlementair mandaat van de betrokkene, en betrof dus artikel 13, lid 2, van de Akte van 1976, en niet artikel 12 ervan. Hoe dan ook, uit de voorgeschiedenis van die zaak blijkt dat de afbakening van de bevoegdheden van het Parlement bij verval van een parlementair mandaat een ingewikkelde kwestie is die niet kan worden beoordeeld in het kader van een kortgedingprocedure.
– Beoordeling
29 Om te beginnen werpt dit middel de vraag op hoe ver de onderzoeksbevoegdheden van het Parlement reiken op basis van artikel 12 van de Akte van 1976. Om te beoordelen of de kortgedingrechter zich gebaseerd heeft op een verkeerde uitlegging van deze bepaling en dus op een onjuiste beoordeling van de omvang van die bevoegdheden, moeten zowel de bewoordingen van die bepaling worden onderzocht als de algemene context waarvan zij deel uitmaakt.
30 Artikel 12 van de Akte van 1976 bepaalt uitdrukkelijk dat het Parlement enerzijds „nota neemt” van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen, en anderzijds over eventuele bezwaren slechts kan beslissen „op grond van de bepalingen van [die] akte”, en wel „met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst”.
31 Daaruit volgt dat de tekst van artikel 12 van de Akte van 1976 op het eerste gezicht lijkt te pleiten voor een enge uitlegging ervan. Anders dan rekwiranten betogen is op dit punt het eerdergenoemde arrest van het Hof Le Pen/Parlement, waarop de kortgedingrechter zich heeft gebaseerd, bijzonder relevant. Het gebruik van de uitdrukking „nota nemen” is daarin in de context van de Akte van 1976 aldus uitgelegd dat het Parlement ter zake geen enkele beoordelingsvrijheid heeft (zie in die zin arrest Hof Le Pen/Parlement, reeds aangehaald, punt 50).
32 Wat het onderzoek van de geloofsbrieven van de leden van het Parlement betreft, geven voorts artikel 12 van de Akte van 1976 en artikel 3, lid 3, van het Reglement van het Europees Parlement het Parlement de bevoegdheid om te beslissen over de geldigheid van het mandaat van elk der nieuwgekozen leden, alsmede over eventuele bezwaren, ingebracht op grond van de bepalingen van de Akte van 1976, maar respectievelijk „met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst” en „met uitzondering van die welke gebaseerd zijn op de nationale kieswetten”. Uit deze uitsluitingen nu blijkt duidelijk dat het Parlement geen algemene bevoegdheid heeft tot toetsing van de nationale verkiezingsprocedures aan het gemeenschapsrecht (zie in die zin arrest van het Hof Le Pen/Parlement, reeds aangehaald, punt 51).
33 Voorts kan het argument dat bij deze uitlegging van artikel 12 van de Akte van 1976 de onderzoeksbevoegdheden van het Parlement op grond van dat artikel inhoudsloos zijn, niet worden aanvaard. Zoals de kortgedingrechter terecht heeft opgemerkt, heeft het Parlement namelijk het volste recht zich in het kader van het onderzoek van dat artikel uit te spreken over de situatie van een gekozen kandidaat die een van de in artikel 7 van de Akte van 1976 genoemde hoedanigheden bezit die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van het Parlement.
34 Wat ten slotte de door het Parlement genoemde institutionele praktijk betreft, en los van de vraag of een eenzijdige praktijk van een communautaire instelling op zich het Hof kan binden op het punt van de uitlegging van de betrokken bepalingen van het EG-Verdrag of van het afgeleide gemeenschapsrecht, volstaat de opmerking dat de in dit verband door het Parlement genoemde gegevens, namelijk een verslag van de commissie Reglement, onderzoek geloofsbrieven en immuniteiten van het Parlement, daterend uit 1994, en een resolutie uit 1983, niet voldoende zijn om het bestaan aan te tonen van een vaste institutionele praktijk.
35 Gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de kortgedingrechter geen blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting wat de uitlegging van artikel 12 van de Akte van 1976 betreft.
36 Het onderhavige middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake verkeerde uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976
37 Met hun tweede middel stellen rekwiranten dat de kortgedingrechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 6 van de Akte van 1976 het Parlement de bevoegdheid geeft de vrije uitoefening van het parlementsmandaat te waarborgen uitsluitend voor de Parlementsleden die in functie zijn. Aldus wordt de vrije uitoefening slechts gewaarborgd ten aanzien van overeenkomsten die gevolgen hebben voor de uitoefening van het mandaat van parlementslid, maar niet ten aanzien van overeenkomsten die volledig verhinderen dat het door de kiezers gewilde mandaat wordt uitgeoefend.
38 Van oordeel dat, ook al heeft artikel 6 van de Akte van 1976 tot doel de vrijheid van handelen van de parlementsleden te beschermen, het onredelijk zou zijn de draagwijdte ervan te beperken tot de parlementsleden die in functie zijn, staan rekwiranten een teleologische uitlegging van dit artikel voor. Volgens hen moet een uitlegging van deze bepaling in het licht van haar doel ertoe leiden dat zij ook wordt toegepast op kandidaten die officieel op de lijst van mogelijke vervangers staan, daar zij potentiële leden zijn.
39 In die context vormt artikel 6 van de Akte van 1976, dat autonomie van de leden eist en een bindend mandaat verbiedt, een bindend algemeen beginsel dat ertoe strekt de goede werking van het Parlement te waarborgen. De verwijzing naar de „bepalingen van deze akte” in artikel 12 van de Akte van 1976 moet dus noodzakelijkerwijs betrekking hebben op de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan die Akte en inherent zijn aan de goede uitvoering van het onderzoek van de geloofsbrieven door het Parlement. Deze beginselen, die met name besloten liggen in artikel 6 van die Akte, vormen in feite het uitvloeisel van het in artikel 3 van aanvullend protocol nr. 1 bij het EVRM neergelegde fundamentele beginsel, dat bindend van aard is en op grond waarvan de verdragsluitende partijen verplicht zijn vrije verkiezingen te houden „onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen”.
40 Ter onderbouwing van deze uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976 voeren rekwiranten enerzijds artikel 2 van het Statuut van de leden aan, dat, hoewel nog niet van kracht, een codificatie van de normatieve inhoud van het genoemde artikel 6 vormt en dus van de huidige stand van het gemeenschapsrecht ter zake. Anderzijds verwijzen zij naar de bepalingen van de artikelen 3, lid 5, en 4, leden 3 en 9, van het Reglement van het Europees Parlement. Volgens hen had de kortgedingrechter met die bepalingen rekening moeten houden bij de uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976, wat hem tot de conclusie zou hebben geleid dat de beginselen van artikel 6 ook van toepassing zijn op situaties die gevolgen kunnen hebben voor de samenstelling van het Parlement.
41 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals de kortgedingrechter terecht heeft vastgesteld, de bewoordingen van artikel 6 van de Akte van 1976 uitdrukkelijk betrekking hebben op de „leden van het Europees Parlement”. Bovendien gaat het in dit artikel om het stemrecht van die leden, welk recht naar zijn aard niet in verband kan worden gebracht met de hoedanigheid van kandidaat die op grond van zijn rangorde op de lijst officieel gekozen wordt verklaard.
42 Het is ongetwijfeld juist dat bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht in het algemeen niet strikt mag worden uitgegaan van de bewoordingen ervan, zonder rekening te houden met de context en het doel ervan. Los van de vraag of gebruikmaking van een dergelijke interpretatiemethode in casu tot een uitlegging contra legem zou leiden, moet evenwel worden vastgesteld dat de in die zin door rekwiranten aangevoerde omstandigheden niet kunnen aantonen dat de uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976 door de kortgedingrechter kennelijk onjuist is.
43 In de eerste plaats, zo dat artikel 6 van de Akte van 1976 al is gebaseerd op bepaalde algemene beginselen, met name op artikel 3 van aanvullend protocol nr. 1 bij het EVRM, neemt dat niet weg dat het een zeer concrete uitwerking daarvan zou zijn. Daaruit volgt dat dit artikel 6 op zich geen grond kan opleveren voor een algemene bevoegdheid van het Parlement om de verkiezingsprocedures van de lidstaten te toetsen aan al deze beginselen en aan het EVRM.
44 Wat in de tweede plaats artikel 2 van het Statuut van de leden betreft, moet worden opgemerkt dat punt 4 van de considerans daarvan stelt dat „[d]e in artikel 2 [van dit Statuut] beschermde vrijheid en onafhankelijkheid van het lid moeten worden geregeld”, omdat zij „in geen enkele tekst van het primaire recht voor[komen]”. Deze tekstpassages nu, gelezen in samenhang met punt 5 van de considerans van dit Statuut, waarin wordt gezegd dat in artikel 3, lid 1, ervan de voorschriften van artikel 6, lid 1, van de Akte van 1976 volledig worden overgenomen, vormen op het eerste gezicht duidelijke aanwijzingen voor het feit dat artikel 2 van het Statuut van de leden geen codificatie van het genoemde artikel 6 vormt.
45 In de derde plaats heeft de kortgedingrechter terecht geoordeeld dat overeenkomstig het beginsel van de hiërarchie van normen een bepaling van het Reglement van het Europees Parlement niet kan afwijken van de bepalingen van de Akte van 1976. Dit Reglement is namelijk een interne-organisatiemaatregel, waarbij aan het Parlement geen bevoegdheden kunnen worden toegekend die niet uitdrukkelijk door een normatieve handeling, in casu de Akte van 1976, zijn erkend (zie in die zin arrest van 21 oktober 2008, Marra, C‑200/07 en C‑201/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38). Daaruit volgt dat, althans in het kader van een onderzoek van de fumus boni juris, de bepalingen van het Reglement van het Europees Parlement moeten worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de bepalingen van de Akte van 1976, en niet andersom.
46 Derhalve luidt de conclusie dat de bestreden beschikking geen blijk geeft van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting wat de uitlegging van artikel 6 van de Akte van 1976 betreft.
47 Ook dit middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake gebrekkige motivering aangaande de gevolgen van de vermeende onwettigheid van het besluit van het Italiaanse kiesbureau waarin Donnici’s verkiezing tot lid van het Parlement bekend werd gemaakt, voor het besluit van het Parlement betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van Donnici
48 Volgens het Parlement is de motivering van de bestreden beschikking onjuist en tegenstrijdig op het punt van de beoordeling van de gevolgen van de vermeende onwettigheid van het besluit van het Italiaanse kiesbureau waarin Donnici’s verkiezing tot lid van het Parlement bekend werd gemaakt, voor het besluit van het Parlement betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van Donnici. Het Parlement meent met name dat de kortgedingrechter zich voor de afwijzing van zijn argument dat zijn besluit over het onderzoek van de geloofsbrieven zelf onwettig zou zijn indien daaraan een onwettige nationale handeling ten grondslag lag, op irrelevante rechtspraak heeft gebaseerd, namelijk het arrest van het Hof van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie (C‑97/91, Jurispr. blz. I‑6313, punten 10 tot en met 12), en de beschikking van de president van het Gerecht van 21 mei 2007, Kronberger/Parlement (T‑18/07 R, Jurispr. blz. II‑50, punten 38 tot en met 40), in plaats van het arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie (C‑64/05 P, Jurispr. blz. I‑11389) in aanmerking te nemen.
49 Het Parlement stelt met het litigieuze besluit te hebben geweigerd het mandaat van een door de nationale autoriteiten aangewezen persoon te valideren, op grond dat dat besluit in strijd was met het beginsel van het vrije mandaat, dat voorkomt in een regel die zich tekstueel richt tot het Parlement en hem een controlerende bevoegdheid verleent. Het is immers absurd om te aanvaarden dat de nationale gerechtelijke en bestuurlijke autoriteiten het gemeenschapsrecht moeten toepassen, waarbij zij daarmee strijdige nationale normen eventueel buiten toepassing laten, en dat het Parlement die bevoegdheid niet heeft.
50 In het eerdergenoemde arrest Borelli/Commissie, dat met name betrekking had op de uitlegging van artikel 13, lid 3, van verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouwproducten (PB L 51, blz. 1), heeft het Hof geoordeeld dat een project slechts voor bijstand van het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw in aanmerking kan komen, indien het een gunstig advies heeft ontvangen van de lidstaat op het grondgebied waarvan het moet worden uitgevoerd, en dat in geval van een negatief advies de Commissie de procedure voor het onderzoek van het project derhalve niet kan voortzetten volgens de in diezelfde verordening neergelegde regels noch, a fortiori, de regelmatigheid van dat advies kan onderzoeken. Het Hof heeft daaruit geconcludeerd dat eventuele onregelmatigheden in dit advies in geen geval invloed kunnen hebben op de geldigheid van de beschikking van de Commissie waarbij de gevraagde bijstand is geweigerd (arrest Oleificio Borelli/Commissie, reeds aangehaald, punten 11 en 12).
51 Op basis van deze rechtspraak heeft de kortgedingrechter geoordeeld dat wanneer een nationale handeling deel uitmaakt van een communautair besluitvormingsproces en ingevolge de bevoegdheidsverdeling op het betrokken gebied het beslissende gemeenschapsorgaan bindt en derhalve bepalend is voor de inhoud van de op gemeenschapsniveau te nemen beslissing, eventuele onregelmatigheden in deze nationale handeling in geen geval invloed kunnen hebben op de geldigheid van het besluit van die gemeenschapsinstelling. Dit volgt duidelijk uit de punten 10 tot en met 12 van het reeds aangehaalde arrest Oleificio Borelli/Commissie en is in casu relevant, vooral wanneer men juist rekening houdt met de bevoegdheidsverdeling in artikel 12 van de Akte van 1976.
52 Omgekeerd heeft het Hof in punt 93 van het eerdergenoemde arrest Zweden/Commissie, dat betrekking had op de uitlegging van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43), geoordeeld dat artikel 4, lid 5, van deze verordening er niet toe strekt een scheiding aan te brengen tussen twee bevoegdheden, de ene nationaal, de andere communautair, met verschillende doelstellingen, maar een besluitvormingsproces invoert dat als enig doel heeft te bepalen of toegang tot een document moet worden geweigerd op grond van een van de in artikel 4, leden 1 tot en met 3, van deze verordening neergelegde materiële uitzonderingen, aan welk besluitvormingsproces zowel de gemeenschapsinstelling als de betrokken lidstaat deelnemen.
53 De stelling van het Parlement op basis van het laatstgenoemde arrest is derhalve dat artikel 12 van de Akte van 1976 niet voorziet in een bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en het Parlement en in de uitoefening van die bevoegdheden in het kader van afzonderlijke procedures, maar in één besluitvormingsproces waaraan zowel het Parlement als de nationale autoriteiten deelnemen. Gelet op de overwegingen in de punten 29 tot en met 34 van deze beschikking is dat op het eerste gezicht echter niet het geval.
54 Gelet op het bovenstaande luidt de conclusie dat de bestreden beschikking niet gebrekkig gemotiveerd is aangaande de gevolgen van de vermeende onwettigheid van het besluit van het Italiaanse kiesbureau waarin Donnici’s verkiezing tot lid van het Parlement bekend werd gemaakt, voor het besluit van het Parlement betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van Donnici.
55 Dit middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake onjuiste beoordeling van de spoedeisendheid
56 Het Parlement stelt dat de beoordeling van de spoedeisendheid door de kortgedingrechter blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, daar deze zich uitsluitend heeft gebaseerd op het eventuele nadeel voor Donnici, zonder rekening te houden met het eventuele nadeel voor de politieke vertegenwoordiging. Volgens het Parlement blijft de betrokken parlementszetel, wanneer de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit niet wordt opgeschort, bezet door een persoon van dezelfde politieke richting als Donnici. Diens belang rechtvaardigt dan ook geen opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit vanuit het oogpunt van de politieke vertegenwoordiging.
57 Op dit punt kan worden volstaan met in herinnering te brengen dat volgens vaste rechtspraak de kortgedingprocedure tot doel heeft de volle werking van het arrest in hoofdzaak te waarborgen. Om dit doel te bereiken, dienen de gevorderde maatregelen spoedeisend te zijn in die zin, dat zij noodzakelijk zijn om ernstige en onherstelbare schade voor de belangen van de verzoeker te voorkomen en derhalve al vóór de uitspraak in de hoofdzaak effect moeten sorteren (beschikking van de president van het Hof van 25 maart 1999, Willeme/Commissie [C‑65/99 P(R), Jurispr. blz. I‑1857, punt 62]).
58 Daaruit volgt dat de kortgedingrechter voor de beoordeling van de spoedeisendheid van de gevorderde maatregelen uitsluitend rekening hoeft te houden met de belangen van de verzoeker, met name met het bestaan van een kans op ernstige en onherstelbare schade voor zijn belangen, zonder rekening te hoeven houden met andere factoren van algemene aard, zoals in casu de continuïteit van de politieke vertegenwoordiging, factoren die in voorkomend geval slechts in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de afweging van de betrokken belangen.
59 Het middel van het Parlement inzake de beoordeling van de spoedeisendheid moet derhalve ook ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake een onjuiste rechtsopvatting bij de belangenafweging
60 Met hun laatste middel stellen rekwiranten dat de kortgedingrechter bij de afweging van de betrokken belangen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ter onderbouwing van dit middel voeren zij drie grieven aan.
61 In de eerste plaats stellen rekwiranten dat de kortgedingrechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat de belangen van Donnici en Occhetto met elkaar in balans waren. Daarmede heeft de kortgedingrechter geen consequenties getrokken uit het feit dat Occhetto de meeste voorkeurstemmen had behaald en zijn belang op het punt van de uitoefening van het mandaat prevaleerde boven dat van Donnici.
62 In de tweede plaats heeft de kortgedingrechter geen rekening gehouden met het openbaar belang, dat de grootst mogelijke politieke legitimatie van het Parlement wordt verzekerd, welke legitimatie berust op de stemmen van het volk. In casu had de inachtneming van het openbaar belang de kortgedingrechter ertoe moeten brengen de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit niet op te schorten, omdat anders de persoon die het minste aantal stemmen had behaald zitting zou nemen in het Parlement en de politieke legitimatie van het Parlement dus zou verminderen. Hoe dan ook, zelfs in het geval van een gunstige beslissing ten gronde voor Donnici had de weigering van opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit de politieke legitimatie van het Parlement niet onherstelbaar beschadigd, aangezien het Parlement in de periode tussen de beslissing in kort geding en de beslissing ten gronde een persoon met meer stemmen van de kiezers onder zijn leden zou hebben geteld.
63 In de derde plaats stellen rekwiranten dat de bestreden beschikking blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in zoverre de kortgedingrechter de fumus boni juris heeft gebruikt om het bestaan van de spoedeisendheid en de hogere belangen van Donnici te beoordelen. Ook al laat de rechtspraak de mogelijkheid van een bepaalde wederkerige compensatie tussen de factor fumus boni juris en de factor spoedeisendheid toe, dat neemt volgens hen niet weg dat wanneer een van die twee factoren aanwezig is, dit onmogelijk voldoende is om de totale afwezigheid van de andere te compenseren.
64 Volgens rekwiranten had de kortgedingrechter bij de afweging van de belangen moeten vaststellen dat er in de aan de orde zijnde zaak totaal geen sprake was van spoedeisendheid. In dat kader wijzen zij op de beschikking van de president van het Hof van 31 juli 2003, Le Pen/Parlement (C‑208/03 P‑R, Jurispr. blz. I‑7939, punt 106), waaruit zij afleiden dat de kortgedingrechter bij de afweging van de betrokken belangen dient te bepalen of de eventuele nietigverklaring van de litigieuze handeling in de hoofdzaak herstel van de door onmiddellijke tenuitvoerlegging van die handeling ontstane situatie mogelijk zal maken en, omgekeerd, of opschorting van de tenuitvoerlegging zou beletten dat de handeling nog volle werking verkrijgt wanneer het beroep in de hoofdzaak wordt verworpen. Indien de kortgedingrechter in casu het tweede deel van die beoordeling had verricht, zou hij noodzakelijkerwijs tot de conclusie zijn gekomen dat de opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit de volle werking van dat besluit pas kon beletten wanneer het beroep tot nietigverklaring werd verworpen. Het bestaan van een element van spoedeisendheid zou in casu dan ook absoluut onvoldoende zijn.
65 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de kortgedingrechter in eerste instantie heeft geconstateerd dat indien het bestreden besluit door de rechter ten gronde werd nietigverklaard, de schade die Donnici door het niet opschorten van de uitvoering van dat besluit zou lijden, onherstelbaar zou zijn, en vervolgens de in geding zijnde belangen tegen elkaar heeft afgewogen, waarbij hij eerst de nadruk heeft gelegd op het belang dat Occhetto erbij heeft dat het litigieuze besluit wordt uitgevoerd, aangezien hij dan zijn mandaat niet zal kwijtraken. Volgens de kortgedingrechter dreigde, ofschoon de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit Donnici waarschijnlijk onherstelbare schade berokkende, omgekeerd voor Occhetto hetzelfde gevaar, wanneer het opschortingsverzoek werd toegewezen, aangezien het zeer waarschijnlijk was dat een eventueel arrest houdende verwerping van het principale beroep pas werd gewezen wanneer de resterende duur van zijn mandaat, zo niet volledig, dan toch grotendeels was verstreken.
66 Nadat de kortgedingrechter tot de conclusie was gekomen dat er sprake was van een situatie waarin de respectieve specifieke en rechtstreekse belangen van Donnici en Occhetto met elkaar in balans waren, heeft hij vervolgens de meer algemene belangen in aanmerking genomen, waaraan in dergelijke omstandigheden een bijzondere betekenis toekomt. Dienaangaande heeft de kortgedingrechter overwogen dat de Italiaanse Republiek er ontegenzeggelijk belang bij heeft haar verkiezingswetgeving door het Parlement geëerbiedigd te zien, terwijl het Parlement een algemeen belang heeft bij handhaving van zijn besluiten. Naar zijn oordeel kon echter geen van deze belangen prevaleren bij de afweging van de belangen in de betrokken onderhavige procedure.
67 De kortgedingrechter heeft dus pas na de constatering dat de betrokken specifieke én algemene belangen met elkaar in balans waren, in aanmerking genomen dat de door Donnici ten bewijze van de fumus boni juris aangevoerde middelen serieus moesten worden genomen, waarbij hij zich baseerde op vaste rechtspraak, namelijk de beschikkingen van de president van het Hof van 23 februari 2001, Oostenrijk/Raad (C‑445/00 R, Jurispr. blz. I‑1461, punt 110); 11 april 2002, NDC Health/IMS Health en Commissie [C‑481/01 P(R), Jurispr. blz. I‑3401, punt 63], en Le Pen/Parlement, reeds aangehaald (punt 110).
68 De door rekwiranten aangevoerde argumenten kunnen niet afdoen aan deze analyse van de kortgedingrechter.
69 De kortgedingrechter heeft enerzijds op basis van de afweging van de betrokken belangen geconstateerd dat de specifieke belangen van Donnici en van Occhetto met elkaar in balans waren. Dit betekent echter niet dat er geen sprake was van spoedeisendheid. Integendeel, het risico van onherstelbare schade, het enige criterium voor spoedeisendheid, was er in casu wel degelijk, zowel voor Donnici als, bij toewijzing van het opschortingsverzoek, voor Occhetto.
70 Anderzijds heeft de kortgedingrechter, anders dan rekwiranten stellen, de meer algemene belangen van het Parlement beoordeeld, met name zijn belang bij handhaving van zijn besluiten. Hij heeft deze belangen terecht niet apart beschouwd, maar afgewogen tegen het belang dat de Italiaanse Republiek erbij heeft haar verkiezingswetgeving door het Parlement geëerbiedigd te zien. Dit geldt ook voor de politieke legitimatie van het Parlement en het belang dat het Parlement erbij heeft dat de kandidaat die de meeste stemmen heeft behaald, zitting neemt. Hoewel niet kan worden betwist dat die belangen er zijn, kan het belang dat de Italiaanse Republiek erbij heeft dat de Italiaanse leden die volgens de nationale verkiezingsprocedures zijn gekozen en door een van de hoogste rechterlijke instanties van deze lidstaat bekend zijn gemaakt, zitting nemen in het Europees Parlement, evenmin worden genegeerd.
71 Het middel van rekwiranten, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de afweging van de betrokken belangen, moet derhalve ook ongegrond worden verklaard.
72 Aangezien alle middelen zijn verworpen, moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
73 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van Donnici worden verwezen in zijn kosten.
De president van het Hof beschikt:
1) De hogere voorzieningen worden afgewezen.
2) A. Occhetto en het Europees Parlement worden verwezen in de kosten van B. Donnici.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy