ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
20 mei 2009 ( *1 )
„Overheidsopdrachten voor dienstverlening — Communautaire aanbestedingsprocedure — Vervoer van leden van Europees Parlement in auto’s en minibussen met chauffeur gedurende zittingsperiodes in Straatsburg — Afwijzing van offerte van inschrijver — Motiveringsplicht — Weigering om door geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs mee te delen — Beroep tot schadevergoeding”
In zaak T-89/07,
VIP Car Solutions SARL, gevestigd te Hoenheim (Frankrijk), vertegenwoordigd door G. Welzer en S. Leuvrey, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door D. Petersheim en M. Ecker als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement om de opdracht in het kader van aanbestedingsprocedure EP/2006/06/UTD/1 voor het vervoer van de leden van het Parlement in auto’s en minibussen met chauffeur gedurende de zittingsperiodes in Straatsburg niet te gunnen aan verzoekster, alsook een beroep tot schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. W. H. Meij, kamerpresident, V. Vadapalas (rapporteur) en E. Moavero Milanesi, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 december 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1
Voor de plaatsing van opdrachten voor dienstverlening afkomstig van het Europees Parlement gelden de bepalingen van titel V van deel 1 van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”) en de bepalingen van titel V van deel 1 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement (PB L 357, blz. 1; hierna: „uitvoeringsvoorschriften”). Deze bepalingen zoeken aansluiting bij de gemeenschapsrichtlijnen op dit gebied, wat opdrachten voor dienstverlening betreft met name bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/52/EG van 13 oktober 1997 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328, blz. 1) in het bijzonder, nu ingetrokken en vervangen door richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).
2
Artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement luidt:
„De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mede waarom zijn inschrijving of inschrijving niet in aanmerking werd genomen, en stelt elke inschrijver die een geldige inschrijving heeft ingediend op zijn schriftelijk verzoek in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving en van de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund.
De mededeling van bepaalde gegevens kan echter achterwege worden gelaten wanneer zulks aan de toepassing van de wetten in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen van openbare of particuliere ondernemingen of een eerlijke concurrentie tussen hen onmogelijk zou maken.”
3
Artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften bepaalt in de versie die van toepassing is op de feiten in deze zaak:
„Voor de opdrachten die door de instellingen voor eigen rekening worden geplaatst overeenkomstig artikel 105, van het Financieel Reglement, stellen de aanbestedende diensten zo spoedig mogelijk na het gunningsbesluit en uiterlijk in de week die daarop volgt, tegelijkertijd elke afgewezen inschrijver of gegadigde afzonderlijk bij brief en per fax of e-mail in kennis van het feit dat hun inschrijving of aanmelding niet is geselecteerd, en zij vermelden daarbij in elk geval de redenen voor de afwijzing.
De aanbestedende diensten stellen degene aan wie de opdracht wordt gegund tegelijkertijd met de kennisgeving aan de afgewezen gegadigden of inschrijvers in kennis van het gunningsbesluit, en zij vermelden daarbij dat deze kennisgeving geen verbintenis van de betrokken aanbestedende dienst inhoudt.
De afgewezen inschrijvers of gegadigden kunnen aanvullende inlichtingen over de redenen voor de afwijzing krijgen indien zij daarom schriftelijk, per brief, fax of e-mail verzoeken, en iedere inschrijver die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft ingediend, kan aanvullende inlichtingen krijgen over de kenmerken en de voordelen van de geselecteerde inschrijving, alsmede de naam van degene aan wie de opdracht wordt gegund, onverminderd het bepaalde in artikel 100, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement. De aanbestedende diensten antwoorden binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het verzoek. […]”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
4
Verzoekster, VIP Car Solutions SARL, is een vennootschap die limousines met chauffeur verhuurt.
5
Het Parlement heeft, in een aankondiging in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 16 september 2006 (PB S 177), aanbesteding EP/2006/06/UTD/1 inzake het vervoer van de leden van het Europees Parlement in auto’s en minibussen met chauffeur gedurende de zittingperiodes in Straatsburg uitgeschreven (hierna: „aanbesteding”).
6
Krachtens punt IV.2.1 van de aanbesteding moest de opdracht worden gegund aan de economisch meest voordelige aanbieding, te toetsen op basis van de volgende gewogen criteria: prijs (55%), beschikbaar wagenpark (kwantitatief en kwalitatief) (30%), toegepaste maatregelen of aan de voertuigen inherente voorzieningen ter nakoming van milieuvereisten (7%), sociaal personeelsbeleid (6%) en presentatie van de inschrijving (2%).
7
De uiterste termijn voor ontvangst van inschrijvingen of deelnemingsaanvragen was vastgesteld op 27 oktober 2006. Binnen de vastgestelde termijn werden drie inschrijvingen ingediend, waaronder die van verzoekster. Het comité dat de enveloppen moest openen, verklaarde op 6 november 2006 de drie inschrijvingen conform de aanbesteding.
8
Op 30 november 2006 stelde het comité dat de inschrijvingen moest evalueren (hierna: „evaluatiecomité”) voor om de opdracht te gunnen aan een andere inschrijver dan verzoekster. Deze inschrijver had in totaal 566 punten behaald, welke als volgt waren verdeeld: 290 punten voor de prijs, 180 punten voor het wagenpark, 42 punten voor de milieumaatregelen, 36 punten voor het sociaal beleid en 18 punten voor de presentatie van de inschrijving.
9
Verzoekster was als tweede geplaatst met een totaal van 504 punten, welke als volgt waren verdeeld: 343,5 punten voor de prijs, 135 punten voor het wagenpark, 0 punten voor de milieumaatregelen, 18 punten voor het sociaal beleid en 8 punten voor de presentatie van de inschrijving.
10
Op 3 januari 2007 gunde het Parlement de opdracht aan de inschrijver die door het evaluatiecomité was voorgedragen (hierna: „geselecteerde inschrijver”).
11
Op 9 januari 2009 stuurde het Parlement verzoekster een e-mail met de volgende tekst:
„In bijlage treft u de brief inzake uw inschrijving. De originele brief zal u per aangetekende post worden toegestuurd. Kunt u de ontvangst van deze [e-mail] bevestigen?”
12
Het Parlement heeft verzoekster per niet-ondertekende en ongedateerde brief in bijlage bij de e-mail verwittigd van het besluit om haar inschrijving in het kader van de aanbesteding niet te selecteren (hierna: „bestreden besluit”).
13
In het bestreden besluit staat in het bijzonder het volgende vermeld:
„Dit zijn de redenen voor afwijzing van uw inschrijving: gelet op de toekenningscriteria economisch niet de meest voordelige aanbieding.
U kunt, onverminderd een eventueel beroep bij de rechter, aanvullende informatie krijgen omtrent de redenen van afwijzing van uw inschrijving.
U kunt, indien u daar schriftelijk om verzoekt, op de hoogte worden gesteld van de relatieve kenmerken en voordelen van de geselecteerde inschrijving, alsmede de naam van degene aan wie de opdracht wordt gegund.
De mededeling van bepaalde gegevens zal echter achterwege worden gelaten wanneer zulks aan de toepassing van de wetten in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen van openbare of particuliere ondernemingen of zou kunnen afdoen aan een eerlijke concurrentie tussen hen. […]”
14
Verweerster heeft per e-mail van 10 januari 2007 als volgt geantwoord:
„Wij bevestigen de ontvangst van uw [e-mail] inzake de afwijzing van onze inschrijving. Wij willen echter graag, zoals door u wordt voorgesteld, op de hoogte worden gesteld van de relatieve kenmerken en voordelen van de geselecteerde inschrijving, alsmede de naam van degene aan wie de opdracht is gegund. Kunt u ons, aangezien onze inschrijving economisch niet het meest voordelig was, de uurprijs meedelen die door het geselecteerde bedrijf wordt aangeboden [?]”
15
Verzoekster heeft het Parlement bij brief van 15 januari 2007 opnieuw verzocht om haar de kenmerken en voordelen van de geselecteerde inschrijving, de naam van degene aan wie de opdracht was gegund, alsook de prijs die door de geselecteerde inschrijver was geboden, mee te delen. Zij benadrukte dat zij tot op die dag nog steeds niet de originele aangetekende brief had ontvangen ten bewijze van de afwijzing van haar inschrijving.
16
In antwoord op verzoeksters e-mail van 10 januari 2007 en onder verwijzing naar artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement, herinnerde het Parlement in een brief van 23 januari 2007 aan de gewogen toekenningscriteria die in de aanbestedingsprocedure waren vastgesteld en wees het op het volgende:
„De geselecteerde inschrijving heeft op alle bovenstaande criteria het hoogste aantal punten behaald […] (566) en is derhalve als eerste geplaatst.
Uw inschrijving is om deze reden, ondanks een iets lagere prijs, met 504 punten als tweede geplaatst.”
17
Het Parlement gaf verzoekster in deze brief tevens de naam van degene aan wie de opdracht was gegund.
18
Op 24 januari 2007 stuurde het Parlement verzoekster het origineel van de brief waarin zij werd geïnformeerd over het besluit om haar inschrijving af te wijzen.
19
Het Parlement vroeg verzoekster in een e-mail van 31 januari 2007 of zij de brief had ontvangen. Verzoekster gaf nog diezelfde dag per e-mail een ontkennend antwoord.
20
Via haar advocaat benadrukte verzoekster in een brief van 1 maart 2007 dat zij in het kader van de aanbesteding een uitzonderlijke prijs had geboden en verzocht zij om een afschrift van de inschrijving die door de geselecteerde inschrijver was ingediend, om te weten met welke prijs hij had ingeschreven.
21
In een brief van 20 maart 2007 aan verzoeksters raadsman, wees het Parlement dit verzoek af onder verwijzing naar artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en voegde het hieraan toe:
„[…] [W]ij wijzen u er inzake de aanbesteding op, dat binnen 48 dagen na ondertekening van de overeenkomst een kennisgeving van gegunde opdrachten zal worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, waarin de wezenlijke elementen, zoals de betaalde prijs, worden vermeld.
Wij nemen ter kennisgeving aan dat uw ‚cliënten weten dat ze een uitzonderlijke prijs hebben geboden.’
Wij moeten u er in ieder geval nogmaals op wijzen dat de prijs niet het enige toekenningscriterium was. Kwalitatieve en functionele criteria zijn voor een instelling als de onze van bijzonder belang en kunnen hogere kosten rechtvaardigen.
Ons oordeel ‚ondanks een iets lagere prijs’ verwees juist naar dit aspect van de aanbesteding; wij wezen er name op dat, hoewel de inschrijving van uw cliënten wat de prijs betreft het hoogste aantal punten had behaald, het totale aantal punten dat door het evaluatiecomité was vastgesteld in het kader van alle in het bestek vermelde criteria, niet volstond om de opdracht te krijgen. Zoals hen al is meegedeeld, had hun inschrijving een totaal van 504 punten behaald en die van de geselecteerde inschrijver 566.”
