ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
29 maart 2012 ( *1 )
„Landbouw — Gemeenschappelijke ordening van markten — Maatregelen die moeten worden vastgesteld wegens toetreding van nieuwe lidstaten — Toetredingsakte van 2003 — Vaststelling van overtollige voorraden landbouwproducten, met uitzondering van suiker, en financiële consequenties van het wegwerken daarvan — Door bepaling van primair recht nagestreefde doelstelling — Beschikking 2007/361/EG”
In zaak T-262/07,
Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas, E. Matulionytė en R. Krasuckaitė als gemachtigden,
verzoekster,
ondersteund door
Republiek Polen, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Nowakowski, vervolgens door M. Dowgielewicz en ten slotte door M. Szpunar, B. Majczyna en D. Krawczyk als gemachtigden,
en door
Slowaakse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Čorba, vervolgens door B. Ricziová als gemachtigden,
interveniënten,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en A. Steiblytė als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2007/361/EG van de Commissie van 4 mei 2007 houdende vaststelling van overtollige voorraden landbouwproducten, met uitzondering van suiker, en de financiële consequenties van het wegwerken daarvan, in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 138, blz. 14),
wijst HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: L. Truchot, president, M. E. Martins Ribeiro en H. Kanninen (rapporteur), rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 april 2011,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
In de context van de uitbreidingsronde van de Europese Unie die heeft geleid tot de toetreding, op 1 mei 2004, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (hierna: „nieuwe lidstaten”) tot de Unie (hierna: „toetreding”), zijn de Unie en de nieuwe lidstaten onderhandelingen gestart over meerdere vraagstukken, die zijn onderverdeeld in meerdere onderhandelingshoofdstukken. De onderhandelingen in het kader van het hoofdstuk over landbouw hadden onder meer betrekking op de situatie rechtens rond voorraden van landbouwproducten die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer bevonden en die het niveau overschreden van wat als normale overdrachthoeveelheden kon worden beschouwd (hierna: „overtollige hoeveelheden”).
2
Dit vraagstuk valt krachtens artikel 22 van de Akte betreffende de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie van de nieuwe lidstaten en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 39; hierna: „toetredingsakte”), onder punt 4 van bijlage IV bij de toetredingsakte (PB 2003, L 236, blz. 798), dat het volgende bepaalt:
„[...]
2. Alle zowel particuliere als openbare [...]voorraden [van landbouwproducten], die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer bevinden en die het niveau overschrijden van wat als normale overdrachthoeveelheden kan worden beschouwd, moeten op kosten van de nieuwe lidstaten worden weggewerkt.
Het begrip ‚normale overdrachthoeveelheid’ wordt voor elk product omschreven aan de hand van de specifieke criteria en doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening.
[...]
4. De Commissie voert bovengenoemde regelingen uit en past deze toe [...]”
3
Op 4 mei 2007 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van bijlage IV, punt 4, lid 4, bij de toetredingsakte, beschikking 2007/361/EG houdende vaststelling van overtollige voorraden landbouwproducten, met uitzondering van suiker, en de financiële consequenties van het wegwerken daarvan, in verband met de toetreding van de nieuwe lidstaten (PB L 138, blz. 14; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld.
4
In de punten 11 en 12 van de considerans van de bestreden beschikking heeft de Commissie het volgende aangegeven:
„De meest aangewezen methode voor de berekening van de financiële consequenties van de overtollige voorraden, in het licht van de doelstelling van [bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte], zou derhalve bestaan in een evaluatie van de kosten voor de afzet in elke betrokken sector. In de gevallen waarin in het jaar na de toetreding voor een betrokken product uitvoerrestituties gelden, is het aangewezen de financiële consequenties te bepalen op basis van het verschil tussen het interne en het externe prijsniveau, zoals dat blijkt uit de gemiddelde uitvoerrestitutie in de periode van twaalf maanden onmiddellijk na de toetreding.
Voor producten waarvoor geen uitvoerrestituties gelden [...], is het, met het oog op een gelijkwaardige behandeling, dienstig uit te gaan van de prijsverschillen tussen de gemiddelde interne en externe prijzen. Gezien de tijdelijke aard van de financiële consequenties die voortvloeien uit de vaststelling van overtollige voorraden voor verschillende landbouwproducten in bepaalde nieuwe lidstaten, moeten de overeenkomstige, door de lidstaten te betalen bedragen, worden geboekt op de communautaire begroting. De datum voor deze betalingen moet worden vastgesteld.”
5
Het dispositief van de bestreden beschikking is als volgt verwoord:
„Artikel 1
De hoeveelheden landbouwproducten die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer bevonden en die het niveau overschrijden van wat als normale overdrachthoeveelheden kan worden beschouwd per 1 mei 2004, alsmede de van de nieuwe lidstaten te innen bedragen in verband met de uitgaven voor het wegwerken van deze hoeveelheden, worden vastgesteld in de bijlage.
Artikel 2
1. De in de bijlage vastgestelde bedragen moeten worden beschouwd als inkomsten voor de begroting van de Gemeenschap.
2. De lidstaten mogen de in de bijlage vastgestelde bedragen in vier gelijke delen betalen. Het eerste deel wordt betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin deze beschikking ter kennis wordt gebracht van de betrokken nieuwe lidstaat. De daaropvolgende betalingen worden gedaan uiterlijk op 31 mei 2008, 31 mei 2009, respectievelijk 31 mei 2010.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.”
6
De hoeveelheden en de bedragen bedoeld in artikel 1 van de bestreden beschikking betreffende de negen nieuwe lidstaten genoemd in artikel 3 van deze beschikking, zijn vastgesteld in de bijlage daarbij. Voor de Republiek Litouwen zijn zij als volgt vastgesteld:
Productgroep
Hoeveelheid in ton
Bedrag × 1 000 EUR
Melk
2 804
2 971
Fruit
658
180
Rijst
569
30
Totaal
3 181
Procesverloop en conclusies van partijen
7
Bij op 13 juli 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, heeft de Republiek Litouwen krachtens artikel 230 EG een beroep strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.
