Zaak C‑551/07
Deniz Sahin
tegen
Bundesminister für Inneres
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Richtlijn 2004/38/EG – Artikelen 18 EG en 39 EG – Recht op eerbiediging van gezinsleven – Recht van verblijf van persoon met nationaliteit van derde land die grondgebied van lidstaat is binnengekomen als asielzoeker en vervolgens is gehuwd met persoon met nationaliteit van andere lidstaat”
Samenvatting van de beschikking
1. Burgerschap van Europese Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38 – Rechthebbenden
(Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1, 6, lid 2, en 7, lid 1, sub d, en lid 2)
2. Burgerschap van Europese Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Richtlijn 2004/38 – Recht van binnenkomst en verblijf van personen met nationaliteit van derde land die familielid zijn van gemeenschapsburgers
(Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 2, 9, lid 1, en 10)
1. De artikelen 3, lid 1, 6, lid 2, en 7, lid 1, sub d, en lid 2, van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221, 68/360, 72/194, 73/148, 75/34, 75/35, 90/364, 90/365 en 93/96, moeten aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking hebben op familieleden die onafhankelijk van de burger van de Unie in de gastlidstaat zijn aangekomen en pas toen zij eenmaal in de gastlidstaat waren, de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met deze burger van de Unie zijn gaan leven. Hierbij is niet van belang dat het familielid op het tijdstip dat het deze hoedanigheid verkrijgt dan wel in familieverband gaat leven, voorlopig in de gastlidstaat verblijft op grond van de asielwetgeving van die staat.
Geen van deze bepalingen eist immers dat de burger van de Unie reeds een familieband is aangegaan op het tijdstip waarop hij zich naar de gastlidstaat begeeft, willen zijn familieleden die de nationaliteit van een derde land bezitten in aanmerking komen voor de in richtlijn 2004/38 neergelegde rechten, en door te bepalen dat de familieleden van de burger van de Unie zich in de gastlidstaat bij hem kunnen voegen, heeft de gemeenschapswetgever de mogelijkheid erkend dat de burger van de Unie pas nadat hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, een familieband aangaat.
Voorts zijn met de woorden „[de] familieleden [van een burger van de Unie] die hem begeleiden” in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn zowel bedoeld de familieleden van een burger van de Unie die met die burger de gastlidstaat zijn binnengekomen, als de familieleden die met hem in die lidstaat verblijven, zonder dat in het laatste geval onderscheid behoeft te worden gemaakt naargelang de personen met de nationaliteit van derde landen vóór of na de burger van de Unie die lidstaat zijn binnengekomen, dan wel voordat of nadat zij familielid van die burger zijn geworden.
Bovendien kan, vanaf het ogenblik waarop de persoon met de nationaliteit van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, aan de richtlijn rechten van binnenkomst en verblijf in de gastlidstaat ontleent, deze lidstaat dit recht alleen nog beperken met inachtneming van de artikelen 27 en 35 van richtlijn 2004/38. Inachtneming van artikel 27 van deze richtlijn is met name noodzakelijk wanneer de lidstaat tegen de persoon met de nationaliteit van een derde land wenst op te treden omdat deze op zijn grondgebied is binnengekomen en/of er heeft verbleven in strijd met de nationale immigratievoorschriften, alvorens familielid van een burger van de Unie te zijn geworden. Aan iemand die het, alvorens hij de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie verkreeg, was toegestaan om voorlopig op het grondgebied van een lidstaat te verblijven uit hoofde van de wetgeving van die lidstaat, in afwachting van een beslissing op een asielverzoek, kan niet op deze grond alleen artikel 27 van de richtlijn worden tegengeworpen.
Ten slotte kan een persoon met de nationaliteit van een derde land die de echtgenoot is van een burger van de Unie die verblijft in een lidstaat waarvan hij niet de nationaliteit bezit, en die deze burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt, rechten ontlenen aan de bepalingen van deze richtlijn, ongeacht wanneer of waar zij zijn gehuwd alsook de wijze waarop deze persoon met de nationaliteit van een derde land de gastlidstaat is binnengekomen.