22
In een brief van 23 maart 2007 stelde verzoekster dat de opdracht, gezien het feit dat het prijscriterium voor 55% meetelde in de beoordeling van de inschrijvingen, onmogelijk aan een andere inschrijver dan haarzelf had kunnen worden gegund en zij, door de weigering de prijs mee te delen die door de geselecteerde inschrijver was geboden, vóór het verstrijken van de termijn om beroep in te stellen bij het Gerecht niet kon controleren onder welke omstandigheden de opdracht was gegund.
23
Op 7 april werd de aankondiging van de gegunde opdracht gepubliceerd in het Supplement op het Publicatieblad (PB S 69). Hierin staat vermeld dat de geselecteerde inschrijver een prijs aanbood van 26 EUR per uur (buiten schema) en 37,50 EUR per uur (volgens schema).
Procesverloop en conclusies van partijen
24
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 maart 2007, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
25
Aangezien een lid van de kamer verhinderd was, heeft de president van het Gerecht overeenkomstig artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering ter aanvulling van de kamer een andere rechter aangewezen.
26
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zesde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht partijen verzocht, bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
27
Partijen zijn ter terechtzitting van 9 december 2008 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.
28
In haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren;
—
het bestreden besluit nietig te verklaren;
—
alle op het bestreden besluit volgende handelingen nietig te verklaren;
—
het Parlement te veroordelen tot een schadevergoeding van 500000 EUR;
—
het Parlement te verwijzen in de niet-terugvorderbare kosten ten bedrage van 5000 EUR;
—
het Parlement te verwijzen in de kosten.
29
In repliek concludeert verzoekster bovendien dat het het Gerecht behage:
—
het Parlement te gelasten een regelmatige aanbestedingsprocedure te organiseren.
30
In zijn verweerschrift concludeert het Parlement dat het het Gerecht behage:
—
het beroep tot nietigverklaring ongegrond te verklaren;
—
het beroep tot schadevergoeding te verwerpen;
—
de vordering tot verwijzing van het Parlement in de niet-terugvorderbare kosten ten bedrage van 5000 EUR af te wijzen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
31
In dupliek concludeert het Parlement bovendien dat het het Gerecht behage:
—
de vordering om het Parlement te gelasten een regelmatige aanbestedingsprocedure te organiseren, af te wijzen.
32
Ter terechtzitting heeft verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerechthof de eis ingetrokken om het Parlement te verwijzen in de niet-terugvorderbare kosten ten bedrage van 5000 EUR; daarvan is akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
In rechte
De eis om het bestreden besluit nietig te verklaren
33
Verzoekster voert in wezen twee middelen aan, het eerste ontleend aan een schending van de motiveringsplicht en het tweede aan de onregelmatigheid van de weigering om de prijs mee te delen die door de geselecteerde inschrijver was aangeboden.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht
— Argumenten van partijen
34
In haar verzoekschrift voert verzoekster aan dat het criterium van de prijs in het kader van de aanbesteding meetelde voor 55%, meer dan de helft van alle toekenningscriteria tezamen. Zij benadrukt dat zij de laagste prijs aanbood, namelijk 31,70 EUR per uur. Zij zou echter slechts 504 punten hebben behaald, terwijl de geselecteerde inschrijver 566 punten had gekregen. Verzoekster wijst erop dat zij dit puntenverschil niet begrijpt, hoewel zij wat de prijs betreft het beste aanbod had gedaan. Volgens haar kon de opdracht wiskundig gezien niet aan een andere inschrijver worden gegund.
35
In repliek benadrukt verzoekster dat het Parlement erkent een vergissing te hebben begaan in de berekening van het totale aantal punten dat haar was toegekend, hetgeen tekenend is voor de weinig serieuze werkwijze van het evaluatiecomité.
36
Wat het wagenparkcriterium betreft, merkt verzoekster op dat het Parlement op arbitraire wijze tweederde van het cijfer heeft toegewezen aan het kwantitatieve aspect en slechts een derde aan het kwalitatieve aspect. Zij zou echter nooit zijn geïnformeerd over deze verdeling, die naar haar mening ongerechtvaardigd is, aangezien het feit wie de voertuigen in eigendom heeft niet belangrijker is dan de kwaliteit ervan. Nu alle inschrijvers voor het criterium kwaliteit hetzelfde cijfer hebben behaald, had het verschil in punten tussen verzoekster en de geselecteerde inschrijver kleiner moeten zijn.
37
Verzoekster acht het onmogelijk dat zij voor het criterium milieuvereisten nul punten heeft behaald. Zij is namelijk, evenals de geselecteerde inschrijver, gebonden aan de Franse wetgeving op limousinevervoersbedrijven. Hierin wordt verplicht gesteld dat voertuigen in uitstekende staat van mechanisch onderhoud verkeren en jaarlijks worden gekeurd. Al haar voertuigen zouden dan ook recent zijn en uitgerust met roetfilters. Het verschil van 42 punten zou dus alleen kunnen zijn ingegeven door het feit dat de inschrijver met de gemeente Parijs afspraken heeft gemaakt in de strijd tegen luchtvervuiling.
38
Wat betreft het criterium sociaal beleid, is een van de twee arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd van de geselecteerde inschrijver in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wegens toegenomen activiteit, of zelfs een uitzendovereenkomst. Deze overeenkomst heet namelijk „Oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd”, terwijl deze twee begrippen onderling strijdig zijn. Verder zijn de arbeidsovereenkomsten van verzoekster en de geselecteerde inschrijver afkomstig van de chambre syndicale nationale des entreprises de grande remise (Franse vakbond voor limousinebedrijven). Het puntenverschil tussen de twee inschrijvers kan derhalve niet objectief worden gerechtvaardigd.
39
Ten slotte betreft het criterium van de presentatie van de inschrijving de vorm van de inschrijving en niet de inhoud. Uit het oogpunt van dit criterium kan de inschrijving van de geselecteerde inschrijver dus niet „ontegenzeggelijk beter” zijn. Daarbij heeft verzoekster, naast een presentatie in gebruikelijke vorm, haar inschrijving als enige ingediend in de vorm van een dvd. Zij heeft echter een lager aantal punten behaald dan de geselecteerde inschrijver.
40
In zijn verweerschrift benadrukt het Parlement dat de toekenningscriteria op andere punten dan de prijs 45% uitmaakten van de weging en derhalve het resultaat van de evaluatie van de verschillende inschrijvingen konden beïnvloeden. Volgens het Parlement zijn de inschrijvingen op objectieve wijze behandeld.
41
Op dit punt zet het Parlement uiteen dat het evaluatiecomité ieder criterium een cijfer van 1 tot 10 heeft toegekend. Het behaalde cijfer werd vervolgens vermenigvuldigd met het percentage dat bij het criterium hoorde. Wat de twee belangrijkste criteria betreft, de prijs en het kwantitatieve aspect van het wagenpark, had het evaluatiecomité vanuit objectiviteitsoogpunt besloten om de lopende opdracht een cijfer te geven, dat neutraal was ten opzichte van de te gunnen opdracht. Dit objectieve cijfer werd vervolgens vermenigvuldigd met de verhouding tussen de prestatie van de vorige contractant en diegene die door ieder van de inschrijvers werd geboden.
42
Wat de prijs betreft, beschouwde het evaluatiecomité de prijs van de lopende opdracht, namelijk 33 EUR, als redelijk en kende het hiervoor dan ook het cijfer zes toe. De prijzen die verzoekster en de geselecteerde inschrijver hadden voorgesteld, bedroegen respectievelijk 31,70 EUR en 37,50 EUR per uur, hetgeen dus heeft geleid tot de volgende resultaten:
—
verzoekster: 33: 31,70 x 6 x 55 = 343,5 punten;
—
geselecteerde inschrijver: 33: 37,5 x 6 x 55 = 290,4 punten.
43
Het evaluatiecomité oordeelde inzake het criterium wagenpark, dat het kwantitatieve aspect van wezenlijk belang was en kende hiervoor tweederde van het cijfer toe, namelijk 20 punten. Het cijfer zes was toegekend aan het wagenpark van 60 voertuigen dat door de vorige contractant werd geboden. Het evaluatiecomité telde bij verweerster een wagenpark van 70 voertuigen mee (60 auto’s en 10 minibussen) en bij de geselecteerde inschrijver een wagenpark van 60 voertuigen. Ook zou er, om de aanbiedingen te kunnen vergelijken, rekening zijn gehouden met de onmiddellijke beschikbaarheid van de voertuigen. Op dit punt was verzoeksters wagenpark een coëfficiënt van 0,5 toegekend, omdat 67 van de 70 voertuigen moesten worden gehuurd bij een andere vennootschap. Deze beoordeling heeft dus geleid tot de volgende resultaten:
—
verzoekster: 70: 60 x 6 x 0,5 x 20 = 70 punten;
—
geselecteerde inschrijver: 60: 60 x 6 x 1 x 20 = 120 punten.
44
Met betrekking tot het kwalitatieve criterium voor het wagenpark, hadden verzoekster en de geselecteerde inschrijver beiden een cijfer 10 gekregen, hetgeen, gelet op de aan dit criterium toegekende weging leidde tot toekenning van de volgende punten:
—
verzoekster: 6 x 10 = 60 punten;
—
geselecteerde inschrijver: 6 x 10 = 60 punten.
45
Het Parlement erkent dat het evaluatiecomité een vergissing heeft begaan door verzoekster bij het wagenparkcriterium 135 punten toe te kennen. In werkelijkheid moest zij 130 punten krijgen, hetgeen inhoudt dat verzoekster in totaal 499 punten heeft behaald en geen 504 punten.
46
Inzake de milieuvereisten heeft alleen de geselecteerde inschrijver gegevens overgelegd, namelijk dat hij de code tegen luchtvervuiling van de stad Parijs naleeft en zijn — recente — voertuigen zijn uitgerust met roetfilters, hetgeen heeft geleid tot toekenning van de volgende punten:
—
aan verzoekster: 0 x 7 = 0 punten;
—
aan de geselecteerde inschrijver: 6 x 7 = 42 punten.
47
Wat het sociale beleid aangaat, biedt de geselecteerde inschrijver twee soorten arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, waarvan een voor oproepkrachten. Verzoeksters chauffeurs krijgen alleen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Gezien de weging van dit criterium leidt het Parlement hieruit af dat het verschil tussen de twee inschrijvingen tot uiting is gekomen in de volgende puntentoekenning:
—
verzoekster: 3 x 6 = 18 punten.
—
geselecteerde inschrijver: 6 x 6 = 36 punten.
48
Ten slotte was, wat het laatste criterium aangaat, de presentatie van de inschrijving van de geselecteerde inschrijver ontegenzeggelijk beter, hetgeen, gelet op de aan dit criterium toegekende weging, heeft geleid tot toekenning van de volgende punten:
—
verzoekster: 4 x 2 = 8 punten;
—
geselecteerde inschrijver: 9 x 2 = 18 punten.
49
Het totale aantal punten dat aan iedere inschrijving was toegekend, was derhalve samengesteld als volgt:
—
verzoekster: 343 + 70 + 60 + 0 + 18 + 8 = 499 punten;
—
geselecteerde inschrijver: 290 + 120 + 60 + 42 + 36 + 18 = 566 punten.
50
Het Parlement benadrukt dat de bevoegde ordonnateur zich bij verificatie realiseerde dat het wagenpark van de geselecteerde inschrijver bestond uit 70 voertuigen, zodat hij in werkelijkheid een totaal van 586 punten krijgt.
51
Het Parlement trekt hieruit de conclusie dat de inschrijving van de geselecteerde inschrijver duidelijk kwalitatieve voordelen vertoonde ten opzichte van die van verzoekster, wier inschrijving alleen beter was wat het prijscriterium betrof. Op dit punt wijst het Parlement erop dat de opdracht moest worden gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving. Aangezien het geen openbare inschrijving betrof, waarbij de inschrijvers alleen op basis van het prijscriterium worden ingedeeld, kon de opdracht niet al bij voorbaat worden toegekend aan de goedkoopste inschrijving.
52
Het Parlement voegt hier in dupliek aan toe dat verzoekster het gebrek aan objectiviteit en de beoordelingsmarge van de aanbestedende dienst door elkaar lijkt te halen. Bij toetsing dient het Gerecht zich te beperken tot de vraag of er geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt.
53
Wat het criterium van het wagenpark betreft, benadrukt het Parlement onder verwijzing naar ’s Hofs rechtspraak, dat een aanbestedingscomité een specifiek gewicht kan toekennen aan vooraf vastgestelde subelementen van een toekenningscriterium, door bij de vaststelling van het bestek of van de aankondiging van de opdracht de door de aanbestedende dienst voor dat criterium vastgestelde punten te verdelen over deze subelementen. Voorwaarde is dat een dergelijk besluit ten eerste geen wijziging aanbrengt in de in het bestek of in de aankondiging van opdracht vastgelegde toekenningscriteria voor de opdracht, ten tweede geen elementen bevat die, indien zij bij de voorbereiding van de inschrijvingen bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden, en ten derde niet is genomen met inaanmerkingneming van elementen die discriminerend kunnen werken jegens een van de inschrijvers. Verzoekster zou echter niet aantonen dat in casu niet aan deze voorwaarden was voldaan.
54
Wat het criterium van milieuvereisten betreft, merkt het Parlement op dat verzoeksters inschrijving niet vermeldde op welke wijze zij hieraan voldeed, hetgeen de toekenning van nul punten verklaart.
55
Ten slotte, wat het laatste toekenningscriterium betreft, stelt het Parlement dat de presentatie in de vorm van een dvd alleen onvoldoende reden is voor het oordeel dat de presentatie van verzoeksters inschrijving beter was dan die van de geselecteerde inschrijver. Het doorslaggevende element was de aantrekkelijke en overtuigende aard van de inschrijving en niet het soort drager.
— Beoordeling door het Gerecht
56
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Parlement, evenals de andere instellingen, over een aanzienlijke beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de omstandigheden die in aanmerking worden genomen bij een besluit inzake de gunning van een opdracht. De rechterlijke toetsing van de uitoefening van die beoordelingsmarge blijft er dan toe beperkt, of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie naar analogie arresten Gerecht van 27 september 2002, Tideland Signal/Commissie, T-211/02, Jurispr. blz. II-3781, punt 33, en 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T-465/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45).
57
Luidens artikel 1, van de administratieve clausules van de aanbesteding waren de bepalingen van het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsvoorschriften van toepassing op de gunning van de opdracht.
58
Derhalve moest het Parlement, wat de motivering van het bestreden besluit betreft, waarbij het verzoeksters inschrijving heeft afgewezen, in casu toepassing geven aan artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften.
59
Uit deze artikelen en de rechtspraak van het Gerecht volgt, dat het Parlement aan zijn motiveringsverplichting heeft voldaan indien het ten eerste iedere inschrijver onmiddellijk de redenen van afwijzing van zijn inschrijving meedeelt en vervolgens de inschrijvers die een geldige inschrijving hebben ingediend en nadrukkelijk hierom verzoeken, binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving verschaft (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 september 2008, arrest Evropaïki Dynamiki/Commissie, T-465/04, punt 56 supra, punt 47).
60
Deze handelwijze beantwoordt aan het doel van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht, volgens welke de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking dient te worden gebracht zodat enerzijds de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten kunnen verdedigen, en anderzijds de rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Evropaïki Dynamiki/Commissie T-465/04, punt 56 supra, punt 48).
61
Bovendien is het in de gevallen zoals het onderhavige, waarin een gemeenschapsinstelling over een ruime beoordelingsmarge beschikt, van des te groter fundamenteel belang dat de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen worden nageleefd. Tot die waarborgen behoort met name de verplichting voor de bevoegde instelling om haar besluiten toereikend te motiveren. Enkel dan is de gemeenschapsrechter in staat om te toetsen of voldaan is aan alle feitelijke en juridische vereisten waarvan de uitoefening van de beoordelingsmarge afhangt (arrest Hof van 21 november 1991, Technische Universität München, C-269/90, Jurispr. blz. I-5469, punt 14; arresten Gerecht van 5 maart 2002, Le Canne/Commissie, T-241/00, Jurispr. blz. II-1251, punten 53 en 54, en 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T-465/04, punt 56 supra, punt 54).
62
Tevens dient eraan te worden herinnerd dat de aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben (zie arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
Ten slotte vormt de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift, dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (arrest Hof van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C-17/99, Jurispr. blz. I-2481, punt 35, en arrest Gerecht van 12 november 2008, Evropaïki Dynamïki/Commissie, T-406/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47).
64
Dienaangaande moet worden overwogen dat verzoekster in haar verzoekschrift in wezen aanvoert dat de motiveringsplicht is geschonden, omdat zij niet kan begrijpen hoe het mogelijk is dat zij, hoewel zij de laagste prijs aanbood en dit criterium voor 55% meetelde in de evaluatie van de inschrijvingen, de opdracht niet heeft gekregen. Ook moet worden opgemerkt dat het Parlement in zijn verweerschrift de argumentering van verweerster heeft opgevat als een verwijt aan zijn adres dat hij het bestreden besluit waarmee hij weigerde haar de opdracht te gunnen, niet heeft gemotiveerd.
65
In ieder geval heeft de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren volgens vaste rechtspraak ten doel de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is. Het ontbreken van een motivering of een ontoereikende motivering, waardoor deze rechterlijke toetsing wordt belemmerd, zijn bijgevolg middelen van openbare orde die door de gemeenschapsrechter ambtshalve kunnen en moeten worden opgeworpen (arrest Hof van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punten 23 en 24, en arrest Gerecht van 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Hof van Justitie, T-272/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Daar verzoekster een geldige inschrijving in de zin van artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften had ingediend, dient in dit geval niet alleen het bestreden besluit te worden onderzocht, maar ook de brief van 23 januari 2007, die aan verzoekster was gestuurd in antwoord op haar uitdrukkelijke verzoek om aanvullende informatie over het gunningsbesluit van de betrokken opdracht, om te bepalen of het Parlement aan het in het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften opgenomen motiveringsvereiste heeft voldaan.
67
Allereerst moet echter worden vastgesteld dat het Parlement zich in het bestreden besluit overeenkomstig artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement, heeft beperkt tot de opsomming van de redenen voor afwijzing van verzoeksters inschrijving. Daarin heet het namelijk dat verzoeksters inschrijving „gelet op de toekenningscriteria economisch niet het meest voordelig was”.
68
Vervolgens heeft het Parlement in zijn brief van 23 januari 2007 slechts het volgende vermeld:
„De geselecteerde inschrijving heeft op alle bovenstaande criteria het hoogste aantal punten behaald […] (566) en is derhalve als eerste geplaatst.
Uw inschrijving is om deze reden, ondanks een iets lagere prijs, met 504 punten als tweede geplaatst.”
69
Ondanks zijn antwoord binnen de termijn van artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften, heeft het Parlement verzoekster, met uitzondering van de mededeling dat de door haar geboden prijs iets lager lag, absoluut geen informatie verstrekt over de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving, hoewel het hiertoe wel verplicht was krachtens het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften.
70
In een dergelijk antwoord komt de redenering van het Parlement niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking. Ten eerste worden belanghebbenden aldus niet in staat gesteld om kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten te verdedigen, en ten tweede kan de rechter zijn toezicht niet uitoefenen.
71
Deze informatie was in de omstandigheden in deze zaak bovendien des te meer noodzakelijk, daar verzoekster een lagere prijs had voorgesteld dan de geselecteerde inschrijver en het criterium van de prijs voor 55% meewoog in de totale evaluatie van de inschrijvingen. Verzoekster beschikte derhalve over geen enkel gegeven waarmee zij kon begrijpen waarom haar inschrijving in het kader van de aanbesteding niet was geselecteerd.
72
Daarbij heeft het Parlement verzoekster in antwoord op haar brief van 1 maart 2007, op 20 maart 2007 een nieuwe brief aan gestuurd.
73
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat wanneer de betrokken instelling in antwoord op verzoekers vraag om aanvullende toelichting inzake een besluit, een brief verstuurt vóórdat beroep wordt ingesteld, maar na de in artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften vastgestelde datum, deze brief ook in aanmerking kan worden genomen bij de toetsing van de toereikendheid van de motivering in casu. De motiveringsplicht moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover verzoekster beschikte op het moment dat beroep werd ingesteld. Hierbij zij evenwel aangetekend dat de instelling de oorspronkelijke motivering dan niet mag vervangen door een geheel nieuwe motivering (zie in die zin en naar analogie arrest Gerecht van 10 september 2008, Evropaiki Dynamiki/Commissie, T-465/04, punt 56 supra, punt 59).
74
Vastgesteld dient echter te worden dat de brief van 20 maart 2007 geen informatie bevat over de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving. Het Parlement herhaalt namelijk hetgeen het al in zijn brief van 23 januari 2007aan verzoekster had medegedeeld.
75
Tot slot dient te worden opgemerkt dat het Parlement in het kader van het beroep in rechte gegevens inzake de motivering van het bestreden besluit heeft overgelegd. Zo worden in zijn verweerschrift de punten vermeld die voor elk van de toekenningscriteria aan verzoekster en de geselecteerde inschrijver waren toegekend, alsook de redenen die waren gebruikt ter onderbouwing van deze notering.
76
Dat het Parlement de redenen van dit besluit tijdens het geding heeft overgelegd, compenseert de ontoereikende oorspronkelijke motivering van het bestreden besluit evenwel niet. Volgens vaste rechtspraak is het namelijk niet toegestaan het besluit pas tijdens de procedure voor de rechter voor het eerst toe te lichten, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, waarvan, bij gebreke van enige dringende spoed, in casu geen sprake is (zie in deze zin arresten Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie, T-61/89, Jurispr. blz. II-1931, punt 131, en 24 september 2008, DC-Hadler Networks/Commissie, T-264/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).
77
Uit een en ander volgt dat het besluit waarmee het Parlement heeft geweigerd de opdracht aan verzoekster te gunnen, ontoereikend is gemotiveerd uit het oogpunt van artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften.
78
Het eerste middel dient derhalve te worden aanvaard.
Tweede middel: onregelmatigheid van de weigering om de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs mee te delen
— Argumenten van partijen
79
Volgens verzoekster is de weigering om haar de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs mede te delen, onregelmatig. Allereerst valt de door genoemde inschrijver voorgestelde prijs niet binnen de werkingssfeer van artikel 100, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement. De mededeling hiervan is namelijk niet in strijd met het belang van de geselecteerde inschrijver. Met het oog op transparantie zou het in het kader van een opdracht van deze omvang bovendien normaal zijn om de precieze redenen voor de afwijzing van een inschrijving te weten.
80
Verzoekster benadrukt bovendien dat de prijs die door de geselecteerde inschrijver was voorgesteld binnen 48 dagen na ondertekening van de overeenkomst in het Supplement op het Publicatieblad moest worden gepubliceerd. De mededeling van deze prijs kon de gewettigde commerciële belangen van de geselecteerde inschrijver of een eerlijke concurrentie dus niet schaden.
81
Ook heeft de weigering die door het Parlement tegen het verzoek van verzoekster wordt opgeworpen tot gevolg dat de termijn om beroep in te stellen bij het Gerecht, wordt verkort.
82
Het Parlement brengt hiertegen in dat artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement geen absolute verplichting met zich meebrengt om de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs mede te delen. De „kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving” zouden namelijk meer bestaan uit een vergelijkende beschrijving van de inschrijvingen. De aanbestedende dienst behoudt dan een beoordelingsmarge inzake de gegevens die hij moet meedelen aan de afgevallen inschrijver.
83
Overigens mag worden aangenomen dat de prijs een van de gegevens is die bij mededeling de commerciële belangen van een onderneming kan schaden in de zin van artikel 100, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement. Deze mededeling zou dan ook pas in laatste instantie mogen plaatsvinden. Het Parlement erkent echter dat de prijs die de geselecteerde inschrijver had voorgesteld, in de kennisgeving van gegunde opdrachten in het Supplement op het Publicatieblad stond vermeld.
84
De weigering om de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs mede te delen heeft verzoekster er bovendien niet van weerhouden om binnen de gestelde termijn beroep in te stellen bij het Gerecht.
85
Het Parlement heeft naar aanleiding van een vraag van het Gerecht ter terechtzitting zijn betoog verder uitgewerkt en benadrukt dat de opdracht tot het moment van publicatie van de kennisgeving van de gegunde opdracht nog had kunnen worden geannuleerd wegens bezwaren die voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomst waren geuit. Door de prijs niet mee te delen, zou in een dergelijk geval kunnen worden voorkomen dat de andere inschrijvers kennis hebben van dit onderdeel van de inschrijving van de geselecteerde inschrijver. Deze laatste zou dan zijn inschrijving onder dezelfde voorwaarden opnieuw kunnen indienen.
— Beoordeling door het Gerecht
86
Vooraf zij eraan herinnerd dat het Parlement naar aanleiding van de vraag van verzoekster van 10 januari 2007 om aanvullende informatie slechts heeft aangegeven dat de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs enigszins hoger lag dan de hare. De hoogte van deze prijs, namelijk 26 EUR per uur buiten het schema en 37,50 EUR binnen het schema, is aan het publiek bekend gemaakt in de kennisgeving van de gegunde opdracht van 7 april 2007.
87
Krachtens artikel 100, lid 2, eerste alinea, van het Financieel Reglement had het Parlement de afgewezen inschrijver op zijn schriftelijk verzoek echter in kennis moeten stellen van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving.
88
Het Parlement was derhalve verplicht om verzoekster naar aanleiding van haar schriftelijke verzoek in kennis te stellen van de door de geselecteerde inschrijver voorgestelde prijs, één van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving, te meer daar dit criterium in onderhavig geval voor 55% meetelde in de evaluatie van de inschrijvingen.
89
Aan deze vaststelling kan door geen van de door het Parlement aangevoerde argumenten worden afgedaan.
90
Ten eerste vormt het argument dat de aanbestedende dienst een beoordelingsmarge behoudt geen rechtvaardiging voor zijn weigering om de afgewezen inschrijver die hierom schriftelijk verzoekt, in kennis te stellen van de door de gekozen inschrijver voorgestelde prijs. Dienaangaande kan het Parlement niet volstaan met de bewering dat de prijs geen deel uitmaakt van de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van een opdrachtnemer terwijl dit criterium, zoals hierboven is vermeld, in onderhavig geval voor 55% meetelde in de evaluatie van de inschrijvingen.
91
Ten tweede kan luidens artikel 100, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement, de mededeling van bepaalde gegevens zeker achterwege worden gelaten wanneer zulks aan de toepassing van de wetten in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen van openbare of particuliere ondernemingen of een eerlijke concurrentie tussen hen zou belemmeren. In zijn verweerschrift licht het Parlement evenwel niet toe hoe de mededeling van de door de gekozen inschrijver voorgestelde prijs afbreuk zou doen aan zijn commerciële belangen en benadrukt het bovendien dat deze prijs staat vermeld in de kennisgeving van de gegunde opdracht.
92
Ten derde kon het argument dat de aanbestedende dienst tot op het ogenblik van de ondertekening van het contract kan afzien van de opdracht of de procedure vóór het plaatsen van de opdracht kan annuleren — waartoe artikel 101, van het Financieel Reglement hem inderdaad de mogelijkheid biedt — het Parlement in de omstandigheden van het onderhavige geval niet ontslaan van de plicht om verzoekster in kennis te stellen van de prijs die de gekozen inschrijver had voorgesteld. De aanvaarding van een dergelijk argument zou de in artikel 100, lid 2, eerste alinea, van het Financieel Reglement en artikel 149, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften bepaalde motiveringsverplichting namelijk tot een dode letter maken.
93
Onder deze omstandigheden dient het tweede middel te worden aanvaard.