8
Bij op 24 en 29 oktober 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegde aktes, hebben de Slowaakse Republiek en de Republiek Polen verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Republiek Litouwen, welke toelating hun bij beschikking van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 18 januari 2008 is verleend.
9
Op 29 februari en 6 maart 2008 hebben respectievelijk de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek een memorie in interventie neergelegd. Op 20 juni 2008 heeft de Republiek Litouwen opmerkingen naar aanleiding van deze memories ingediend. Op 2 en 23 juli 2008 heeft de Commissie opmerkingen over respectievelijk de memorie in interventie van de Slowaakse Republiek en die van de Republiek Polen ingediend.
10
Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Achtste kamer, zodat de onderhavige zaak aan die kamer is toegewezen.
11
Op 10 maart 2011 heeft het Gerecht partijen schriftelijke vragen gesteld, waarop zij binnen de gestelde termijn hebben geantwoord.
12
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten om de mondelinge behandeling te openen.
13
Partijen hebben ter terechtzitting van 13 april 2011 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
14
De Republiek Litouwen, daarin ondersteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, verzoekt het Gerecht:
—
de bestreden beschikking nietig te verklaren of, subsidiair, de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij op de Republiek Litouwen betrekking heeft;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
15
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
de Republiek Litouwen te verwijzen in de kosten.
In rechte
16
De argumenten van de Republiek Litouwen kunnen in wezen worden gehergroepeerd in zeven middelen, ontleend aan: in de eerste plaats, onbevoegdheid van de Commissie tot vaststelling van de bestreden beschikking en schending van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte; in de tweede plaats, het gebruik van een onjuiste rechtsgrondslag en overschrijding van de termijn bedoeld in artikel 41 van de toetredingsakte; in de derde plaats, schending van het rechtszekerheidsbeginsel; in de vierde plaats, schending van het verbod van discriminatie; in de vijfde plaats, schending van het transparantiebeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur; in de zesde plaats, een ontoereikende motivering, en in de zevende plaats, kennelijke beoordelingsfouten.
17
Met haar eerste middel betoogt de Republiek Litouwen in wezen dat bijlage IV, punt 4, lid 4, bij de toetredingsakte, de rechtsgrondslag van de bestreden beschikking, de Commissie niet de bevoegdheid verleent om de nieuwe lidstaten te verplichten de bij deze beschikking vastgestelde geldbedragen aan de gemeenschapsbegroting over te maken.
18
Zoals in herinnering is gebracht in punt 2 hierboven, bepaalt bijlage IV, punt 4, lid 4, bij de toetredingsakte dat de Commissie bijlage IV, punt 4, lid 2, bij die handeling uitvoert en toepast. Deze bepalingen gelasten de Commissie dus om een systeem op te zetten dat moet waarborgen dat de op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten nog aanwezige overtollige hoeveelheden worden weggewerkt op kosten van deze lidstaten.
19
De Republiek Litouwen bestrijdt niet als zodanig de bevoegdheid van de Commissie om uitvoering te geven aan bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, maar meent dat de daartoe door de Commissie gekozen methode met die bepaling in strijd is.
20
Volgens de Republiek Litouwen voert de bepaling in kwestie met name een verplichting voor de nieuwe lidstaten in om de overtollige hoeveelheden op eigen kosten weg te werken. Het is met dit doel dat aan de Commissie uitvoerende bevoegdheden zijn verleend. Deze bestaan voornamelijk in de bevoegdheid om invulling te geven aan het begrip „normale overdrachthoeveelheid”, de berekeningsmethodes voor de overgedragen voorraden en de wijze van toezicht op het wegwerken. De geldbedragen bedoeld bij de bestreden beschikking kunnen niet in het kader van de uitoefening van deze uitvoerende bevoegdheden worden opgelegd en zij zijn naar hun aard een sanctie daar zij niet een compensatie voor de aan de Gemeenschap of haar marktdeelnemers berokkende schade vormen. In ieder geval heeft de Commissie geen enkel bewijs van schade geleverd. De aard van sanctie is bijzonder evident voor zover betrekking hebbend op de landbouwproducten waarvoor geen exportrestituties gelden.
21
De Republiek Polen en de Slowaakse Republiek sluiten zich bij de argumenten van de Republiek Litouwen aan. Zij voegen hieraan toe dat bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte een verplichting tot het „fysiek” wegwerken van de overtollige hoeveelheden invoert.
22
De Commissie geeft te kennen dat de wijze waarop de overtollige hoeveelheden moeten worden weggewerkt, niet is gespecificeerd in bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte. Bijgevolg is deze bepaling verenigbaar met elke voorstelbare vorm van wegwerken, waaronder het eenvoudig laten absorberen van de overtollige hoeveelheden door de markt. Dit absorberen zal zekere economische gevolgen hebben, die niet kwantificeerbaar zijn, die als de kosten van het wegwerken van de overtollige hoeveelheden moeten worden beschouwd. Bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte moet aldus worden uitgelegd dat de Commissie deze kosten op redelijke wijze moet berekenen en moet verzekeren dat zij door de nieuwe lidstaten worden gedragen door overmaking van een geldbedrag aan de gemeenschapsbegroting.
23
Vastgesteld moet dus worden dat het standpunt van verzoekster in de onderhavige zaak fundamenteel verschilt van dat van de Commissie ten aanzien van de vraag welke handelingen de Commissie kan verrichten ter uitvoering van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte.
24
Om het betoog van partijen ten aanzien van de verenigbaarheid van de bestreden beschikking met bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte te onderzoeken, moet vooraf worden uiteengezet welke diverse maatregelen vóór de vaststelling van de bestreden beschikking door de Commissie zijn genomen ten aanzien van de overtollige hoeveelheden die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden.
Voorafgaande opmerkingen ten aanzien van de door de Commissie genomen maatregelen vóór de vaststelling van de bestreden beschikking
25
Artikel 2, lid 3, van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de nieuwe lidstaten inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 236, blz. 17; hierna: „toetredingsverdrag”), dat op 16 april 2003 te Athene is ondertekend, bepaalt dat de instellingen van de Unie vóór de toetreding de maatregelen bedoeld in artikel 41 en in bijlage IV bij de toetredingsakte kunnen vaststellen. Artikel 41, eerste alinea, van genoemde akte bepaalt dat de overgangsmaatregelen die nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: „GLB”), overeenkomstig het bepaalde in deze akte door de Commissie kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt en dat de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak.
26
Op 10 november 2003 heeft de Commissie op grond van artikel 2, lid 3, van het toetredingsverdrag en artikel 41, eerste alinea, van de toetredingsakte, verordening (EG) nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van de nieuwe lidstaten (PB L 293, blz. 3) vastgesteld.
27
Blijkens punt 1 van de considerans van verordening nr. 1972/2003 dienden overgangsmaatregelen te worden vastgesteld om te voorkomen dat de toetreding zou kunnen leiden tot verleggingen van het handelsverkeer die de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten nadelig beïnvloeden. In punt 3 van de considerans van die verordening is aangegeven dat het bij die verleggingen vaak gaat om producten die met het oog op de uitbreiding kunstmatig worden verplaatst en niet behoren tot de normale voorraden van de betrokken staat, maar dat overtollige voorraden ook het gevolg kunnen zijn van binnenlandse productie. Ten slotte wordt gepreciseerd dat daarom dient te worden voorzien in de heffing van afschrikkende belastingen op overtollige voorraden in de nieuwe lidstaten.
28
Artikel 4 van verordening nr. 1972/2003, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 735/2004 van de Commissie van 20 april 2004 (PB L 114, blz. 13), voorziet in een stelsel van belastingheffing over de overtollige voorraden van bepaalde landbouwproducten die op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten in het vrije verkeer zijn. Lid 1 van dit artikel geeft aan dat de nieuwe lidstaten, onverminderd bijlage IV, punt 4, bij de toetredingsakte en voor zover op nationaal niveau geen strengere wetgeving bestaat, belastingen opleggen aan de houders van dergelijke voorraden. In artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1972/2003, zoals gewijzigd, is het bedrag van de belasting vastgesteld en is bepaald dat de opbrengsten ervan worden toegewezen aan de nationale begroting van de nieuwe lidstaat in kwestie. Ten slotte bevat artikel 4, lid 5, van deze verordening een lijst, die voor elke lidstaat verschilt, van de landbouwproducten waarop de belasting van toepassing is.
29
Krachtens de bij verordening nr. 1972/2003 voorziene maatregelen zijn de houders van overtollige voorraden van andere landbouwproducten dan suiker in de nieuwe lidstaten, er dus van op de hoogte gesteld dat zij na de toetreding aan een belasting moeten worden onderworpen die evenredig is aan de door hen gehouden overtollige voorraden.
30
Hoewel de in verordening nr. 1972/2003 voorziene maatregelen niet direct zien op het wegwerken van de overtollige hoeveelheden als voorzien bij bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, bestaat er, zoals de Republiek Litouwen betoogt, een verband tussen deze maatregelen en genoemde bepaling. De heffing van de betrokken belasting verlicht immers de last van de verplichting tot het wegwerken van de overtollige hoeveelheden als bedoeld in bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte. Het bestaan van de belasting kon de marktdeelnemers van de nieuwe lidstaten ervan afschrikken om overtollige voorraden aan te leggen, hetgeen in beginsel had moeten leiden tot een vermindering van de uiteindelijke hoeveelheden die na toetreding moesten worden weggewerkt. De opbrengsten uit de belasting konden de lidstaten voorts nieuwe inkomsten verschaffen en dus de effectieve kosten van hun verplichting om de kosten van het wegwerken van de overtollige hoeveelheden te dragen, beperken.
31
Op 14 januari 2004 heeft de Commissie, eveneens op grond van artikel 2, lid 3, van het toetredingsverdrag en artikel 41, eerste alinea, van de toetredingsakte, verordening (EG) nr. 60/2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (PB L 9, blz. 8) vastgesteld.
32
In artikel 6, lid 1, van verordening nr. 60/2004, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 651/2005 van de Commissie van 28 april 2005 (PB L 108, blz. 3), is voorgeschreven dat de Commissie uiterlijk op 31 mei 2005 de hoeveelheid bepaalt van de op 1 mei 2004 op het grondgebied van elke nieuwe lidstaat aanwezige suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose en fructose die de als de normale overdrachthoeveelheid beschouwde hoeveelheid overschrijdt (hierna: „overtollige suikerhoeveelheden”). In deze bepaling is ook opgenomen hoe de Commissie deze overtollige hoeveelheden moet bepalen.
33
Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 60/2004, zoals gewijzigd, bepaalt dat elke betrokken nieuwe lidstaat ervoor zorgt dat een hoeveelheid suiker of isoglucose gelijk aan de overtollige suiker zonder interventie van de Gemeenschap wordt weggewerkt. Dit wegwerken kan uiterlijk 30 november 2005 plaatsvinden door uitvoer uit de Gemeenschap — zonder restitutie door de Gemeenschap — van deze overtollige hoeveelheid, door het gebruik ervan in de sector brandstoffen voor verwarming of door de denaturering ervan.
34
Volgens de bewoordingen van lid 3 van datzelfde artikel dient elke nieuwe lidstaat op 1 mei 2004 te beschikken over een systeem voor de identificatie, op het niveau van de belangrijkste betrokken marktdeelnemers, van de overtollige hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose of fructose, dat deze lidstaat moet gebruiken om deze marktdeelnemers ertoe te dwingen een hoeveelheid suiker of isoglucose die overeenstemt met hun individuele overtollige hoeveelheid, op eigen kosten van de markt weg te werken. Deze marktdeelnemers dienen te bewijzen dat deze wegwerking heeft plaatsgevonden. In het tegenovergestelde geval dient de nieuwe lidstaat van deze marktdeelnemers een financiële bijdrage te innen, gelijk aan de niet-weggewerkte hoeveelheid, die ten goede komt aan de nationale begroting.
35
Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 60/2004, zoals gewijzigd, schrijft voor dat de nieuwe lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 maart 2006 het bewijs moeten leveren dat de overtollige hoeveelheid suiker is weggewerkt. In lid 2 van datzelfde artikel is bepaald dat van elke betrokken nieuwe lidstaat een bedrag wordt geheven dat gelijk is aan de hoeveelheid overtollige suiker waarvoor het bewijs niet is geleverd dat deze binnen de gestelde termijn is weggewerkt. Dit bedrag wordt toegewezen aan de gemeenschapsbegroting en het wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de productieheffingen voor het verkoopseizoen 2004/2005.
36
Op 31 mei 2005 heeft de Commissie de overtollige hoeveelheid suiker in elke van de nieuwe lidstaten berekend door verordening (EG) nr. 832/2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor de nieuwe lidstaten (PB L 138, blz. 3) vast te stellen. In artikel 1 van genoemde verordening is de hoeveelheid suiker vastgesteld die van de communautaire markt moet worden weggewerkt door elk van de vijf nieuwe lidstaten waarvoor het bestaan van een overtollige hoeveelheid suiker was geconstateerd.
37
Krachtens de bij verordeningen nrs. 60/2004 en 832/2005 voorziene maatregelen moesten de vijf nieuwe lidstaten dus ervoor zorgen dat hun overtollige hoeveelheden suiker van de markt zouden worden gehaald of, in het tegenovergestelde geval, een geldbedrag aan de gemeenschapsbegroting overmaken dat in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van bepaalde productieheffingen die de producenten van de Unie moesten betalen.
Verenigbaarheid van het in de bestreden beschikking voorziene „wegwerkingsmechanisme” met bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte
Bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte
38
Bij het onderzoek van het betoog van partijen moet rekening worden gehouden met de algemene context waarbinnen de bepalingen en maatregelen voor het beheer van de overtollige hoeveelheden in het kader van de toetreding zijn vastgesteld, teneinde de vraag te beantwoorden of de methode die voor het wegwerken is voorzien in de bestreden beschikking, verenigbaar is met bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte.
39
Uit de standpunten van partijen, die hierboven zijn samengevat in de punten 19 tot en met 22, volgt dat deze met name uiteenlopen wat betreft de betekenis die moet worden gegeven aan het begrip „weggewerkt” dat is gebruikt in bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte.
40
Aangezien er op dit gebied geen definitie in het Unierecht is van wat onder „wegwerken” moet worden verstaan, moet de betekenis en de strekking van dit begrip worden bepaald met inachtneming van de algemene context waarbinnen het wordt gebruikt en in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan (arresten Hof van 27 januari 1988, Denemarken/Commissie, 349/85, Jurispr. blz. 169, punt 9; 27 januari 2000, DIR International Film e.a./Commissie, C-164/98 P, Jurispr. blz. I-447, punt 26, en 4 mei 2006, Massachusetts Institute of Technology, C-431/04, Jurispr. blz. I-4089, punt 17). Wat de landbouwproducten betreft, moet worden overwogen dat in het begrip „wegwerken”, zoals in bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte gebruikt, in de omgangstaal „vernietigd” of „van de markt gehaald” betekent.
41
Bovendien was het de bedoeling dat de landbouwproducten die op het grondgebied van de lidstaten in het vrije verkeer waren, door de markt zouden worden geabsorbeerd. Bijgevolg kan de precisering in bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte dat de overtollige hoeveelheden moeten worden weggewerkt, niet aldus worden opgevat dat daarmee absorptie van de overtollige hoeveelheden door de markt wordt bedoeld. Indien de opstellers van de toetredingsakte een verplichting voor de nieuwe lidstaten in het leven hadden willen roepen om aan de gemeenschapsbegroting een geldbedrag over te maken ter dekking van de kosten van die absorptie, zouden zij veeleer hebben aangegeven dat genoemde lidstaten aan de gemeenschapsbegroting een geldbedrag dienden over te maken dat zou worden berekend aan de hand van de omvang van hun overtollige hoeveelheden.
42
Dienaangaande moet overigens worden opgemerkt dat de Commissie in de totstandkomingsgeschiedenis of in andere documenten geen aanwijzingen heeft aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat de opstellers van de toetredingsakte bij de vaststelling van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte hebben gewild dat de Commissie een systeem kon opzetten krachtens welk de verplichting om overtollige hoeveelheden weg te werken, als bedoeld in die bijlage, kon worden opgevat als een loutere verplichting om aan de gemeenschapsbegroting een geldbedrag over te maken dat was berekend aan de hand van de omvang van deze overtollige hoeveelheden.
43
Aangaande de doelstelling van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte heeft het Gerecht geoordeeld dat deze, wat suiker betreft, het voorkomen van elke verstoring van de goede werking van de in de gemeenschappelijke marktordening in suiker voorziene mechanismen is, in het bijzonder verstoringen die doorwerken in de prijsvorming en die te wijten zijn aan de opeenstapeling van abnormale hoeveelheden suiker in de nieuwe lidstaten vóór hun toetreding tot de Unie (arrest Gerecht van 2 oktober 2009, Estland/Commissie, T-324/05, Jurispr. blz. II-3681, punt 119). Overwogen moet dus worden dat bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, mutatis mutandis, diezelfde doelstelling heeft wat de andere landbouwproducten dan suiker betreft.
44
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, zoals de Commissie doet gelden, de afzet op de interne markt van elke overtollige hoeveelheid van een landbouwproduct die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaat bevond, een weerslag kan hebben op de prijs van dit product na toetreding. Daar waar immers onder normale omstandigheden een toename van het aanbod van een product, bij gelijkblijvende vraag ernaar, impliceert dat de prijs ervan zal dalen, zal de door de producenten van de Unie ontvangen prijs na toetreding noodzakelijkerwijs lager zijn dan de prijs die zij zouden hebben ontvangen indien de overtollige hoeveelheden niet zouden zijn afgezet.
45
Het feit dat deze verstoring van de prijsvormingsmechanismen heeft plaatsgevonden, hoeft nog niet met zich mee te brengen dat de prijs van de landbouwproducten ten aanzien waarvan overtollige hoeveelheden op het grondgebied van de nieuwe lidstaten op de datum van toetreding zijn geconstateerd, na 1 mei 2004 lager is dan de prijzen die vóór die datum zijn gehanteerd. Deze kan zelfs hoger zijn. Het prijsniveau zal na de datum van toetreding eenvoudigweg lager zijn geweest dan het niveau dat had kunnen worden bereikt, zoals de Commissie terecht te kennen geeft. De argumenten van de Republiek Litouwen en de interveniërende partijen, ter onderbouwing waarvan rapporten van sommige Europese instellingen zijn overgelegd die moeten aantonen dat het op de interne markt komen van de betrokken overtollige hoeveelheden en de eventuele afzet daarvan, niet tot significante prijsdalingen of verstoringen van de landbouwmarkten hebben geleid, zijn dus irrelevant.
46
Zoals de Commissie terecht aangeeft, konden de opstellers van de toetredingsakte er niet onkundig van zijn dat de overtollige hoeveelheden die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, de prijsvormingsmechanismen vanaf 1 mei 2004 zouden kunnen verstoren, aangezien de toetredingsakte in geen enkel mechanisme voorziet waarmee kan worden gewaarborgd dat de overtollige voorraden uiterlijk 30 april 2004 volledig zouden zijn verdwenen en bijlage IV, punt 4, lid 2, bij die akte aangeeft dat de overtollige hoeveelheden vanaf die datum producten „in het vrije verkeer” waren, hetgeen impliceert dat deze producten onmiddellijk in de handel konden worden gebracht. Om het nuttig effect van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte te bewaren, moet dus worden overwogen dat het doel van deze bepaling niet alleen is om de verstoringen als gevolg van de afzet van de overtollige hoeveelheden op de interne markt te voorkomen, maar ook om de effecten daarvan te corrigeren.
47
Uit de analyse die hierboven van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte is gemaakt in het licht van de context van die bepaling en ook de bewoordingen en de doelstelling ervan, volgt dat op basis van de regelingen die de Commissie krachtens lid 4 van datzelfde punt tot uitvoering moet brengen, gewaarborgd kan worden hetzij dat verstoringen als gevolg van de afzet van deze overtollige hoeveelheden op de interne markt worden voorkomen, hetzij dat de economische gevolgen van die verstoringen worden geneutraliseerd en dat krachtens dit systeem, de overtollige hoeveelheden die zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, in beginsel van de markt worden gehaald op hun kosten, met name door uitvoer van de overtollige hoeveelheden uit de interne markt of door vernietiging van deze overtollige hoeveelheden.
48
Ten slotte moet worden overwogen dat bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, anders dan de Republiek Litouwen betoogt, niet aangeeft dat de nieuwe lidstaten gehouden zijn om de overtollige hoeveelheden zelf weg te werken en dat de Commissie in het kader van de uitoefening van de haar bij de toetredingsakte toegekende bevoegdheden op het gebied van het GLB, bij de uitvoering van de regels die bij deze akte zijn vastgesteld, in voorkomend geval gebruik zal moeten maken van een ruime beoordelingsbevoegdheid, zodat aan de rechtmatigheid van op dit gebied vastgestelde maatregelen slechts afbreuk wordt gedaan wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het doel dat de bevoegde instelling ermee nastreeft (arrest Gerecht van 2 oktober 2009, Cyprus/Commissie, T-300/05 en T-316/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 100). Het kan bijgevolg niet worden uitgesloten dat een systeem waarin de vernietiging of de uitvoer uit de interne markt van de overtollige hoeveelheden die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevinden, door de Gemeenschap wordt verzekerd en waarin de kosten van die verrichtingen vervolgens op de nieuwe lidstaten worden afgewenteld, eveneens met bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte verenigbaar is.
Bestreden beschikking
49
Opgemerkt moet worden dat het systeem voor de wegwerking van de overtollige hoeveelheden van andere landbouwproducten dan suiker als voorzien bij de bestreden beschikking, niet gebaseerd is op de vernietiging of de uitvoer uit de interne markt van deze overtollige hoeveelheden. Het gaat om een systeem waarin de overtollige hoeveelheden vanaf 1 mei 2004 definitief op de markt mogen worden gebracht. De verplichting van de nieuwe lidstaten om de kosten van het wegwerken van deze overtollige hoeveelheden te dragen is tot uitdrukking gebracht in een loutere verplichting om aan de gemeenschapsbegroting een geldbedrag over te maken, dat wordt berekend aan de hand van de omvang van deze overtollige hoeveelheden van elk landbouwproduct in kwestie. Volgens de bestreden beschikking wordt dit geldbedrag voor elk product waarvoor in het jaar voorafgaand aan de toetreding exportrestituties golden, berekend door de vastgestelde overtollige hoeveelheid te vermenigvuldigen met de gemiddelde restitutie bij uitvoer in de loop van dat jaar. Voor de producten waarvoor geen dergelijke restituties golden, werd dit geldbedrag berekend door de vastgestelde overtollige hoeveelheid te vermenigvuldigen met het verschil tussen de gemiddelde prijs van het betrokken product op de internationale markt en de gemiddelde prijs van dit product op de interne markt (zie punt 4 hierboven).
50
De bij de bestreden beschikking voorziene geldbedragen zijn dus een afspiegeling van de kosten die door de gemeenschapsbegroting hadden moeten worden gedragen, indien de Gemeenschap de uitvoer van de vastgestelde overtollige hoeveelheden uit de interne markt zou hebben gefinancierd. De bestreden beschikking voorziet echter niet in dergelijke uitvoer. Er is niet in aangegeven dat de overtollige hoeveelheden zijn uitgevoerd met behulp van communautaire financiering, waarvan de kosten door de nieuwe lidstaten zijn gedragen. Uit het dossier in de onderhavige zaak volgt niet dat deze uitvoer heeft plaatsgevonden of dat overige maatregelen voor het wegwerken van de overtollige hoeveelheden zijn genomen, en evenmin dat deze vanuit de gemeenschapsbegroting zijn gefinancierd. Ten slotte was de Commissie in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht niet in staat om nader aan te geven of de afzet van de overtollige hoeveelheden in kwestie op de interne markt, heeft geleid tot directe verliezen of kosten voor de gemeenschapsbegroting die kunnen worden beschouwd als kosten van het wegwerken van genoemde overtollige hoeveelheden.
51
Bijgevolg kunnen de bij de bestreden beschikking bedoelde geldbedragen niet worden beschouwd als een tegenprestatie of een tegemoetkoming in de kosten van bepaalde verrichtingen voor het wegwerken door de Gemeenschap. Het gaat om een loutere betalingsverplichting die ten voordele van de Gemeenschap op de nieuwe lidstaten rust.
52
Ook als de Commissie, zoals reeds opgemerkt, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de uitvoering van bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, kan zij niet uit hoofde van die bepaling een loutere betalingsverplichting ten voordele van de Gemeenschap invoeren die op de nieuwe lidstaten rust, indien deze betalingsverplichting niet kan worden aangemerkt als een financiële bijdrage ter dekking van de kosten van het wegwerken van de overtollige hoeveelheden van de interne markt.
53
Niettemin geeft de Commissie in wezen te kennen dat de bij de bestreden beschikking voorziene maatregel, de enige is die kan waarborgen dat het door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte nagestreefde doel kan worden bereikt, zodat het Gerecht zou moeten oordelen dat deze bepaling en de bestreden beschikking met elkaar verenigbaar zijn. De Commissie voert drie argumenten in die zin aan.
54
Het eerste argument dat de Commissie inroept, is dat de overtollige hoeveelheden die zich op de datum van toetreding op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, onmiddellijk door de interne markt zijn geabsorbeerd op 1 mei 2004 en dat het, daar zij mogelijk in de handel zijn gebracht of zelfs zijn verbruikt, praktisch onmogelijk is om deze na die datum van de interne markt weg te werken, door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer.
55
Dit argument berust in wezen op de premisse dat de producten die op 1 mei 2004 in de nieuwe lidstaat als overtollig zijn beschouwd, dezelfde producten waren als die welke op kosten van die lidstaat moesten worden weggewerkt krachtens bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte. Dit vooronderstelt dat er „identiteit” is tussen de producten die deel uitmaken van de voorraden die op 1 mei 2004 als overtollig zijn beschouwd en die welke deel uitmaakten van de voorraden die krachtens bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte moesten worden weggewerkt.
56
De voorraden die krachtens deze bepaling moesten worden weggewerkt, omdat zij het niveau overschreden van wat als normale overdrachthoeveelheden kon worden beschouwd, bestaan echter niet uit bepaalde producten die vanaf de toetreding identificeerbaar zijn. Het is immers onmogelijk om de voorraden van een landbouwproduct ten aanzien waarvan overtollige hoeveelheden zijn geconstateerd te onderscheiden van voorraden of de delen van de overtollige voorraden die dit niet zijn. Bijgevolg moet worden overwogen dat bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte verplicht tot het wegwerken van een hoeveelheid landbouwproducten gelijk aan die ten aanzien waarvan de overtolligheid is vastgesteld en niet bepaalde identificeerbare eenheden van deze producten. In dat verband is niet van belang dat deze gelijke hoeveelheid voor of na de toetreding is gekocht of geproduceerd.
57
De Commissie heeft voor de overtollige hoeveelheden suiker op het grondgebied van de nieuwe lidstaten op de datum van toetreding, zelf een systeem opgezet voor de wegwerking van deze overtollige hoeveelheden van de interne markt, door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer, dat niet gebaseerd is op de wegwerking van de suiker die op 1 mei 2004 als overtollig is beschouwd, maar de wegwerking van een gelijke hoeveelheid suiker, ook als die na deze datum is gekocht of geproduceerd (zie in die zin arrest Estland/Commissie, punt 43 supra, punten 168-171).
58
Zoals immers is aangegeven in de punten 32 en 33 hierboven, schrijft artikel 6, leden 1 en 2, van verordening nr. 60/2004 voor dat de Commissie de hoeveelheden bepaalt van de op 1 mei 2004 op het grondgebied van elke nieuwe lidstaat aanwezige overtollige suiker en de nieuwe lidstaten een termijn stelt om ervoor te zorgen dat een hoeveelheid suiker „gelijk” aan deze hoeveelheden zonder interventie van de Gemeenschap wordt weggewerkt door uitvoer zonder restitutie, gebruik in de sector brandstoffen of denaturering.
59
Volgens de bewoordingen van lid 3 van datzelfde artikel dient elke nieuwe lidstaat op 1 mei 2004 te beschikken over een systeem voor de identificatie, op het niveau van de belangrijkste betrokken marktdeelnemers, van de overtollige hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose of fructose, dat deze lidstaat moet gebruiken om deze marktdeelnemers ertoe te dwingen een hoeveelheid suiker of isoglucose die „overeenstemt” met hun individuele overtollige hoeveelheid, op eigen kosten van de markt weg te werken.
60
Bijgevolg moet worden overwogen dat bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte voorziet in een systeem voor het wegwerken van de interne markt van andere landbouwproducten dan suiker, ondanks dat de overtollige hoeveelheden van deze producten die zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, onmiddellijk na die datum door de interne markt kunnen zijn geabsorbeerd.
61
Het eerste door de Commissie aangevoerde argument om aan te tonen dat de bij de bestreden beschikking voorziene maatregel de enige is die kan waarborgen dat het door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte nagestreefde doel wordt bereikt, moet dus worden verworpen.
62
Het tweede argument dat de Commissie met dat doel aanvoert, is dat de organisatie van een systeem voor het wegwerken van overtollige hoeveelheden van andere landbouwproducten dan suiker van de interne markt, door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer, buitensporig duur en moeilijk realiseerbaar zou zijn, omdat het om een eenmalige operatie gaat waarvoor complexe mechanismen voor inventarisatie, voortgangsbewaking en controle van de bestaande voorraden moeten worden opgezet en omdat het aantal producenten te hoog is om deze overtollige hoeveelheden in de praktijk te kunnen identificeren. Deze kenmerken verschillen van die van de suikermarkt. Op die laatste markt, die zeer geconcentreerd en gereguleerd is, is het aantal producenten beperkt en zijn er permanente controlemechanismen voor de hoeveelheden suiker die in elk verkoopseizoen worden geproduceerd en ook mechanismen voor de fysieke verwijdering van de hoeveelheden die zijn geproduceerd boven de quota die krachtens de reguleringsinstrumenten voor genoemde markt zijn toegestaan.
63
Dienaangaande moet worden overwogen dat de hoge kosten van een maatregel die krachtens een bepaling van primair recht, zoals bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, moet worden genomen, niet tot de conclusie kan leiden dat genoemde maatregel niet geschikt is om te waarborgen dat het door die bepaling nagestreefde doel wordt bereikt en nog minder tot de conclusie dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij voorziet in de vaststelling van een andere maatregel.
64
Het is juist dat de handelingen van instellingen van de Unie volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene Unierechtelijke beginselen, niet buiten de grenzen mogen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie arrest Hof van 11 juni 2009, Agrana Zucker, C-33/08, Jurispr. blz. I-5035, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien dus met twee verschillende maatregelen het doel dat wordt nagestreefd door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte zou kunnen worden bereikt, moet de Commissie de minst dure maatregel vaststellen. Dit neemt niet weg dat deze maatregel in ieder geval met de bepaling zelf verenigbaar moet zijn.
65
Op het punt van de praktische onmogelijkheid om een systeem voor het wegwerken van de interne markt van de overtollige hoeveelheden van andere landbouwproducten dan suiker op te zetten, is de enige omstandigheid waarop de Commissie zich beroept dat de markten voor de andere landbouwproducten dan suiker gefragmenteerd zijn wat de marktdeelnemers betreft. Niets wijst erop dat de Commissie niet in weerwil van deze fragmentatie had kunnen waarborgen dat de overtollige hoeveelheden van deze producten die zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, van de interne markt zouden worden weggewerkt, door te voorzien in een systeem krachtens welk de betrokken lidstaat zijn verplichting tot wegwerking zou kunnen nakomen door een hoeveelheid gelijk aan de overtollige hoeveelheid aan te kopen en die vervolgens door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer weg te werken. Deze hoeveelheid had in voorkomend geval tegen de communautaire marktprijs kunnen worden aangekocht bij de handelaren in de betrokken lidstaat of bij andere marktdeelnemers binnen de Gemeenschap (zie in dit verband arrest Estland/Commissie, punt 43 supra, punt 178).
66
In diezelfde zin moet worden opgemerkt dat de nieuwe lidstaten krachtens artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1972/2003, zoals gewijzigd, gehouden waren een inventaris op te stellen van de voorraden van andere landbouwproducten dan suiker die zich op 1 mei 2004 op hun grondgebied bevonden en de Commissie uiterlijk op 31 oktober 2004, met uitzondering van de hoeveelheden in de openbare voorraden als bedoeld in artikel 5 van diezelfde verordening, de hoeveelheden producten mede te delen die zich in de overtollige voorraden bevonden. De Commissie legt niet uit waarom deze inventaris, die zij mogelijk heeft geacht bij de vaststelling van verordening nr. 1972/2003, de nieuwe lidstaten niet de mogelijkheid zou hebben geboden om te waarborgen dat een substantieel deel van de overtollige hoeveelheden die hun marktdeelnemers in bezit hadden, zou worden weggewerkt.
67
Het tweede door de Commissie aangevoerde argument om aan te tonen dat de bij de bestreden beschikking voorziene maatregel de enige is die kan waarborgen dat het door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte nagestreefde doel wordt bereikt, moet dus worden verworpen.
68
Het derde argument dat de Commissie met dat doel aanvoert is dat de overtollige hoeveelheden die zich op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking reeds door de interne markt waren geabsorbeerd en dat zij dus reeds lang het prijsvormingsmechanisme voor de landbouwproducten nadelig hadden beïnvloed. De Commissie betoogt dus dat zij de nieuwe lidstaten na de toetreding slechts om een compensatie gelijk aan de toegebrachte schade kon verzoeken.
69
Met dit argument beweert de Commissie in werkelijkheid dat met een systeem voor het wegwerken van de overtollige hoeveelheden van de interne markt, door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer, niet de doelstelling zou kunnen worden bereikt die wordt nagestreefd door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte, zoals gedefinieerd in de punten 43 tot en met 46 hierboven, en dat de bij de bestreden beschikking voorziene maatregel dit doel wel kan bereiken.
70
Anders dan de Commissie betoogt, draagt het wegwerken van de overtollige hoeveelheden van de interne markt, door vernietiging of ongesubsidieerde uitvoer, bij tot het corrigeren van de economische verstoringen als gevolg van het bestaan van de overtollige hoeveelheden op het grondgebied van de nieuwe lidstaten op de datum van toetreding, zelfs nadat deze overtollige hoeveelheden op de markt zijn afgezet. Het wegwerken van de overtollige hoeveelheden kan immers aanleiding geven tot een stijging van de vraag naar de betrokken landbouwproducten op de interne markt en derhalve het negatieve effect van het bestaan van deze overtollige hoeveelheden op de stabiliteit van de betrokken markten, geheel of ten dele neutraliseren (zie, wat de suikermarkt aangaat, arrest Estland/Commissie, punt 43 supra, punt 178; zie ook, wat de andere landbouwproducten aangaat, de conclusie van advocaat-generaal Mischo bij het arrest van het Hof van 15 januari 2002, Weidacher, C-179/00, Jurispr. blz. I-501, I-505, punt 55).
71
Bijgevolg kan met de invoering, na toetreding, van een systeem voor het wegwerken van de interne markt, door vernietiging of door ongesubsidieerde uitvoer, van de overtollige hoeveelheden die zich op 1 mei 2004 op het grondgebied van de nieuwe lidstaten bevonden, de doelstelling worden bereikt die door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte wordt nagestreefd, in tegenstelling tot wat de Commissie doet gelden.
72
Het is juist dat niet kan worden uitgesloten dat de loutere betaling van een geldbedrag door de nieuwe lidstaten eveneens in bepaalde omstandigheden een correctie kan zijn op de verstoringen van de prijsvormingsmechanismen die zijn veroorzaakt door het opbouwen van abnormale voorraden op het grondgebied van deze lidstaten vóór de toetreding en dus kan waarborgen dat het door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte nagestreefde doel wordt bereikt. De betaling van dit bedrag kan inderdaad het economisch verlies compenseren dat de marktdeelnemers hebben geleden, omdat zij geconfronteerd zijn met lagere prijzen dan die welke normaliter hadden kunnen worden behaald. Deze betaling kan ook de maatregelen tot stabilisatie van de betrokken markten financieren.
73
De loutere overmaking van de bij de bestreden beschikking voorziene geldbedragen aan de gemeenschapsbegroting kan echter niet waarborgen dat de marktdeelnemers die onder de economische gevolgen van de afzet van de overtollige hoeveelheden hebben geleden, gecompenseerd worden en kan ook geen enkele weerslag hebben op het prijsniveau voor de landbouwproducten na toetreding.
74
Ook als, zoals de Commissie betoogt, de kosten voor de stabilisatiemechanismen voor de landbouwproducten noodzakelijkerwijs vanuit de gemeenschapsbegroting worden gefinancierd, is er geen enkel automatisch, laat staan direct, verband tussen de invoering van een aanvullende bijdrage door de nieuwe lidstaten aan de gemeenschapsbegroting en de instelling van nieuwe stabilisatiemechanismen of de versterking van de bestaande mechanismen.
75
Ten slotte is het juist dat niet kan worden uitgesloten dat een verplichting voor de nieuwe lidstaten om een geldbedrag aan de gemeenschapsbegroting over te maken, in het kader van een systeem voor het fysiek wegwerken van de overtollige hoeveelheden kan worden beschouwd als een aanvullend mechanisme, dat onmisbaar is om ervoor te zorgen dat de meerkosten die moet worden gemaakt om de eventuele verstoringen van de landbouwmarkten op te vangen, veroorzaakt door overtollige hoeveelheden die niet overeenkomstig de regels van dit systeem van de interne markt zijn weggewerkt, ten laste komen van de betrokken lidstaten, en niet de begroting of de communautaire producenten (zie in die zin arrest Estland/Commissie, punt 43 supra, punt 180).
76
Een dergelijk aanvullend mechanisme is door de Commissie voorzien wat suiker betreft, door vaststelling van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 60/2004, zoals gewijzigd, krachtens welk de nieuwe lidstaten, wanneer zij de Commissie niet het bewijs konden leveren dat de vastgestelde hoeveelheid overtollige suiker was weggewerkt, een geldbedrag aan de gemeenschapsbegroting moesten overmaken, dat in aanmerking werd genomen voor de berekening van de productieheffingen voor het verkoopseizoen 2004/2005.
77
De bij de bestreden beschikking bedoelde geldbedragen vormen echter niet een dergelijk aanvullend mechanisme. De verplichting om deze geldbedragen over te maken komt integendeel in de plaats van de wegwerking van de betrokken overtollige hoeveelheden van de interne markt en is het enige „wegwerkingsmechanisme” dat bij de bestreden beschikking is voorzien. Zoals reeds is aangegeven, levert deze verplichting op zichzelf beschouwd geen enkel direct voordeel voor de communautaire producenten op.
78
Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat het derde door de Commissie aangevoerde argument om aan te tonen dat de bij de bestreden beschikking voorziene maatregel de enige is die kan waarborgen dat het door bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte nagestreefde doel wordt bereikt, moet worden verworpen.
79
Uit een en ander volgt dat de bij de bestreden beschikking ingevoerde verplichting voor de nieuwe lidstaten tot betaling van een geldbedrag aan de gemeenschapsbegroting, onverenigbaar is met bijlage IV, punt 4, lid 2, bij de toetredingsakte. Deze maatregel mocht derhalve niet op grond van bijlage IV, punt 4, lid 4, bij die akte worden vastgesteld. Het eerste middel slaagt derhalve voor zover het is ontleend aan een schending van die bepalingen.
80
Bijgevolg moet de bestreden beschikking nietig worden verklaard, overeenkomstig de hoofdvordering van de Republiek Litouwen, zonder dat de overige door haar aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Kosten
81
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Litouwen te worden verwezen in de kosten.
82
Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van datzelfde Reglement dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Gelast moet dus worden dat de Slowaakse Republiek en de Republiek Polen hun eigen kosten zullen dragen.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Beschikking 2007/361/EG van de Commissie van 4 mei 2007 houdende vaststelling van overtollige voorraden landbouwproducten, met uitzondering van suiker, en de financiële consequenties van het wegwerken daarvan, in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, wordt nietig verklaard.
2)
De Europese Commissie wordt, naast in haar eigen kosten, in die van de Republiek Litouwen verwezen.
3)
De Slowaakse Republiek en de Republiek Polen zullen hun eigen kosten dragen.
Truchot
Martins Ribeiro
Kanninen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 maart 2012.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Litouws.
Full & Egal Universal Law Academy