(cf. punten 27‑33, dictum 1)
2. De artikelen 9, lid 1, en 10 van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221, 68/360, 72/194, 73/148, 75/34, 75/35, 90/364, 90/365 en 93/96, staan in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die op grond van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7, lid 2, van deze richtlijn, een recht van verblijf hebben, geen verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie kunnen verkrijgen, alleen omdat het hun op grond van de asielwetgeving van de gastlidstaat voorlopig is toegestaan in die staat te verblijven.
Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2004/38 somt immers limitatief de documenten op waarvan de gastlidstaat kan verlangen dat zij door personen met de nationaliteit van een derde land die familielid zijn van een burger van de Unie worden overgelegd om een verblijfskaart te verkrijgen. Wanneer aan een persoon met de nationaliteit van een derde land die de echtgenoot is van een burger van de Unie die verblijft in een lidstaat waarvan hij niet de nationaliteit bezit, en die deze burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt en op basis van artikel 7, lid 2, van deze richtlijn een recht van verblijf heeft, een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie zou worden geweigerd alleen omdat het de betrokkene slechts voorlopig is toegestaan in die staat te verblijven op grond van de asielwetgeving van de gastlidstaat, zou dit neerkomen op het toevoegen van een voorwaarde aan de in artikel 10, lid 2, van deze richtlijn uitputtend opgesomde voorwaarden.
(cf. punten 38‑40, dictum 2)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
19 december 2008 (*)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor de procesvoering – Richtlijn 2004/38/EG – Artikelen 18 EG en 39 EG – Recht op eerbiediging van familieleven – Recht van verblijf van persoon met nationaliteit van derde land die grondgebied van lidstaat is binnengekomen als asielzoeker en vervolgens is gehuwd met persoon met nationaliteit van andere lidstaat”
In zaak C‑551/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 22 november 2007, ingekomen bij het Hof op 11 december 2007, in de procedure
Deniz Sahin
tegen
Bundesminister für Inneres,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: A. Ó Caoimh, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur) en J. Klučka, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gelet op het besluit van het Hof om te beslissen bij een met redenen omklede beslissing overeenkomstig artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, en – rectificaties – PB 2004, L 229, blz. 35; PB 2005, L 197, blz. 34, en PB 2007, L 204, blz. 28; hierna: „richtlijn”), van de artikelen 18 EG en 39 EG, alsmede van het grondrecht van eerbiediging van het familieleven.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen D. Sahin, die de Turkse nationaliteit bezit, en de Bundesminister für Inneres (Bondsminister van Binnenlandse Zaken) over een weigering, een kaart voor duurzaam verblijf af te geven.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 1 van de richtlijn luidt:
„Bij deze richtlijn worden vastgesteld:
a) de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden;
b) het duurzame verblijfsrecht op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden;
c) de beperkingen van de sub a en b genoemde rechten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.”
4 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) ‚burger van de Unie’: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit;
2) ‚familielid’:
a) de echtgenoot;
b) de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;
c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld sub b, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld sub b, die te hunnen laste zijn;
3) ‚gastland’: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.”
5 Artikel 3 van de richtlijn bepaalt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
2. Onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de volgende personen:
a) andere, niet onder de definitie van artikel 2, punt 2, vallende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de burger van de Unie die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet, of die vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven;
b) de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.
Het gastland onderzoekt de persoonlijke situatie nauwkeurig en motiveert een eventuele weigering van toegang of verblijf.”
6 In artikel 6 van de richtlijn is het volgende bepaald:
„1. Burgers van de Unie hebben het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, en in het bezit zijn van een geldig paspoort.”
7 Artikel 7, leden 1 en 2, van de richtlijn luiden als volgt:
„1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
a) indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,
b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of
c) – indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en
– indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze –, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of
d) indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden sub a, b of c en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.
2. Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden sub a, b of c.”
8 Artikel 9 van de richtlijn is als volgt geformuleerd:
„1. Indien de duur van het voorgenomen verblijf van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten langer is dan drie maanden, verstrekken de lidstaten hun een verblijfskaart.