94
Uit een en ander volgt dat het bestreden besluit nietig dient te worden verklaard.
De vordering tot nietigverklaring van de op het bestreden besluit volgende handelingen
95
Met haar derde vordering verzoekt verzoekster het Gerecht om alle op het bestreden besluit volgende handelingen nietig te verklaren.
96
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op de procedure bij het Gerecht van toepassing is, het verzoekschrift het voorwerp van het geschil moet aangeven en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen dient te bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het noodzakelijk, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep — althans summier, maar coherent en begrijpelijk — uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikkingen Gerecht van 28 april 1993, De Hoe/Commissie, T-85/92, Jurispr. blz. II-523, punt 20, en 11 juli 2005, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, T-294/04, Jurispr. blz. II-2719, punt 23).
97
In onderhavig geval geeft verzoekster niet nauwkeurig aan op welke handelingen haar derde vordering is gericht en onderbouwt zij haar vordering niet met een betoog.
98
De derde vordering moet derhalve als niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Vordering tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
99
In haar verzoekschrift vordert verzoekster om het Parlement te veroordelen tot een schadevergoeding van 500000 EUR.
100
In repliek voert verzoekster aan dat zij aan alle voorwaarden voldeed om de opdracht te krijgen. Derhalve heeft het Parlement alle rechtsregels voor de toekenning van de opdracht geschonden en is de vordering tot schadevergoeding van verzoekster ontvankelijk.
101
Verzoekster voert inzake de geleden schade aan dat zij economisch heeft geleden onder het feit dat de opdracht niet aan haar is gegund. Zij heeft niet kunnen profiteren van de voordelen die zij met gegronde reden mocht verwachten.
102
Het Parlement voert aan dat verzoeksters vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door het Gerecht
103
Volgens vaste rechtspraak moet een verzoekschrift waarin vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade wordt gevorderd, de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom hij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (arresten Gerecht van 10 juli 1997, Guérin automobiles/Commissie, T-38/96, Jurispr. blz. II-1223, punt 42, en 3 februari 2005, Chiquita Brands e.a./Commissie, T-19/01, Jurispr. blz. II-315, punt 65).
104
In casu moet echter worden vastgesteld dat de vordering tot schadevergoeding, die slechts als eis wordt geformuleerd, de meest elementaire verduidelijking ontbeert.
105
Zelfs indien wordt verondersteld dat het verzoekschrift de gegevens bevat waarmee kan worden aangegeven welke gedraging het Parlement wordt verweten, staat hierin namelijk niets vermeld omtrent de aard en de omvang van de beweerdelijke schade, of de redenen waarom verzoekster meent dat er tussen die gedraging en de schade een oorzakelijk verband bestaat.
106
Daarbij heeft verzoekster, gesteld dat zij hierin ontvankelijk was, niet echt pogingen gedaan om deze hiaten in haar repliek op te vullen.
107
Hieruit volgt dat de vordering tot schadevergoeding in het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub v, van het Reglement voor de procesvoering.
108
In die omstandigheden moet de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering om het Parlement te gelasten een regelmatige aanbestedingsprocedure te organiseren
109
Verzoekster heeft in repliek gevorderd dat het Gerecht het Parlement zou gelasten om een regelmatige aanbestedingsprocedure te organiseren.
110
Ingevolge artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering is de verzoeker evenwel verplicht in het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil te omschrijven en zijn conclusies voor te dragen. Hoewel artikel 48, lid 2, van dat Reglement onder bepaalde voorwaarden toestaat dat in de loop van het geding nieuwe middelen worden voorgedragen, kan die bepaling in geen geval aldus worden uitgelegd, dat de verzoeker op grond daarvan bij het Gerecht nieuwe conclusies mag indienen en aldus het voorwerp van het geschil kan wijzigen (arresten Gerecht van 18 september 1992, Asia Motor France e.a./Commissie, T-28/90, Jurispr. blz. II-2285, punt 43, en 12 juli 2001, T. Port/Raad, T-2/99, Jurispr. blz. II-2093, punt 34; zie tevens naar analogie arrest Hof van 25 september 1979, Commissie/Frankrijk, 232/78, Jurispr. blz. 2729, punt 3).
111
Hieruit volgt dat de vordering om het Parlement te gelasten een aanbestedingsprocedure te organiseren, als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen.
112
Ten overvloede zij er aan herinnerd dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 230 EG, de gemeenschapsrechter enkel bevoegd is de wettigheid van de bestreden handeling te toetsen, en dat volgens vaste rechtspraak het Gerecht in de uitoefening van zijn bevoegdheden geen bevelen tot de gemeenschapsinstellingen kan richten (arrest Hof van 8 juli 1999, DSM/Commissie, C-5/93 P, Jurispr. blz. I-4695, punt 36, en arrest Gerecht van 24 februari 2000, ADT Projekt/Commissie, T-145/98, Jurispr. blz. II-387, punt 83). In geval van nietigverklaring van de bestreden handeling, is het aan de betrokken instelling om overeenkomstig artikel 233 EG de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring (arrest Gerecht van 27 januari 1998, Ladbroke Racing/Commissie, T-67/94, Jurispr. blz. II-1, punt 200, en 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T-465/04, punt 56 supra, punt 35).
Kosten
113
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar het Parlement in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekster in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Zesde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het besluit van het Europees Parlement om de opdracht in het kader van aanbestedingsprocedure EP/2006/06/UTD/1 niet aan VIP Car Solutions SARL te gunnen, wordt nietig verklaard.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
Het Parlement wordt verwezen in de kosten.
Meij
Vadapalas
Moavero Milanesi
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 mei 2009.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy