ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
5 oktober 2009
Gevoegde zaken T‑40/07 P en T‑62/07 P
José António de Brito Sequeira Carvalho
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
José António de Brito Sequeira Carvalho
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Ambtenaren – Verlof – Ziekteverlof – Ambtshalve ziekteverlof – Verlenging van ambtshalve ziekteverlof – Nieuw voorafgaand medisch onderzoek – Bevoegdheid van het Gerecht voor ambtenarenzaken – Wijziging van voorwerp van geschil”
Betreft: Hogere voorzieningen tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 13 december 2006, de Brito Sequeira Carvalho/Commissie (F‑17/05, JurAmbt. blz. I‑A-1‑149 en II‑A‑1‑577), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing: De hogere voorziening in zaak T‑40/07 P wordt afgewezen. In zaak T‑40/07 P zal J. A. de Brito Sequeira Carvalho zijn eigen kosten dragen alsmede de kosten die de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van deze procedure heeft gemaakt. Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 13 december 2006, de Brito Sequeira Carvalho/Commissie (F‑17/05, JurAmbt. blz. I‑A-1‑149 en II‑A‑1‑577), wordt vernietigd voor zover daarbij het besluit van 13 juli 2004 en de op het besluit van 22 september 2004 volgende besluiten om het ambtshalve ziekteverlof te verlengen, nietig worden verklaard. Het door de Brito Sequeira Carvalho in zaak F‑17/05 bij het Gerecht voor ambtenarenzaken ingestelde beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het betrekking heeft op het besluit van 13 juli 2004 en op de op het besluit van 22 september 2004 volgende besluiten tot verlenging van het ambtshalve ziekteverlof. De hogere voorziening in zaak T‑62/07 P wordt voor het overige afgewezen. In zaak T‑62/07 P zal de Brito Sequeira Carvalho de helft van zijn eigen kosten dragen die hij in het kader van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en deze procedure heeft gemaakt. In zaak T‑62/07 P zal de Commissie haar eigen kosten dragen alsmede de helft van de kosten die de Brito Sequeira Carvalho in het kader van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en deze procedure heeft gemaakt.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Besluit dat ambtelijke positie van ambtenaar raakt – Inaanmerkingneming van gegevens die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen, maar vooraf ter kennis van betrokkene zijn gebracht – Wettigheid – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, art. 26, eerste alinea)
2. Procedure – Maatregelen tot organisatie van procesgang – Schriftelijke vragen aan partijen – Geen automatisch gevolg voor beslechting van geschil
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 49, 64 en 65; besluit 2004/752 van de Raad, art. 3, lid 4)
3. Procedure – Overlegging van bewijs – Termijn – Tardieve bewijsaanbiedingen
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 48, lid 1)
4. Procedure – Verzoek om maatregelen van instructie – Indiening na sluiting van mondelinge behandeling – Verzoek om heropening van mondelinge behandeling
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 62)
5. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Regels van openbare orde
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
6. Handelingen van instellingen – Vermoeden van geldigheid – Non-existente handeling – Begrip
(Art. 249 EG)
7. Ambtenaren – Tot aanstelling bevoegd gezag – Bevoegdheden – Uitoefening
(Ambtenarenstatuut, art. 2)
8. Ambtenaren – Beroep – Middelen – Misbruik van bevoegdheid
9. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Verval van recht – Verschoonbare dwaling
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
1. De wettigheid van de beoordeling door de gemeenschapsrechter van een door een ambtenaar ingesteld beroep is niet afhankelijk van het feit of de verwerende instelling heeft voldaan aan haar in artikel 26 van het Statuut voorziene plicht om het persoonsdossier van die ambtenaar over te leggen. De gemeenschapsrechter kan als enige beoordelen of eventuele maatregelen tot organisatie van de procesgang moeten worden getroffen en eventuele maatregelen van instructie moeten worden gelast.
Artikel 26, eerste alinea, van het Statuut strekt ertoe het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen dat de administratie zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn bekwaamheid, prestaties of gedrag die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Hieruit volgt dat een op dergelijke feitelijke gegevens berustend besluit in strijd is met de waarborgen van het Statuut en, waar het is genomen na een niet regelmatige procedure, nietig moet worden verklaard.
Dat in artikel 26 van het Statuut bedoelde stukken niet in het persoonsdossier zijn opgenomen, kan op zich niet de nietigverklaring van een besluit rechtvaardigen wanneer die stukken daadwerkelijk ter kennis van de betrokkene zijn gebracht. Alleen stukken betreffende zijn bekwaamheid, prestaties of gedrag waarvan een ambtenaar niet vooraf op de hoogte is gesteld, kunnen niet tegen hem worden aangevoerd. Dit geldt niet voor stukken die, ofschoon zij hem ter kennis zijn gebracht, nog niet aan zijn persoonsdossier zijn toegevoegd, daar de instelling niet kan worden verhinderd in het belang van de dienst een besluit te nemen op basis van stukken die vooraf aan de betrokkene zijn meegedeeld, alleen op grond dat zij niet aan zijn persoonsdossier zijn toegevoegd. Dit betekent dat een instelling in strijd met artikel 26 van het Statuut en met de rechten van verdediging van een ambtenaar handelt, wanneer zij een voor hem bezwarend besluit neemt, zonder hem vooraf op de hoogte te hebben gesteld van feitelijke, niet in zijn persoonsdossier genoemde gegevens die de vaststelling van dat besluit rechtvaardigen. De omstandigheid dat de ambtenaar bekend is geweest met deze gegevens kan op zich niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat hij de mogelijkheid heeft gehad om zijn belangen vóór de vaststelling van het voor hem bezwarend besluit naar behoren te verdedigen, zodat de inachtneming van zijn rechten van verdediging is verzekerd. De instelling moet ook nog met alle bewijsmiddelen aantonen dat zij die ambtenaar vooraf in de gelegenheid heeft gesteld om te begrijpen dat de betrokken feitelijke gegevens, ofschoon zij niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen, het voor hem bezwarend besluit konden rechtvaardigen. Bij gebreke hiervan kan de door artikel 26 van het Statuut vereiste mededeling niet worden geacht te hebben plaatsgevonden.
(cf. punten 91‑94)
Referentie: Gerecht 13 december 2005, Cwik/Commissie, T‑155/03, T‑157/03 en T‑331/03, JurAmbt. blz. I‑A‑411 en II‑1865, punten 50 en 51, en de aangehaalde rechtspraak, en punt 52; Gerecht 28 november 2006, Milbert e.a./Commissie, T‑47/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑281 en II‑A‑2‑1455, punt 83
2. Het Gerecht voor ambtenarenzaken kan naar eigen inzicht beslissen of het partijen schriftelijke vragen zal stellen, en in iedere stand van het geding besluiten tot maatregelen tot organisatie van de procesgang of tot maatregelen van instructie zoals bedoeld in de artikelen 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg. De uitoefening van deze bevoegdheid heeft echter geen automatische gevolgen voor de beslechting van het geschil, want het Gerecht voor ambtenarenzaken behoudt de vrijheid om zelf te beoordelen welke waarde het toekent aan de verschillende feiten en bewijzen die zijn voorgelegd of die het zelf heeft kunnen verzamelen.
(cf. punt 105)
Referentie: Hof 29 oktober 2004, Ripa di Meana/Parlement, C‑360/02 P, Jurispr. blz. I‑10339, punt 28
3. In het kader van een uitzondering op de regels voor het bewijsaanbod, verplicht artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg partijen om de vertraging van hun bewijsaanbod te motiveren. Die verplichting houdt in dat de gemeenschapsrechter bevoegd is om de gegrondheid van die motivering en, afhankelijk van het geval, de inhoud van dat aanbod te controleren, alsmede dat hij dit aanbod, indien het verzoek rechtens niet genoegzaam is gerechtvaardigd, kan afwijzen. Dit geldt a fortiori voor bewijsaanbod dat na de indiening van de dupliek wordt gedaan.
(cf. punt 115)
Referentie: Hof 14 april 2005, M/Hof van Justitie, C‑243/04 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33
4. Na de sluiting van de mondelinge behandeling kan een partij alleen om maatregelen tot organisatie van de procesgang vragen, indien het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft beslist om de mondelinge behandeling te heropenen. Daar het Gerecht voor ambtenarenzaken op grond van artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg over een discretionaire bevoegdheid ter zake beschikt, is het slechts verplicht om een verzoek om heropening van de mondelinge behandeling in te willigen indien de betrokken partij zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die zij vóór de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
(cf. punt 131)
Referentie: Hof 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. II‑4287, punten 126 en 128; Hof 27 april 2006, L/Commissie, C‑230/05 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 68
5. De in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bedoelde termijnen van drie maanden om een klacht in te dienen tegen een bezwarend besluit en beroep in te stellen tegen een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht, zijn van openbare orde en staan niet ter beschikking van de partijen of de rechter, daar zij ertoe strekken de duidelijkheid en de zekerheid van rechtssituaties te waarborgen. Die termijnen moeten worden geacht te gelden voor elke betwisting van een handeling die voor toetsing aan de gemeenschapsrechter wordt voorgelegd, ongeacht de aard ervan. De artikelen 90 en 91 van het Statuut maken immers geen enkel onderscheid tussen de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de klacht en het beroep naargelang de ernst van het gebrek van de bestreden administratieve handeling.
(cf. punten 145 en 146)
Referentie: Hof 6 december 2001, Reyna González del Valle/Commissie, C‑219/01 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 10; Hof 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 101; Gerecht 28 maart 2001, Reyna González del Valle/Commissie, T‑130/00, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39; Gerecht 8 maart 2006, Lantzoni/Hof van Justitie, T‑289/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑39 en II‑A‑2‑171, punten 40 en 41; Gerecht 25 oktober 2007, Estaser El Mareny/Commissie, T‑274/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40
6. Handelingen van de gemeenschapsinstellingen worden, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn en rechtsgevolgen in het leven te roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken. Als uitzondering op dit beginsel moeten handelingen die een onregelmatigheid vertonen die van een zo klaarblijkelijke ernst is dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel, ook geen voorlopig, rechtsgevolg te hebben gesorteerd, dat wil zeggen als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit. Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van de instellingen non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden aan uiterst extreme gevallen. Dit is niet het geval in een situatie waarin de onregelmatigheid van bevoegdheid en het vormverzuim bestaande in een niet-nakoming van de verplichting om het besluit te motiveren, niet dermate ernstig lijken dat het besluit als juridisch non-existent moet worden aangemerkt.
(cf. punten 150‑153)
Referentie: Hof 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, Jurispr. blz. I‑2555, punten 48‑50; Hof 8 juli 1999, Chemie Linz/Commissie, C‑245/92 P, Jurispr. blz. I‑4643, punten 93‑95; Hof 5 oktober 2004, Commissie/Griekenland, C‑475/01, Jurispr. blz. I‑8923, punten 18‑20
7. Subdelegatie of afwijking van de criteria voor de verdeling van de bevoegdheden waarover het tot aanstelling bevoegd gezag op grond van het Statuut beschikt, kan alleen dan tot de nietigheid van een besluit van de administratie leiden wanneer daardoor afbreuk dreigt te worden gedaan aan één van de door het Statuut aan de ambtenaren verleende waarborgen of aan de voorschriften inzake behoorlijk bestuur op het gebied van personeelsbeheer. Een besluit van de Commissie dat is genomen op basis van artikel 2 van het Statuut impliceert immers een verdeling van zaken binnen de diensten van de Commissie, en niet een strikte verdeling waarvan de niet-inachtneming wordt bestraft door de nietigheid van handelingen die buiten het aangegeven kader zijn verricht.
(cf. punt 155)
Referentie: Gerecht 15 september 1998, De Persio/Commissie, T‑23/96, JurAmbt. blz. I‑A‑483 en II‑1413, punt 111; Gerecht 7 februari 2007, Caló/Commissie, T‑118/04 en T‑134/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 68 en 71
8. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft een precieze strekking die verwijst naar het gebruik van bevoegdheden door een administratieve instantie met een ander doel dan dat waarvoor deze haar zijn gegeven. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd.
In dit verband volstaat het niet dat de verzoeker bepaalde feiten aanvoert tot staving van zijn stelling, doch dienen daarnaast ook voldoende nauwkeurige, objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te worden gegeven waaruit blijkt dat die feiten juist of althans aannemelijk zijn, bij gebreke waarvan de materiële juistheid van de verklaringen van de betrokken instelling niet in twijfel kan worden getrokken.
(cf. punten 172 en 173)
Referentie: Gerecht 5 juli 2000, Samper/Parlement, T‑111/99, JurAmbt. blz. I‑A‑135 en II‑611, punt 64; Gerecht 19 september 2001, E/Commissie, T‑152/00, JurAmbt. blz. I‑A‑179 en II‑813, punt 69; Cwik/Commissie, reeds aangehaald, punten 179 en 180; Gerecht 2 december 2008, Karatzoglou/AER, T‑471/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 49 en 50
9. Het begrip verschoonbare dwaling moet restrictief worden uitgelegd en ziet alleen op uitzonderlijke omstandigheden waarin, met name, de instellingen zich aldus hebben gedragen dat dit gedrag alleen of in doorslaggevende mate bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldig aan de dag legt die van iemand met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. Gelet op het feit dat het een uitzondering vormt op de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij niet-inachtneming van de klacht‑ en beroepstermijnen, die van openbare orde zijn, moet het begrip verschoonbare dwaling worden aangevoerd en aangetoond door de partij die zich daarop wil beroepen en kan de rechter die dwaling niet ambtshalve vaststellen.
Ook al kan een verschoonbare dwaling tot gevolg hebben dat een termijn behouden blijft en dat een klacht of beroep dus ondanks de niet-inachtneming van de termijnen van artikel 90, lid 2, of artikel 91, lid 3, van het Statuut ontvankelijk is, zij kan niet tot gevolg hebben dat een verzoeker wordt vrijgesteld van de precontentieuze procedure voorzien in artikel 90, lid 2, van het Statuut, een uitdrukkelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een beroep op grond van artikel 91, lid 2, van het Statuut, en rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht voor ambtenarenzaken.
(cf. punten 204‑206)
Referentie: Hof 15 december 1994, Bayer/Commissie, C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 26; Hof 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en ECB, C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837, punt 24; Gerecht 16 maart 1993, Blackman/Parlement, T‑33/89 en T‑74/89, Jurispr. blz. II‑249, punten 32 en 33; Gerecht 11 november 2008, Speiser/Parlement, T‑390/07 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33
Full & Egal Universal Law Academy