2. De termijn voor de indiening van het verzoek om een verblijfskaart mag niet minder bedragen dan drie maanden te rekenen vanaf de datum van binnenkomst.
3. Niet-naleving van de verplichting om een verblijfskaart aan te vragen kan worden bestraft met evenredige en niet-discriminerende evenredige sancties.”
9 Artikel 10 van de richtlijn luidt:
„1. Het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag ter zake vastgesteld door de afgifte van een document, ‚verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’ genoemd. Een verklaring dat de aanvraag om een verblijfskaart is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven.
2. Voor de afgifte van de verblijfskaart verlangen de lidstaten overlegging van de volgende documenten:
a) een geldig paspoort;
b) een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt;
c) een verklaring van inschrijving, of indien een inschrijvingssysteem ontbreekt een ander bewijs van verblijf in het gastland, van de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich voegen;
d) in de in artikel 2, lid 2, sub c en d, bedoelde gevallen, stukken ter staving dat aan de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden is voldaan;
[...]”
10 In artikel 27, leden 1 en 2, van de richtlijn is het volgende bepaald:
„1. Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.
2. De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen.
Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die losstaan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.”
11 Artikel 35 van de richtlijn bepaalt:
„De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om een in deze richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen van de artikelen 30 en 31.”
Nationale regeling
12 § 1, lid 2, van de wet inzake vestiging en verblijf (Niederlassungs- und Aufenthaltsgesetz, BGBl. I, 100/2005; hierna: „NAG”), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
„Deze federale wet is niet van toepassing op buitenlanders die
1. recht van verblijf hebben uit hoofde van de asielwet 2005 [Asylgesetz 2005], BGBl. nr. 100 of uit hoofde van vroegere asielrechtelijke bepalingen, tenzij bij deze federale wet anders is bepaald.
[...]”
13 § 51 NAG bepaalt:
„EER-burgers die gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer en langer dan drie maanden op Oostenrijks grondgebied verblijven, hebben recht van vestiging wanneer zij
1. in Oostenrijk werknemer of zelfstandige zijn;
2. voor zichzelf en hun familieleden over een toereikende ziektekostenverzekering beschikken en aantonen dat zij over voldoende bestaansmiddelen ter bestrijding van de kosten van hun levensonderhoud beschikken, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel, of
3. een opleiding volgen aan een wettelijk erkende openbare of particuliere school of opleidingsinstelling en voldoen aan de voorwaarden van lid 2.”
14 § 52 van deze wet luidt:
„Familieleden van tot vrij verkeer gerechtigde EER-burgers (§ 51), die zelf EER-burger zijn, hebben recht van vestiging wanneer zij
1. echtgenoot zijn;
[...]
en de EER-burger begeleiden of zich bij hem voegen.”
15 In § 54, lid 1, NAG is bepaald:
„Familieleden van tot vrij verkeer gerechtigde EER-burgers (§ 51), die geen EER-burger zijn en die voldoen aan de voorwaarden van § 52, leden 1 tot en met 3, hebben recht van vestiging. Aan hen wordt op aanvraag een kaart voor duurzaam verblijf voor de duur van tien jaar verstrekt. De aanvraag moet uiterlijk drie maanden na hun vestiging worden ingediend.”
16 § 19 van de asielwet 1997 (Asylgesetz 1997, BGBl. I, 76/1997) luidt als volgt:
„(1) Asielzoekers die zich [...] op Oostenrijks grondgebied bevinden, hebben voorlopig recht op verblijf, tenzij hun aanvraag wegens een eerdere beslissing moet worden afgewezen. [...]
[...]
(3) Van het voorlopig recht op verblijf wordt asielzoekers aan wie dit voorlopig recht toekomt, ambtshalve een verklaring verstrekt. [...]
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17 Blijkens de verwijzingsbeslissing is Sahin Oostenrijk binnengekomen op 15 juni 2003 en heeft hij er op 3 oktober 2003 een asielaanvraag ingediend. Daar op deze aanvraag niet definitief is beslist, heeft de belanghebbende een tijdelijk verblijfsrecht op grond van de asielwet van 1997.
18 Op 22 april 2006 is Sahin gehuwd met een Duits staatsburger. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens woonden zij sinds ten minste 10 oktober 2003 samen als waren zij gehuwd, en wonen zij sinds 19 juli 2005 samen met hun op die datum geboren kind.
19 Met een beroep op zijn huwelijk verzocht Sahin op 29 mei 2006 om afgifte van een kaart voor duurzaam verblijf krachtens § 54 NAG. De Landeshauptmann von Niederösterreich wees dit verzoek af op grond van § 1, lid 2, nr. 1, NAG.
20 Bij beschikking van 14 maart 2007 verwierp de Bundesminister für Inneres het door Sahin tegen de beschikking van de Landeshauptmann von Niederösterreich ingestelde beroep. Volgens de Bundesminister für Inneres is de NAG, en dus ook § 54 van deze wet, niet van toepassing op Sahin, vanwege diens tijdelijk verblijfsrecht op grond van het asielrecht. Bovendien heeft de Duitse echtgenote van Sahin, die naar eigen zeggen „sinds drie jaar in Oostenrijk woont” en er arbeid verricht, gebruikgemaakt van haar recht van vrij verkeer op een datum waarop Sahin reeds in Oostenrijk verbleef, zodat niet is voldaan aan de bij § 52, laatste zin, NAG gestelde voorwaarde dat het familielid de persoon die van zijn recht van vrij verkeer gebruikmaakt, begeleidt of zich bij hem voegt. In dit verband beroept de Bundesminister für Inneres zich tevens op artikel 7, lid 2, van de richtlijn.
21 Sahin heeft tegen de beschikking van de Bundesminister für Inneres beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof. Dit heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) a) Moeten de artikelen 3, lid 1, en 6, lid 2, alsook 7, lid 1, sub d, en lid 2, van richtlijn 2004/38 [...] aldus worden uitgelegd dat zij ook familieleden in de zin van artikel 2, lid 2, van de richtlijn omvatten die onafhankelijk van de burger van de Unie het gastland zijn binnengekomen (artikel 2, lid 3, van de richtlijn) en pas daar de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met de burger van de Unie zijn gaan samenwonen?
b) Zo ja, is dan tevens relevant dat het familielid op het tijdstip dat het de hoedanigheid van familielid verkrijgt dan wel in familieverband gaat samenwonen, legaal in het gastland verblijft? Zo ja, is dan voor legaal verblijf voldoende dat het familielid enkel op grond van zijn positie als asielzoeker recht op verblijf heeft?
c) Indien uit het antwoord op de vragen 1a en 1b uit de richtlijn geen verblijfsrecht volgt van een ‚slechts’ als asielzoeker verblijfsgerechtigd familielid dat onafhankelijk van de burger van de Unie het gastland is binnengekomen en pas daar de hoedanigheid van familielid heeft verkregen dan wel in familieverband met de burger van de Unie is gaan samenwonen: kan dan desondanks in een situatie die erdoor wordt gekenmerkt dat het familielid sinds iets meer dan vier jaar in het gastland verblijft en aldaar sinds een jaar gehuwd is met een burger van de Unie – met wie hij sinds ongeveer drieëneenhalf jaar samenwoont en met wie hij een kind van 20 maanden heeft –, uit artikel 18 EG en/of artikel 39 EG, tegen de achtergrond van het recht op eerbiediging van het familieleven, een recht op verblijf worden afgeleid?
2) Staan de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 1, van de richtlijn in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die op grond van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7, lid 2, van de richtlijn, een recht van verblijf hebben, geen verblijfskaart (‚verblijfskaart voor familieleden van een burger van de Unie’) kunnen verkrijgen, alleen omdat zij ingevolge de bepalingen van het asielrecht van het gastland een (voorlopig) recht op verblijf in deze staat hebben?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
22 Krachtens artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer een prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarop het Hof reeds heeft geantwoord of wanneer het antwoord op de vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, op ieder moment, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar de betrokken rechtspraak wordt verwezen.
23 Volgens het Hof is dit in het hoofdgeding het geval.
De eerste vraag, sub a en b
24 Met zijn eerste vraag, sub a en b, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3, lid 1, 6, lid 2, en 7, lid 1, sub d, en lid 2, van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op familieleden die onafhankelijk van de burger van de Unie in de gastlidstaat zijn aangekomen en pas toen zij eenmaal in de gastlidstaat waren, de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met deze burger van de Unie zijn gaan leven. De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen of van belang is dat het familielid legaal in de gastlidstaat verblijft op het tijdstip dat het de hoedanigheid van familielid verkrijgt dan wel in familieverband gaat leven en zo ja, of voor de vervulling van de voorwaarde van legaal verblijf voldoende is dat de verblijfstitel van het familielid alleen voortvloeit uit zijn status van asielzoeker.
25 Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van de richtlijn die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
26 De artikelen 6 en 7 van de richtlijn, die betrekking hebben op het verblijfsrecht tot drie maanden, respectievelijk van meer dan drie maanden, verlangen eveneens dat familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, om in aanmerking te komen voor een recht van verblijf in die staat, deze burger „begeleiden” of „zich bij hem voegen” in de gastlidstaat.
27 In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 25 juli 2008, Metock e.a. (C‑127/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 87 en 88), heeft het Hof geoordeeld dat geen van deze bepalingen eist dat de burger van de Unie reeds een familieband is aangegaan op het tijdstip waarop hij zich naar de gastlidstaat begeeft, willen zijn familieleden die de nationaliteit van een derde land bezitten in aanmerking komen voor de in de richtlijn neergelegde rechten, en dat de gemeenschapswetgever door te bepalen dat de familieleden van de burger van de Unie zich in de gastlidstaat bij hem kunnen voegen, de mogelijkheid heeft erkend dat de burger van de Unie pas nadat hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend een familieband aangaat.
28 Voorts heeft het Hof in punt 93 van dat arrest verklaard dat met de woorden „[de] familieleden [van een burger van de Unie] die hem begeleiden” in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn zowel zijn bedoeld de familieleden van een burger van de Unie die met die burger de gastlidstaat zijn binnengekomen, als de familieleden die met hem in die lidstaat verblijven, zonder dat in het laatste geval onderscheid behoeft te worden gemaakt naargelang de personen met de nationaliteit van derde landen vóór of na de burger van de Unie die lidstaat zijn binnengekomen, dan wel voordat of nadat zij familielid van die burger zijn geworden.
29 In punt 95 van het arrest Metock e.a. heeft het Hof voorts verklaard dat vanaf het ogenblik waarop de persoon met de nationaliteit van een derde land die familielid is van een burger van de Unie aan de richtlijn rechten van binnenkomst en verblijf in de gastlidstaat ontleent, deze lidstaat dit recht alleen nog kan beperken met inachtneming van de artikelen 27 en 35 van de richtlijn.
30 Blijkens punt 96 van datzelfde arrest is inachtneming van artikel 27 met name noodzakelijk wanneer de lidstaat tegen de persoon met de nationaliteit van een derde land wenst op te treden omdat deze op zijn grondgebied is binnengekomen en/of er heeft verbleven in strijd met de nationale immigratievoorschriften, alvorens familielid van een burger van de Unie te zijn geworden.
31 Het is duidelijk dat aan iemand als Sahin, wie het alvorens hij de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie verkreeg, was toegestaan om voorlopig op het grondgebied van een lidstaat te verblijven uit hoofde van de wetgeving van die lidstaat, in afwachting van een beslissing op een asielverzoek, niet op deze grond alleen artikel 27 van de richtlijn kan worden tegengeworpen.
32 Zoals het Hof in punt 99 van het arrest Metock e.a. heeft geoordeeld, kan een persoon met de nationaliteit van een derde land die de echtgenoot is van een burger van de Unie die verblijft in een lidstaat waarvan hij niet de nationaliteit bezit, en die deze burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt, rechten ontlenen aan de bepalingen van de richtlijn, ongeacht wanneer of waar zij zijn gehuwd alsook de wijze waarop deze persoon met de nationaliteit van een derde land de gastlidstaat is binnengekomen.
33 Gelet op deze overwegingen moet op de eerste vraag, sub a en b, worden geantwoord dat de artikelen 3, lid 1, 6, lid 2, en 7, lid 1, sub d, en lid 2, van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij ook betrekking hebben op familieleden die onafhankelijk van de burger van de Unie in de gastlidstaat zijn aangekomen en pas toen zij eenmaal in de gastlidstaat waren, de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met deze burger van de Unie zijn gaan leven. In dit verband is niet van belang dat het familielid op het tijdstip dat het de hoedanigheid van familielid verkrijgt dan wel in familieverband gaat leven, voorlopig in de gastlidstaat verblijft op grond van de asielwetgeving van die staat.
De eerste vraag, sub c
34 Gezien het antwoord op de eerste vraag, sub a en b, behoeft de eerste vraag sub c geen beantwoording. Deze is immers alleen gesteld voor het geval dat de richtlijn aldus moest worden uitgelegd dat zij geen verblijfsrecht verleent aan een familielid in de situatie van verzoeker in het hoofdgeding.
De tweede vraag
35 Zoals in punt 32 van deze beschikking is opgemerkt, heeft het Hof in punt 99 van het arrest Metock e.a. geoordeeld dat de persoon met de nationaliteit van een derde land die de echtgenoot is van een burger van de Unie die verblijft in een lidstaat waarvan hij niet de nationaliteit bezit, en die deze burger van de Unie begeleidt of zich bij hem voegt, rechten kan ontlenen aan de bepalingen van de richtlijn.
36 Zoals volgt uit het antwoord op de eerste vraag heeft een persoon in de situatie van Sahin een recht van verblijf op basis van artikel 7, lid 2, van de richtlijn.
37 Uit de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 1, van de richtlijn blijkt dat de verblijfskaart het document is waarmee het recht van verblijf van meer dan drie maanden in een lidstaat wordt geconstateerd van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten.
38 Artikel 10, lid 2, van de richtlijn somt de documenten op waarvan de lidstaat kan verlangen dat zij door personen met de nationaliteit van een derde land die familielid zijn van een burger van de Unie worden overgelegd om een verblijfskaart te verkrijgen (zie met name arrest Metock e.a., punt 53).
39 Wanneer aan iemand in de situatie van Sahin een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie zou worden geweigerd, alleen omdat het de betrokkene slechts voorlopig is toegestaan in die staat te verblijven op grond van de asielwetgeving van de gastlidstaat, zou dit neerkomen op het toevoegen van een voorwaarde aan de in artikel 10, lid 2, van de richtlijn uitputtend opgesomde voorwaarden.
40 Op de tweede vraag moet dan ook worden geantwoord dat de artikelen 9, lid 1, en 10, lid 1, van de richtlijn in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die op grond van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7, lid 2, van de richtlijn, een recht van verblijf hebben, geen verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie kunnen verkrijgen, alleen omdat het hun op grond van de asielwetgeving van deze staat voorlopig is toegestaan in die staat te verblijven.
Kosten
41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 3, lid 1, 6, lid 2, en 7, lid 1, sub d, en lid 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moeten aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking hebben op familieleden die onafhankelijk van de burger van de Unie in de gastlidstaat zijn aangekomen en pas toen zij eenmaal in de gastlidstaat waren, de hoedanigheid van familielid hebben verkregen dan wel in familieverband met deze burger van de Unie zijn gaan leven. In dit verband is niet van belang dat het familielid op het tijdstip dat het deze hoedanigheid verkrijgt dan wel in familieverband gaat leven, voorlopig in de gastlidstaat verblijft op grond van de asielwetgeving van die staat.
2) De artikelen 9, lid 1, en 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 staan in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die op grond van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 7, lid 2, van deze richtlijn, een recht van verblijf hebben, geen verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie kunnen verkrijgen, alleen omdat het hun op grond van de asielwetgeving van de gastlidstaat voorlopig is toegestaan in die staat te verblijven.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy