ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
13 oktober 2008
Zaak T‑43/07 P
Neophytos Neophytou
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Algemeen vergelijkend onderzoek – Afwijzing van sollicitatie van rekwirant – Samenstelling van jury bij mondelinge examen – Beginsel van gelijke behandeling – Nieuwe middelen – Onjuiste rechtsopvatting – Hogere voorziening deels ongegrond en deels gegrond – Terugverwijzing naar het Gerecht voor ambtenarenzaken”
Betreft: Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 13 december 2006, Neophytou/Commissie (F‑22/05, JurAmbt. blz. I‑A-1‑159 en II‑A‑1‑617), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing: Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 13 december 2006, Neophytou/Commissie (F‑22/05), wordt vernietigd, voor zover dat Gerecht de grieven die Neophytou ter terechtzitting in eerste aanleg had aangevoerd en die in punt 27 van dat arrest worden samengevat, met uitzondering van de laatste, niet-ontvankelijk heeft verklaard. De hogere voorziening wordt voor het overige afgewezen. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Samenvatting
1. Hogere voorziening – Middelen – Ontvankelijkheid – Voorwaarden – Voordragen van reeds voor het Gerecht voor ambtenarenzaken aangevoerde argumenten – Geen invloed
(Statuut van het Hof van Justitie, bijlage I, art. 11, lid 1; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 138, lid 1, sub c)
2. Hogere voorziening – Middelen – Controle door Gerecht van eerste aanleg van juridische kwalificatie van feiten door Gerecht voor ambtenarenzaken
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 48, lid 2)
3. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Samenstelling
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 3)
4. Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Middel gebaseerd op gegevens waarvan in loop van geding is gebleken
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 48, lid 2)
5. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste opvatting van bewijselementen
6. Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Jury – Samenstelling
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 3)
1. Wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door de rechters in eerste aanleg betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. Die procedure zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd. Zo kan een rekwirant in een hogere voorziening grieven inzake de vaststelling en de beoordeling van de feiten in het bestreden arrest aanvoeren, wanneer hij stelt dat de bevindingen van de rechters in eerste aanleg blijkens de processtukken materieel onjuist zijn of dat zij het aan hen overgelegde bewijsmateriaal onjuist hebben opgevat. Uit artikel 11, lid 1, van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 138, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg volgt evenwel dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
(cf. punten 24 en 41)
Referentie: Hof 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 34; Hof 11 november 2003, Martinez/Parlement, C‑488/01 P, Jurispr. blz. I‑13355, punten 39 en 40, en de aangehaalde rechtspraak; Hof 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punten 32‑35
2. Wanneer een rekwirant de juridische kwalificatie van de feiten door de rechters in eerste aanleg betwist teneinde daaruit rechtsgevolgen af te leiden, betreft het een rechtsvraag die in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen. Dit is met name het geval bij de rechtsvraag of de gelijktijdige aanwezigheid bij de beraadslaging van de jury van een vergelijkend onderzoek van een plaatsvervangend en een vast lid van die jury, de stemming van die jury onrechtmatig kan hebben beïnvloed en derhalve kan leiden tot de onwettigheid ervan.
(cf. punten 45, 46 en 71)
Referentie: Hof 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 49; Hof 26 april 2007, Alcon/BHIM, C‑412/05 P, Jurispr. blz. I‑3569, punten 38‑40
3. De gelijktijdige aanwezigheid bij het mondelinge examen van een vergelijkend onderzoek van vaste en plaatsvervangende juryleden heeft niet tot gevolg dat de werkzaamheden en de samenstelling van de jury onwettig worden, wanneer het plaatsvervangend lid in dat geval niet stemgerechtigd is.
(cf. punt 53)
Referentie: Gerecht 13 september 2005, Pantoulis/Commissie, T‑290/03, JurAmbt. blz. I‑A‑241 en II‑1123, punten 62, 77 en 78; Gerecht 12 maart 2008, Giannini/Commissie, T‑100/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 210
4. Artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg verbiedt het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding, tenzij zij steunen op gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Ditzelfde geldt voor een grief die ter onderbouwing van een middel wordt aangevoerd. Bovendien sluit deze bepaling niet uit dat die gegevens aan het licht kunnen komen in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang. Ten slotte moet het in deze bepaling voorziene verval van recht, dat de betrokken partij belet, alle gegevens naar voren te brengen die voor het slagen van haar aanspraken noodzakelijk zijn, eng worden uitgelegd.
(cf. punt 76)
Referentie: Hof 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 370; Gerecht 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T‑32/91, Jurispr. blz. II‑1825, punt 40; Gerecht 21 maart 2002, Joynson/Commissie, T‑231/99, Jurispr. blz. II‑2085, punt 156
5. Om te bepalen of de rechters in eerste aanleg de bewijselementen in stukken waarin de samenstelling van de jury van een vergelijkend onderzoek wordt vermeld onjuist hebben opgevat door grieven ontleend aan de onwettige benoeming van de jury en aan het beperkte aantal juryleden, die ter terechtzitting in het kader van de procedure in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, niet-ontvankelijk te verklaren, dient het Gerecht van eerste aanleg te onderzoeken of het op grond van het dossier van de zaak in eerste aanleg en, meer bepaald, de door de Commissie ingediende stukken de betekenis en de draagwijdte van die grieven kan vaststellen alsmede na te gaan of het Gerecht voor ambtenarenzaken een kennelijke fout heeft gemaakt bij de lezing en de beoordeling van die stukken.
Dit is het geval wanneer niets in het dossier van de zaak erop wijst dat de rekwirant in de gelegenheid is geweest om die grieven aan te voeren vóór de terechtzitting in eerste aanleg.
(cf. punten 78, 80 en 82)
Referentie: Hof 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑326/05 P, Jurispr. blz. I‑6557, punten 57‑60
6. De jury van een vergelijkend onderzoek dient ervoor te zorgen dat het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten nauwgezet wordt nageleefd en de gemeenschapsrechter dient te onderzoeken, of de samenstelling van de jury bij het verloop van het mondelinge examen in overeenstemming is geweest met de procedurele vereisten van de communautaire rechtsorde. De niet-eerbiediging door de jury van de regels die haar werkzaamheden beheersen moet worden aangemerkt als een schending van wezenlijke vormvoorschriften, zodat een verzoeker niet behoeft aan te tonen dat de uitslag van het vergelijkend onderzoek anders had kunnen zijn, indien er geen sprake was geweest van schending.
Daar het beginsel van gelijke behandeling de basis is voor de regels betreffende de samenstelling van de jury van een vergelijkend onderzoek, gaat de gemeenschapsrechter van een onjuiste rechtsopvatting uit wanneer hij het nauwe verband miskent tussen dat beginsel en de regels betreffende de samenstelling van de jury.
(cf. punten 85 en 86)
Referentie: Gerecht 23 maart 2000, Gogos/Commissie, T‑95/98, JurAmbt. blz. I‑A‑51 en II‑219, punten 25, 37‑39, 53 en 54, en de aangehaalde rechtspraak; Gerecht 10 november 2004, Vonier/Commissie, T‑165/03, JurAmbt. blz. I‑A‑343 en II‑1575, punt 40
Full & Egal Universal Law Academy