ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
20 mei 2009 ( *1 )
„Gemeenschapsmerk — Aanvragen voor gemeenschapswoordmerken P@YWEB CARD en PAYWEB CARD — Absolute weigeringsgrond — Ten dele geen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94”
In de gevoegde zaken T-405/07 en T-406/07,
Caisse fédérale du Crédit mutuel Centre Est Europe (CFCMCEE), gevestigd te Straatsburg (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Greffe, J. Schouman en L. Paudrat, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door A. Folliard-Monguiral als gemachtigde,
verweerder,
betreffende beroepen tegen de beslissingen van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 10 juli 2007 (zaak R 119/2007-1) respectievelijk 12 september 2007 (zaak R 120/2007-1) inzake aanvragen tot inschrijving van de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD als gemeenschapsmerken,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi (rapporteur), kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de op 14 november 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften,
gezien de beschikking van 10 januari 2008 tot voeging van de zaken T-405/07 en T-406/07,
gezien de op 1 februari 2008 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
na de terechtzitting op 3 december 2008,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 1 juni 2004 heeft verzoekster, Caisse fédérale du Crédit mutuel Centre Est Europe (CFCMCEE), bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) twee gemeenschapsmerkaanvragen ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd. De inschrijvingsaanvragen betreffen de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD. De waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd, behoren tot de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.
2
Bij beslissingen van 5 en 7 december 2006 heeft de onderzoeker op grond van artikel 7, lid 1, sub b en c, en lid 2, van verordening nr. 40/94 inschrijving van de aangevraagde merken geweigerd voor alle betrokken waren en diensten. Deze waren en diensten zijn voor elke klasse omschreven als volgt:
—
klasse 9: fotografische, cinematografische, sein- en controle- (inspectie-)toestellen en -instrumenten, apparaten voor het opnemen, het overbrengen en het weergeven van geluid of beeld; schijfvormige geluidsdragers, elektronische agenda’s, verkoopautomaten, videobanden, automaten voor afgifte van kaartjes, tickets, rekeningoverzichten, rekeningafschriften, camera’s (filmapparaten), videocamera’s, geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering, videocassettes, cd-roms, streepjescodelezers, compact discs (audio-video), optische compact discs, valsgelddetectors, floppydisks, magnetische gegevensdragers, optische gegevensdragers, videoschermen, gegevensverwerkende apparatuur, intercommunicatieapparatuur, interfaces voor computers, lezers (informatica), software (geregistreerd), monitors (computerprogramma’s), computers, computerrandapparatuur, geregistreerde computerprogramma’s, opgenomen computerbesturingsprogramma’s, radiotelefonische toestellen, ontvangers (geluid en beeld), telefoontoestellen, televisietoestellen, vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen, tijdopnametoestellen, transmittoren (telecommunicatie), processors (centrale verwerkingseenheden);
—
klasse 36: makelaardij in onroerend goed, ongevallenverzekering, factoring, bankzaken, financiële zaken, monetaire zaken, kredietverstrekking, incassodiensten, financiële analyse, verzekering, leasing, waardering (schatting) van onroerende goederen, uitgifte van waardebonnen, voorzieningsfonds, kapitaalvorming, -investering en -belegging, creditcarddiensten, debetkaartdiensten, borgstellingen (garanties), wisseltransacties, controle van cheques, uitgifte van reischeques, adviesverlening in financiële zaken, verzekeringsmakelaardij, makelaardij in onroerende goederen, beursmakelaardij, krediet, bewaarhouding van waardepapieren, bewaarhouding in brandkluizen, spaardiensten, financiële schattingen en expertises (verzekeringen, banken, onroerende goederen), trustdiensten, financieringsdiensten, financiële informatie (verzekeringen, banken, onroerende goederen), geldinvesterings- en beleggingsdiensten, elektronische geldoverdrachten, vermogensbeheer, financiële informatie, invordering van huurgelden, ziekteverzekering, maritieme verzekering, leningen op pand, financiële verrichtingen, monetaire verrichtingen, sponsoring, leningen (financiën), financiële transacties, levensverzekering, beheer van effectenrekeningen, online financiële-informatiediensten, interactieve financiële-informatiediensten via computer, met uitzondering van alle diensten die in de merkaanvragen zijn aangeduid als diensten betreffende de gezondheidszorg en de medische technologie door derde betalers;
—
klasse 38: telecommunicatie, nieuwsdiensten in het bijzonder in de banksector, communicatie via computerterminal, communicatie via radio, communicatie via telefoon, verzending van ijlboodschappen, overbrenging van ijlboodschappen, uitzending van televisieprogramma’s, uitzending van radioprogramma’s, televisie-uitzendingen, telecommunicatie-informatie, verhuur van telecommunicatieapparaten, verhuur van apparaten voor het verzenden van berichten, verhuur van telefoontoestellen, e-maildiensten, verzenden van berichten, verzenden van berichten en beelden via computer, mobilofoondiensten, transmissie via satelliet, telefoondiensten, overbrenging van informatie via internet, intranet en extranet, interactieve overbrenging van informatie via computer, overbrenging van informatie van databanken, internationale gegevenstransmissie tussen computersystemen in een netwerk, online informatietransmissie, met uitzondering van alle diensten die in de merkaanvragen zijn aangeduid als diensten betreffende de gezondheidszorg en de medische technologie door derde betalers.
3
Op 16 januari 2007 heeft verzoekster tegen de beslissingen van de onderzoeker beroep ingesteld op grond van de artikelen 57 tot en met 62 van verordening nr. 40/94.
4
Bij beslissing van 10 juli 2007 in zaak R 119/2007-1 (zaak T-405/07) en bij beslissing van 12 september 2007 in zaak R 120/2007-1 (zaak T-406/07) (hierna: de „bestreden beslissingen”) heeft de eerste kamer van beroep van het BHIM de door verzoekster ingestelde beroepen verworpen.
5
De kamer van beroep heeft de bestreden beslissingen gesteund op de vaststelling, zakelijk weergegeven, dat het relevante publiek in casu bestaat uit de gemiddelde Europese consument die de Engelse taal begrijpt. De termen „p@y” en „pay” (betalen) kunnen in verband worden gebracht met internet en de informaticasector, aangezien de gemiddelde consument het gewoon is internet te gebruiken en elektronisch te betalen om aankopen op afstand te verrichten (punten 15 en 16 van de bestreden beslissingen). De directe en onmiddellijk waarneembare verwijzing door deze consument naar internet, e-commerce en elektronische telecommunicatie in het algemeen wordt versterkt door het typografische teken „@” in het teken P@YWEB CARD (punten 15 en 16 van de bestreden beslissing in zaak T-405/07). Met betrekking tot de term „web” heeft de kamer van beroep opgemerkt dat deze term een gangbare aanduiding is van internet in zijn geheel. Gelet op de waren en diensten waarvoor inschrijving van de merken is aangevraagd, vat het relevante publiek deze term onmiddellijk op als een directe verwijzing naar internet en meer in het algemeen naar computernetwerken (punten 17 en 18 van de bestreden beslissingen). Met betrekking tot de term „card” heeft de kamer van beroep geoordeeld dat deze term veelvuldig wordt gebruikt in het computer-, financiële en bankjargon. De gemiddelde consument vat deze term op als een directe verwijzing naar creditkaarten en, meer in het algemeen, naar chipkaarten en niet als een aanduiding van de commerciële herkomst van de betrokken waren en diensten (punten 19 en 20 van de bestreden beslissingen). Bijgevolg mist elk bestanddeel waaruit de aangevraagde merken bestaan, onderscheidend vermogen voor de betrokken waren en diensten (punt 21 van de bestreden beslissingen).
6
Bovendien is de combinatie van de drie betrokken termen tot één geheel structureel niet willekeurig of ongebruikelijk en de perceptie of het begrip ervan door het relevante publiek wordt daardoor niet gewijzigd. De combinaties „p@yweb card” en „payweb card” laten immers blijken dat de betekenis van de drie termen waaruit zij bestaan, precies dezelfde is als die van de uitdrukking die bestaat uit dezelfde termen die niet naast elkaar zijn geplaatst (punten 22-24 van de bestreden beslissingen). Uit het oogpunt van het relevante publiek verschilt de structuur van deze combinaties niet merkbaar van de terminologie in het gangbare taalgebruik die de commerciële herkomst ervan kan aanduiden (punt 25 van de bestreden beslissingen).
7
Met betrekking tot de betekenis van de drie bestanddelen van de betrokken tekens heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de gemiddelde consument, die dagelijks omgaat met internet- en chiptechnologie, wordt verondersteld het verband tussen, enerzijds, deze technologie en de daarop betrekking hebbende waren en diensten, en, anderzijds, de in het computer- en e-commercejargon gangbare termen „pay” of „p@y”, „web” en „card” onmiddellijk te begrijpen (punt 27 van de bestreden beslissingen). De combinatie van deze drie elementen, in associatie met de betrokken waren en diensten, wordt door het relevante publiek dus opgevat als een aanduiding van een kaart die kan dienen om aankopen te verrichten via internet en meer in het algemeen met de nieuwe elektronische informatie- en communicatietechnologieën (punt 28 van de bestreden beslissingen).
8
Zo moeten de aangevraagde merken de consument er hoofdzakelijk toe aanzetten de betrokken waren aan te kopen en de betrokken diensten te gebruiken om met een kaart online te kunnen betalen. Het gaat hier om de „fotografische, cinematografische, sein- en controle- (inspectie-)toestellen en -instrumenten, apparaten voor het opnemen, het overbrengen en het weergeven van geluid of beeld; schijfvormige geluidsdragers, elektronische agenda’s, verkoopautomaten, videobanden, automaten voor afgifte van kaartjes, tickets, rekeningoverzichten, rekeningafschriften, camera’s (filmapparaten), videocamera’s, videocassettes, cd-roms, streepjescodelezers, compact discs (audio-video), optische compact discs, valsgelddetectors, floppydisks, optische gegevensdragers, videoschermen, gegevensverwerkende apparatuur, intercommunicatie-apparatuur, interfaces voor computers, lezers (informatica), software (geregistreerd), monitors (computerprogramma’s), computers, computerrandapparatuur, geregistreerde computerprogramma’s, opgenomen computerbesturingsprogramma’s, radiotelefonische toestellen, ontvangers (geluid en beeld), telefoontoestellen, televisietoestellen, tijdopnametoestellen, transmittoren (telecommunicatie), processors (centrale verwerkingseenheden)” van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice. Al deze waren hebben als specifieke en noodzakelijke functie te zorgen voor de realisatie van de telecommunicatiediensten en bank- en financiële diensten die onontbeerlijk zijn om online betalingen uit te voeren (punten 30 en 31 van de bestreden beslissingen).
9
Bovendien kunnen de aangevraagde merken, in hun geheel beschouwd, dienen tot aanduiding van zowel de soort als het doel van „magneetkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering, magnetische gegevensdragers, vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen” van dezelfde klasse. Volgens de kamer van beroep gaat het om chipkaarten voor gebruik als betaalmiddel via internet. Voorts hebben deze waren als specifieke functie te zorgen voor de realisatie van de door verzoekster online aangeboden communicatiediensten en informatieverstrekking, die onontbeerlijk zijn om aankopen op afstand te verrichten. Uit het oogpunt van het relevante publiek bestaat er dus een rechtstreeks en concreet verband tussen de aangevraagde merken en deze waren (punten 32 en 33 van de bestreden beslissingen).
10
Dat de aangevraagde merken voor de diensten van de klassen 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice louter een informatieve en verkoopsbevorderende functie vervullen, staat eraan in de weg dat het relevante publiek deze merken opvat als een aanduiding van de commerciële herkomst van deze diensten. Zij hebben alle tot hoofd- of nevendoel diensten van elektronische telecommunicatie, waaronder de via internet aangeboden diensten, alsmede online diensten in de bank-, financiële en verzekeringssector (punt 34 van de bestreden beslissingen). Met betrekking tot de diensten van klasse 36 heeft de kamer van beroep vastgesteld dat de aangevraagde merken een duidelijke informatieve boodschap overbrengen, namelijk dat de informatie en de transacties in verband met de betrokken diensten op afstand verkrijgbaar en realiseerbaar zijn dankzij een betaalkaart die met internet of met een computernetwerk in het algemeen verbonden is. Aangezien de diensten van klasse 38 betrekking hebben op elektronische procedés voor informatietransmissie, vertonen zij bovendien een rechtstreeks verband met de werking en het gebruik van internet en, meer in het algemeen, de nieuwe informatietechnologieën (punten 35 en 36 van de bestreden beslissingen).
11
Hieruit vloeit voort dat de aangevraagde merken, in hun geheel beschouwd, hoofdzakelijk worden opgevat als een commerciële aanbiedingsvorm van de betrokken waren en diensten en dat zij als voornaamste, zoniet uitsluitende, functie hebben de betrokken consument erop te wijzen dat hij te maken heeft met een waar of dienst waarmee hij door middel van een kaart online betalingen kan uitvoeren (punt 37 van de bestreden beslissingen).
12
De kamer van beroep heeft daaruit geconcludeerd dat de onderzoeker terecht heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inschrijving van de aangevraagde merken verhindert. Daarom behoefde volgens de kamer van beroep geen uitspraak te worden gedaan over eventuele toepassing van artikel 7, lid 1, sub c, van deze verordening (punten 39 en 40 van de bestreden beslissingen).
Conclusies van de partijen
13
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
de bestreden beslissingen te vernietigen;
—
het aangevraagde merk in te schrijven voor alle waren en diensten van de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
14
Ter terechtzitting heeft verzoekster op een vraag van het Gerecht geantwoord dat zij alleen vernietiging van de bestreden beslissingen vorderde en afstand deed van haar tweede vordering, hetgeen is genoteerd in het proces-verbaal van de terechtzitting.
15
Het BHIM concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. Argumenten van de partijen
16
Verzoekster voert een enkel middel aan: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94.
17
In de eerste plaats stelt verzoekster, zakelijk weergegeven, dat de term „pay” of „p@y” verwijst naar het Franse werkwoord „payer” (betalen) en geen verband houdt met internet of de informaticasector. Het bestanddeel „p@y” in het teken P@YWEB CARD is bovendien ongebruikelijk en verrassend wegens het apenstaartje.
18
In de tweede plaats voert verzoekster met betrekking tot de term „web” aan dat het Engelstalige publiek deze term voornamelijk opvat als een rag, een wirwar van webben of een verstrengeling en, bij analogie, als een complex samenstel of netwerk van verbindingen en vertakkingen, en niet als een rechtstreekse verwijzing naar internet of computernetwerken. De term „web” kan alleen met internet of andere telecommunicatienetwerken worden geassocieerd als afkorting van de uitdrukking „world wide web” en wordt in dat geval altijd voorafgegaan door het bepaalde lidwoord „the”.
19
In de derde plaats betoogt verzoekster dat de term „card” in eerste instantie doelt op een stuk papier of karton en door de consument niet wordt opgevat als een verwijzing naar de informatica-, bank of financiële sector.
20
In de vierde plaats stelt verzoekster met betrekking tot de ongebruikelijke combinatie „payweb” of „p@yweb”, waarvan de twee bestanddelen niet tot hetzelfde domein behoren en verschillende begrippen oproepen, dat deze combinatie voor de Engelstalige consument van de betrokken waren en diensten geen directe, vaste en onmiddellijk herkenbare betekenis heeft en dus onderscheidend vermogen bezit. Datzelfde geldt voor de combinatie van de bestanddelen „pay” of „p@y”, „web” en „card” in haar geheel, die een grondige analyse vereist en niet de syntactische regels van de Engelse taal volgt.
21
Bijgevolg vormen de aangevraagde merken als gevolg van de ongebruikelijke en speciale verbinding van de termen „pay” of „p@y”, „web” en „card” willekeurige combinaties tot aanduiding van de betrokken waren en diensten en hebben zij geen duidelijk en onmiddellijk herkenbare betekenis. De kamer van beroep is immers pas na een ingewikkelde redenering tot haar conclusie gekomen en de redelijk oplettende gemiddelde consument volgt deze ingewikkelde redenering niet. Aangezien de aangevraagde merken voor het relevante publiek geen directe, vaste en onmiddellijk herkenbare betekenis hebben, kunnen zij niet worden beschouwd als een beschrijving van de betrokken waren en diensten of van een van de eigenschappen ervan en bezitten zij voor deze waren of diensten onderscheidend vermogen.
22
Met betrekking tot de waren van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice, zoals bedoeld in punt 8 supra, is de stelling van de kamer van beroep dat al deze waren als specifieke en noodzakelijke functie hebben te zorgen voor de realisatie van de telecommunicatiediensten en bank- en financiële diensten die onontbeerlijk zijn om online betalingen te verrichten, volgens verzoekster kennelijk onjuist. Wat deze waren betreft, worden de aangevraagde merken door het relevante publiek niet opgevat als een aanduiding van de commerciële herkomst ervan. Pas na een ingewikkelde redenering, die de redelijk oplettende gemiddelde consument niet volgt, is de kamer van beroep tot de conclusie kunnen komen dat de aangevraagde merken voor de betrokken waren en diensten onderscheidend vermogen missen.
23
Met betrekking tot de overige waren van klasse 9, zoals bedoeld in punt 9 supra, is verzoekster om de in de punten 21 en 22 supra uiteengezette redenen in wezen van mening dat de beoordeling van de kamer van beroep eveneens kennelijk onjuist is. Ten slotte voert verzoekster om vergelijkbare redenen aan dat ook de beoordeling van de kamer van beroep betreffende de diensten van de klassen 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice kennelijk onjuist is.
24
Op basis van deze overwegingen concludeert verzoekster dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen bezitten voor alle betrokken waren en diensten en deze waren en diensten niet beschrijven.
25
Het BHIM concludeert tot verwerping van de beroepen in wezen op grond van het feit dat de aangevraagde merken, in hun geheel beschouwd, worden opgevat als een betaalkaart voor elektronische transacties via internet en daarnaast als een kaart die tegen betaling toegang tot internet verleent.
26
Met betrekking tot de eerste betekenis stelt het BHIM dat de tekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD een directe beschrijving vormen van het soort en/of het doel van de magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering alsmede van de geheugenkaarten of kaarten met microprocessor en van de magneetkaarten van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice, aangezien zij als betaalkaart kunnen worden gebruikt. Dezelfde redenering geldt voor de creditcarddiensten en debetkaartdiensten van klasse 36 en, meer in het algemeen, voor alle door de aangevraagde merken aangeduide onroerendgoeddiensten of financiële diensten die met name een geldoverdracht tot doel hebben. Deze betekenis beschrijft eveneens de functie van alle computerproducten van klasse 9 en van alle telecommunicatiediensten van klasse 38, die de nevenproducten of -diensten vormen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van een computerbetaalsysteem via internet.
27
Met betrekking tot de tweede betekenis voert het BHIM aan dat deze betekenis het soort en de functie van de magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie van klasse 9 beschrijft, want met deze waren kan een internetgebruiker worden geïdentificeerd teneinde de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie of van de via internet verrichte transacties te waarborgen. Hetzelfde geldt voor de magnetische gegevensdragers en voor de optische gegevensdragers van dezelfde klasse, aangezien deze dragers als kaart kunnen bestaan en tegen betaling toegang tot internet kunnen verlenen. Deze betekenis beschrijft eveneens de functie van de telecommunicatiediensten van klasse 38.
28
De aangevraagde merken beschrijven een functie van al deze diensten, met als gemeenschappelijk kenmerk de ontvangst of transmissie (tegen betaling) van informatie via internet. Het betreft de communicatie via radio, de uitzending van televisieprogramma’s, de uitzending van radioprogramma’s, televisie-uitzendingen, mobilofoondiensten, transmissie via satelliet, telefoondiensten, aangezien het bekend is dat via internet radio- en televisie-uitzendingen kunnen worden ontvangen en telefoongesprekken kunnen worden gevoerd.
29
Volgens het BHIM worden de aangevraagde merken bijgevolg opgevat als een aanduiding van de soort, het doel en/of de werking van de betrokken waren en diensten, en niet als een verwijzing naar de commerciële herkomst ervan. Geen enkel bestanddeel ervan maakt het het relevante publiek mogelijk om deze merken gemakkelijk en onmiddellijk te onthouden als merken met onderscheidend vermogen voor deze waren en diensten.
2. Beoordeling door het Gerecht
Kort overzicht van de wettelijke grondslagen en van de relevante rechtspraak
30
Overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 wordt inschrijving geweigerd van „merken die elk onderscheidend vermogen missen”.
31
Het begrip algemeen belang dat ten grondslag ligt aan artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94, valt samen met de wezenlijke functie van het merk, die daarin is gelegen dat aan de consument of de eindverbruiker met betrekking tot de door het merk aangeduide waren of diensten de identiteit van de oorsprong wordt gewaarborgd zodat hij deze zonder gevaar voor verwarring met waren of diensten van andere herkomst kan onderscheiden (zie in die zin arrest Hof van 8 mei 2008, Eurohypo/BHIM, C-304/06 P, Jurispr. blz. I-3297, punt 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Het onderscheidend vermogen van een merk in de zin van deze bepaling houdt dus in dat het merk zich ertoe leent de waar of de dienst waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, als afkomstig van een bepaalde onderneming te identificeren en dus deze waar of dienst van die van andere ondernemingen te onderscheiden (arrest Hof van 29 april 2004, Henkel/BHIM, C-456/01 P en C-457/01 P, Jurispr. blz. I-5089, punt 34). Daartoe is niet vereist dat het merk precieze informatie over de identiteit van de producent van de waar of van de dienstverrichter verstrekt. Het volstaat dat het relevante publiek dankzij het merk de daardoor aangeduide waar of dienst kan onderscheiden van de waren of diensten met een andere commerciële herkomst en kan besluiten dat alle daardoor aangeduide waren of diensten werden geproduceerd, verkocht of geleverd onder toezicht van de houder van dit merk, die verantwoordelijk is voor de kwaliteit ervan [zie arrest Gerecht van 10 oktober 2008, Inter-IKEA/BHIM (afbeelding van laadplaat), T-387/06–T-390/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 27, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Daarentegen missen elk onderscheidend vermogen in de zin van deze bepaling de tekens die het relevante publiek niet in staat stellen om bij een latere aankoop van de betrokken waren of bij een latere opdracht voor de betrokken diensten een positieve aankoopervaring te herhalen of een negatieve te vermijden. Dat is met name het geval voor tekens die gangbaar worden gebruikt voor de verkoop van de betrokken waren of diensten. Deze tekens worden immers geacht niet geschikt te zijn om de wezenlijke functie van het merk te vervullen, die erin bestaat de herkomst van de betrokken waar of dienst te identificeren [zie in die zin arrest Gerecht van 12 maart 2008, Compagnie générale de diététique/BHIM (GARUM), T-341/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 29, en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34
Ten slotte moet het onderscheidend vermogen worden beoordeeld enerzijds met betrekking tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het merk is aangevraagd, en anderzijds uitgaande van de perceptie ervan door het relevante publiek, dat normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend is (arrest Afbeelding van laadplaat, punt 32 supra, punt 28, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Perceptie van de aangevraagde merken door het relevante publiek
Algemeen
35
Om te beginnen dient met betrekking tot de omschrijving van het relevante publiek te worden vastgesteld dat de waren en diensten van de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice, waarvoor in casu inschrijving is aangevraagd, met name betrekking hebben op elektronica, informatica, het gebruik van communicatienetwerken en netwerken voor informatie-uitwisseling, elektronische, computer- en telecommunicatietoestellen en -dragers, alsmede commerciële transacties in de financiële, bank-, verzekerings- en onroerendgoedsector, waarnaar bij alle Europese gemiddelde consumenten vraag bestaat. Aangezien de aangevraagde merken bestaan uit drie Engelstalige termen en de Engelse taal veelvuldig wordt gebruikt in de financiële, bank-, elektronica- en informaticasector waartoe voornoemde klassen behoren, heeft de kamer van beroep terecht rekening gehouden met de gemiddelde consument die Engelstalig is of een basiskennis van het Engels bezit, die in elk geval een zeer aanzienlijk deel van het relevante Europese publiek vertegenwoordigt.
36
Vervolgens dient te worden onderzocht of de kamer van beroep de betekenis van de drie bestanddelen van de aangevraagde merken, afzonderlijk en in hun geheel beschouwd, correct heeft geanalyseerd uit het oogpunt van het relevante publiek en op basis daarvan heeft kunnen concluderen dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen missen voor de waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd.
37
Volgens de rechtspraak moet bij een samengesteld woordteken rekening worden gehouden met de relevante betekenis ervan, die wordt vastgesteld op basis van alle bestanddelen ervan, en niet op basis van een van deze bestanddelen alleen [arrest Gerecht van 6 november 2007, RheinfelsQuellen H. Hövelmann/BHIM (VOM URSPRUNG HER VOLLKOMMEN), T-28/06, Jurispr. blz. II-4413, punt 32]. Bij de beoordeling of een dergelijk samengesteld merk onderscheidend vermogen bezit, mag niet alleen elk van de termen of bestanddelen afzonderlijk worden onderzocht, maar moet deze beoordeling in elk geval gebaseerd zijn op de door dat merk bij het relevante publiek opgeroepen totaalindruk en niet op het vermoeden dat elementen die afzonderlijk beschouwd onderscheidend vermogen missen, ook bij combinatie ervan dat vermogen niet kunnen hebben. De enkele omstandigheid dat elk element afzonderlijk onderscheidend vermogen mist, betekent immers nog niet dat de combinatie ervan geen onderscheidend vermogen kan hebben (arrest Eurohypo/BHIM, punt 31 supra, punt 41). Met andere woorden: om te beoordelen of een merk onderscheidend vermogen bezit, dient de door dit merk opgeroepen totaalindruk te worden onderzocht, hetgeen evenwel kan impliceren dat in eerste instantie een achtereenvolgend onderzoek van de verschillende voor dit merk gebruikte bestanddelen wordt verricht (arrest Hof van 25 oktober 2007, Develey/BHIM, C-238/06 P, Jurispr. blz. I-9375, punt 82).
38
Derhalve dient het onderzoek van de aangevraagde merken niet alleen betrekking te hebben op de verschillende bestanddelen ervan en de onderlinge verhouding tussen deze bestanddelen, maar ook op de merken in hun geheel beschouwd.
De drie bestanddelen van de aangevraagde merken en de onderlinge verhouding ertussen
39
Met betrekking tot de Engelse term „pay” of „p@y” heeft de kamer van beroep correct vastgesteld dat deze term „betalen” betekent, waarbij de vervanging van de letter „a” door het typografische teken „@” — gewoon een kleine letter „a” cursief gedrukt met een cirkel erom heen — geen merkbare invloed heeft op het begrip van deze term door de gemiddelde consument. Zoals het BHIM aanvoert, belet het feit dat dit woord in het Engels voornamelijk als werkwoord wordt gebruikt, niet dat het als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt, zoals in de combinaties „payTV” of „payphone”. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de term „pay” of „p@y” uit het oogpunt van de gemiddelde consument een sterke connotatie met het financie- en bankwezen heeft.
40
Verzoekster betwist ook ten onrechte dat er een verband bestaat tussen de term „pay” of „p@y” en de informaticasector en internet. Voor het in zaak T-405/07 aangevraagde merk ontstaat dit verband uitsluitend doordat de term „p@y” een apenstaartje bevat, hetgeen op zich doet denken aan internet en met name aan e-mails, zijnde elektronische berichten die via internet worden uitgewisseld.
41
Bovendien wordt de term „pay” of „p@y” in de aangevraagde merken gecombineerd met de termen „web” en „card”, waarbij het verband tussen de term „pay” of „p@y” en de term „web” bijzonder sterk is doordat zij tot één woord worden gesmeed. Gelet op het feit dat de term „web” een connotatie met de informaticasector heeft (zie punt 42 infra), heeft de kamer van beroep in punt 16 van de bestreden beslissingen bijgevolg terecht geconcludeerd dat het relevante publiek de term „pay” of „p@y” onmiddellijk in verband brengt met internet en elektronisch betalen, hetgeen met name het geval is bij een aankoop op afstand of toegang tegen betaling tot een communicatienetwerk.
42
Met betrekking tot de term „web” kan niet worden ingestemd met verzoeksters stelling dat deze term in wezen „rag”, „wirwar van webben” of „verstrengeling” betekent en niet voldoende verband houdt met de informaticasector of internet. Tegenwoordig behoort de term „web” tot de Engelse basiswoordenschat in verband met computers en hij bevat een verwijzing naar internet, dat een wereldwijde elektronische en computerinfrastructuur vormt, dat gemeenzaam bekend is en op grote schaal wordt gebruikt. Dit wordt bevestigd door de afkorting van domeinnamen „www”, tot aanduiding van de uitdrukking met dezelfde betekenis „world wide web”, of door uitdrukkingen zoals „surf the web”, om activiteiten als internetten aan te duiden. De kamer van beroep heeft in de punten 17 en 18 van de bestreden beslissingen bijgevolg correct vastgesteld dat de term „web” door de gemiddelde consument onmiddellijk wordt opgevat als een rechtstreekse verwijzing naar internet en, meer in het algemeen, naar computernetwerken.
43
Met betrekking tot de term „card” heeft de kamer van beroep terecht geconcludeerd dat deze term in de Engelse omgangstaal zeer vaak verwijst naar creditkaarten of debetkaarten en naar bankkaarten in het algemeen, waaronder chipkaarten (punten 19 en 20 van de bestreden beslissingen). Deze connotatie met het bank- en financiewezen dreigt niet te verdwijnen doordat de belangrijkste Engelstalige algemene woordenboeken deze term ook definiëren als een stuk papier of karton. In casu wordt deze connotatie nog bijzonder versterkt door de combinatie van de term „card” met de term „pay” of „p@y”, ook al worden deze termen in de aangevraagde merken gescheiden door een spatie.
44
Evenmin kan worden ingestemd met verzoeksters stelling dat er geen verband bestaat tussen de term „card” en de informaticasector of internet. Met name het feit dat met een kaart, desnoods tegen betaling, toegang mogelijk is tot een communicatienetwerk via een publieke of private elektronische terminal, en commerciële of financiële transacties kunnen worden verricht, of het feit dat dankzij een creditkaart waren of diensten online kunnen worden aangeschaft, zijn voor de gemiddelde Europese consument immers schering en inslag [zie in die zin arrest Gerecht van 25 november 2008, CFCMCEE/BHIM (SURFCARD), T-325/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 56 en 67].
45
Gelet op de betekenis van de term „pay” of „p@y” (betalen) en het nauwe verband met de term „web”, waaraan die term is toegevoegd, en met de term „card”, die met name duidt op een bankkaart of een creditkaart of debetkaart, kan de redelijk geïnformeerde, normaal omzichtige en oplettende gemiddelde consument deze drie verschillende bestanddelen zonder verder nadenken associëren zowel met de financiële en banksector in de ruime betekenis van het woord als met de informaticasector en internet.
Beoordeling van de aangevraagde merken in hun geheel
46
De woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD bestaan uit een hoofdsubstantief (card) en twee kwalificatiesubstantieven (pay of p@y en web). Het hoofdsubstantief is door een spatie gescheiden van de twee kwalificatiesubstantieven, die tot één woord zijn samengevoegd. Zoals de kamer van beroep in punt 24 van de bestreden beslissingen heeft vastgesteld, is de structuur van deze combinatie niet ongebruikelijk en volgt zij volledig de lexicale en syntactische regels van de Engelse taal, zoals neologismen als „payphone” of „payTV”, die met name worden gebruikt in de informatica-, elektronica-, media- en telecommunicatiesector bedoeld in de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice (zie in die zin, mutatis mutandis, arrest SURFCARD, punt 44 supra, punt 53).
47
De combinaties „p@yweb” en „payweb”, die kunnen duiden op een tegen betaling beschikbare elektronische of computerinfrastructuur alsmede op diensten die in dit verband tegen betaling worden aangeboden, kunnen uit het oogpunt van de gemiddelde consument geen ongebruikelijke of willekeurige indruk van de aangevraagde merken oproepen. Dit klemt temeer, daar aan deze combinaties de term „card” is toegevoegd, die duidt op een betaalmiddel dat kan worden gebruikt in het kader van deze infrastructuur of om deze diensten te betrekken (zie de punten 43 en 45 supra).
48
Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep in punt 24 van de bestreden beslissingen terecht heeft vastgesteld dat de combinaties „p@yweb card” en „payweb card” geen andere betekenis hebben dan de uitdrukking die bestaat uit dezelfde termen die niet zijn samengevoegd, en dat deze combinaties als zodanig dus niet ongebruikelijk of willekeurig zijn.
49
Voorts kan evenmin worden ingestemd met het argument dat verzoekster aanvoert ter ondersteuning van haar beroep in zaak T-405/07, namelijk dat het woordteken P@YWEB CARD onderscheidend vermogen bezit omdat de letter „a” is vervangen door het typografische teken „@”, hetgeen voor de gemiddelde consument ongebruikelijk en verrassend zou zijn. Begripsmatig gezien vormt het apenstaartje geen verbeeldingselement van dit merk waardoor een merkbaar verschil zou ontstaan met de terminologie die in de omgangstaal van het relevante publiek wordt gebruikt, namelijk de term „pay”. Binnen de context van internet en van de informaticasector, die hier aan de orde is gelet op de aanwezigheid van het toegevoegde woord „web”, is de gemiddelde consument immers niet ertoe geneigd bijzondere aandacht te verlenen aan het apenstaartje, waarvan de figuratieve verschijningsvorm slechts een gestileerde variant van de letter „a” is (zie punt 39 supra). Verzoekster heeft trouwens erkend dat de term „p@y” in verband kan worden gebracht met het werkwoord „pay”, dat betalen betekent.
50
Gelet op al het voorgaande moet de conclusie dus luiden dat de kamer van beroep terecht kon oordelen, zakelijk weergegeven, dat het Engelstalige relevante publiek de aangevraagde merken, zowel in hun details als in hun geheel, onmiddellijk opvatten als zijnde kaarten waarmee ofwel tegen betaling toegang tot een elektronisch of computercommunicatienetwerk zoals internet wordt verleend, ofwel elektronisch kan worden betaald voor commerciële transacties die via een dergelijk netwerk tot stand zijn gekomen.
51
Gelet op deze perceptie van de aangevraagde merken door het relevante publiek moet worden onderzocht of deze merken voldoende onderscheidend vermogen bezitten voor de verschillende betrokken waren en diensten van de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
Onderscheidend vermogen van de aangevraagde merken voor de betrokken waren en diensten
Opmerkingen vooraf
52
Vooraf zij eraan herinnerd dat inzonderheid de tekens die gangbaar worden gebruikt voor de verkoop van de betrokken waren of diensten, onderscheidend vermogen missen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94, omdat zij ongeschikt worden geacht om de wezenlijke functie van het merk te vervullen, die erin gelegen is de commerciële herkomst van de waar of de dienst te identificeren zodat de consument die de met het merk aangeduide waar of dienst aankoopt, bij een latere aankoop van de betrokken waren of bij een latere opdracht voor de betrokken diensten een positieve aankoopervaring kan herhalen of een negatieve kan vermijden (zie de in punt 32 supra vermelde rechtspraak).
53
Vervolgens zij eraan herinnerd dat de kamer van beroep met betrekking tot het soort verband dat bestaat tussen de tekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD en de betrokken waren en diensten, in de punten 30 tot en met 37 van de bestreden beslissingen in wezen heeft geoordeeld dat de gemiddelde consument de aangevraagde merken voornamelijk waarneemt als een verkoopsbevorderende commerciële aanbiedingsvorm van deze waren en diensten waardoor hij de commerciële herkomst ervan niet kan identificeren. De betrokken waren en diensten, die behoren tot de klassen 9, 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice, zijn echter zeer gevarieerd en zij behoren tot verschillende groepen en categorieën van waren en diensten.
54
Volgens de rechtspraak van het Hof betreffende de omvang van de motiveringsplicht van de nationale overheden inzake de toepassing van de weigeringsgronden van artikel 3 van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1), dat mutatis mutandis in casu van toepassing is aangezien deze bepaling in wezen hetzelfde voorschrijft als artikel 7, lid 1, van verordening nr. 40/94 [zie in die zin arresten Gerecht van 12 maart 2008, Suez/BHIM (Delivering the essentials of life), T-128/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33, en 2 april 2008, Eurocopter/BHIM (STEADYCONTROL), T-181/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42; zie eveneens arrest Develey/BHIM, punt 37 supra, punten 91 en 92], moet het onderzoek van de absolute weigeringsgronden betrekking hebben op elk van de waren of diensten waarvoor inschrijving van het merk is aangevraagd, en dient de beslissing waarbij de bevoegde autoriteit de inschrijving van een merk weigert, in beginsel voor elk van deze waren of diensten te worden gemotiveerd. Het Hof heeft gepreciseerd dat deze motiveringsplicht eveneens voortvloeit uit de essentiële eis dat elke beslissing van een nationale autoriteit waarbij een door het gemeenschapsrecht erkend recht wordt geweigerd, kan worden onderworpen aan rechterlijk toezicht dat de daadwerkelijke bescherming van dit recht dient te waarborgen, en dat zich derhalve tot de rechtmatigheid van de motivering moet uitstrekken. Wanneer evenwel dezelfde weigeringsgrond wordt ingebracht voor een categorie of een groep van waren of diensten, kan de bevoegde autoriteit volstaan met één motivering voor alle betrokken waren of diensten (arrest Hof van 15 februari 2007, BVBA Management, Training en Consultancy, C-239/05, Jurispr. blz. I-1455, punten 34-37).
55
Toch mag de mogelijkheid voor het BHIM om één algehele motivering aan te voeren voor de toepassing van een absolute weigeringsgrond op een categorie of groep van waren of diensten niet in aanvaring komen met het doel van de motiveringsplicht van artikel 253 EG en van artikel 73, eerste volzin, van verordening nr. 40/94, dat erin bestaat de weigering van inschrijving van een gemeenschapsmerk aan een daadwerkelijk rechterlijk toezicht te onderwerpen [zie in die zin arrest Gerecht van 21 november 2007, Wesergold Getränkeindustrie/BHIM — Lidl Stiftung (VITAL FIT), T-111/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 62]. Bijgevolg is het noodzakelijk dat de betrokken waren of diensten in die mate voldoende rechtstreeks en concreet onderling verbonden zijn dat zij een categorie of groep van waren of diensten vormen die voldoende homogeen is opdat het BHIM één algehele motivering kan doen gelden [zie in die zin, mutatis mutandis, arrest Gerecht van 14 december 2006, Gagliardi/BHIM — Norma Lebensmittelfilialbetrieb (MANŪ MANU MANU), T-392/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 91 en 92]. Daartoe volstaat het evenwel niet dat de betrokken waren of diensten tot dezelfde klasse in de zin van de Overeenkomst van Nice behoren, aangezien deze klassen vaak een grote verscheidenheid van waren of diensten omvatten die niet noodzakelijk in die mate voldoende rechtstreeks en concreet onderling verbonden zijn.
56
Bovendien vormt het ontbreken van of een ontoereikende motivering, hetgeen een schending van een wezenlijk vormvoorschrift oplevert, in de zin van artikel 253 EG een middel van openbare orde dat de gemeenschapsrechter ambtshalve moet opwerpen [zie arrest Gerecht van 17 april 2008, Dainichiseika Colour & Chemicals Mfg./BHIM — Pelikan (afbeelding van pelikaan), T-389/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Op basis van deze beginselen dient te worden nagegaan of de kamer van beroep voldoende heeft onderzocht of, en toereikend heeft gemotiveerd waarom, de aangevraagde merken onderscheidend vermogen missen voor de betrokken waren en diensten. Aangezien in de regel een minimum aan onderscheidend vermogen volstaat om de toepassing van de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 te blokkeren [arrest Gerecht van 13 juni 2007, IVG Immobilien/BHIM (I), T-441/05, Jurispr. blz. II-1937, punt 42], is het des te belangrijker dat het BHIM deze motiveringsplicht nakomt voor al deze waren en diensten.
Waren van klasse 9, met name „geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering”, „magnetische gegevensdragers” en „vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen”
58
De kamer van beroep heeft in de punten 32 en 33 van de bestreden beslissingen met betrekking tot de waren „geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering, magnetische gegevensdragers en vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen” van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice in wezen vastgesteld dat de aangevraagde merken, in hun geheel beschouwd, kunnen dienen tot aanduiding van zowel de soort als het doel van deze waren, aangezien deze waren „chipkaarten” zijn. Bovendien is volgens de kamer van beroep het feit dat deze waren verband houden met betalingen via internet, een kenmerk, zelfs een wezenlijke eigenschap van deze waren, die als specifieke en noodzakelijke functie hebben te zorgen voor de realisatie van online communicatie- en informatietransmissiediensten en van aankopen op afstand.
59
In de eerste plaats zij opgemerkt dat deze waren, aangezien het hier gaat om een kaart met een magneetstrook, een microprocessor of een chip waardoor registratie en overdracht van informatie mogelijk is met behulp van een (digitaal) lees- en gegevensverwerkend toestel, hetgeen niet is aangetoond voor de „magnetische gegevensdragers” (zie punten 63-65 infra), een homogene groep van waren vormen gelet op hun vergelijkbare, zelfs identieke, eigenschappen en functies. Met deze waren is het immers mogelijk om daarop geregistreerde gegevens en informatie binnen een communicatienetwerk zoals internet, een kabelnetwerk of een satellietnetwerk, over te dragen naar een dienstverlener, met name een internetprovider, een telecommunicatie- of televisieoperator, opdat hij de houder ervan en zijn toegangsrecht kan nagaan. Bovendien kan de houder van een dergelijke kaart, desnoods tegen betaling, toegang krijgen tot het betrokken telecommunicatienetwerk om andere informatie en gegevens over te dragen, te ontvangen en te registreren en om bepaalde transacties online uit te voeren, waaronder elektronisch betalen voor aankopen op afstand (zie in die zin arrest SURFCARD, punt 44 supra, punt 64). Dat geldt ook voor „vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen”, aangezien deze systemen, zoals een decoder of ontvangstbox voor televisieprogramma’s die tegen betaling worden aangeboden op een kabel- of satellietnetwerk, zijn uitgerust met zowel een kaart (vaak een „smartcard” genoemd) als een kaartlezer waardoor tegen betaling toegang tot dit netwerk wordt verleend.
60
Bijgevolg heeft de kamer van beroep in punt 33 van de bestreden beslissingen op goede grond kunnen besluiten dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD rechtstreeks en concreet verband houden met deze kaarten. Dat de beoordeling van de kamer van beroep terecht is, kan niet worden weerlegd door het loutere feit dat zij in punt 32 van de bestreden beslissingen deze waren als „chipkaarten” heeft aangemerkt, aangezien deze kaarten dezelfde kenmerken en functies kunnen hebben als magneetkaarten en zij vaak ook een magneetstrook hebben, zonder dat de gemiddelde consument noodzakelijkerwijs in staat is deze soorten kaarten alsmede hun verschillende eigenschappen en functies van elkaar te onderscheiden (zie in die zin arrest SURFCARD, punt 44 supra, punt 65).
61
Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het feit dat de kamer van beroep haar oordeel voornamelijk heeft gericht op de beschrijvende aard van de aangevraagde merken wat de eigenschappen en de functies van de betrokken waren betreft. Volgens vaste rechtspraak bestaat er immers een duidelijke overlapping tussen de respectieve werkingssfeer van de absolute weigeringsgronden van artikel 7, lid 1, sub b tot en met d, van verordening nr. 40/94, hetgeen met name impliceert dat een woordmerk dat eigenschappen van waren of diensten beschrijft, om die reden elk onderscheidend vermogen met betrekking tot diezelfde waren of diensten kan missen, onverminderd andere redenen waarom het onderscheidend vermogen kan missen (zie in die zin arrest Hof van 12 februari 2004, Campina Melkunie, C-265/00, Jurispr. blz. I-1699, punten 18 en 19, en arrest Eurohypo/BHIM, punt 31 supra, punten 54 en 69).
62
Bijgevolg dient het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 te worden afgewezen voor zover het gaat om de waren „geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering” en „vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen” van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
63
Wat in de tweede plaats de „magnetische gegevensdragers” betreft, heeft de kamer van beroep geoordeeld ten eerste in punt 32 van de bestreden beslissingen dat ook deze waren chipkaarten zijn en ten tweede in punt 33 van deze beslissingen dat deze waren als specifieke en noodzakelijke functie hebben te zorgen voor de realisatie van online communicatie- en informatietransmissiediensten die onontbeerlijk zijn voor aankopen op afstand. In zijn geschriften heeft het BHIM daaraan toegevoegd dat deze waren de vorm van een kaart kunnen aannemen en tegen betaling toegang tot internet of een ander communicatienetwerk mogelijk kunnen maken.
64
Los van de vraag of de kamer van beroep kon volstaan met deze algehele motivering, blijkt uit de in de inschrijvingsaanvraag opgegeven lijst van waren van klasse 9, die ziet op „geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten” en „magnetische gegevensdragers” als afzonderlijke waren, dat behoudens bewijs van het tegendeel dergelijke dragers doorgaans geen chipkaarten zijn en niet noodzakelijk de kenmerken en functies van deze kaarten bezitten zoals beschreven in punt 59 supra. Bijgevolg moet het BHIM aantonen dat deze dragers de vorm van een kaart kunnen aannemen, de wezenlijke eigenschappen ervan bezitten en aldus door het relevante publiek worden waargenomen, en daartoe concrete aanwijzingen geven, en zelfs concrete bewijselementen overleggen, hetgeen het BHIM niet heeft gedaan. Dit is des te noodzakelijker daar het weinig waarschijnlijk lijkt dat de gemiddelde consument de eigenschappen van een kaart kan associëren met een magnetische harde schijf of met een audiovisuele magneetband (zie in die zin arrest SURFCARD, punt 44 supra, punten 71 en 72).
65
Gelet op de betekenis die de aangevraagde merken voor het relevante publiek hebben, namelijk een betaalkaart om met name via internet elektronische transacties uit te voeren of om tegen betaling toegang tot internet te krijgen, moet worden aangenomen dat de kamer van beroep in casu niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD niet geschikt zijn om de wezenlijke functie van een merk te vervullen, die erin bestaat de commerciële herkomst van de waren „magnetische gegevensdragers” aan te duiden.
66
Bijgevolg dient het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 gegrond te worden verklaard wat laatstgenoemde waren betreft.
Overige waren van klasse 9
67
Met betrekking tot de overige waren van klasse 9, zoals opgesomd in punt 8 supra, heeft de kamer van beroep in de punten 30 en 31 van de bestreden beslissingen in wezen op algemene wijze vastgesteld dat, aangezien de aangevraagde merken de consument voornamelijk ertoe moeten aansporen om de betrokken waren aan te kopen en de betrokken diensten af te nemen om met een kaart online betalingen te kunnen uitvoeren, al deze waren als specifieke en noodzakelijke functie hebben te zorgen voor de realisatie van de telecommunicatiediensten en de bank- en financiële diensten die onontbeerlijk zijn om dergelijke betalingen uit te voeren.
68
Op basis van deze zeer algemene en vage motivering kan, gezien de grote verscheidenheid en de heterogeniteit van de in punt 8 supra opgesomde waren, waarvan de wezenlijke eigenschappen niet zijn beschreven in de bestreden beslissingen, onmogelijk worden nagegaan of er een voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen deze verschillende waren en de kaarten met de in punt 59 supra bedoelde functies en eigenschappen teneinde uit te maken of het gaat om een homogene groep van waren waarvoor één algehele motivering kan volstaan, zoals de motivering in de punten 30 en 31 van de bestreden beslissingen.
69
In de bestreden beslissingen is immers zelfs geen begin van motivering waarom volgens de kamer van beroep deze waren en de in punt 62 supra bedoelde waren toch gemeenschappelijke kenmerken vertonen waardoor zij tot een homogene groep kunnen behoren, en waarom de tekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD inzonderheid met betrekking tot deze waren onderscheidend vermogen missen. In elk geval is de zeer algemene beschrijving van hun functie, die erin bestaat te zorgen voor de realisatie van de telecommunicatiediensten en de bank- en financiële diensten die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van onlinebetalingen met een kaart, kennelijk niet relevant voor waren zoals „fotografische, cinematografische, sein- en controle- (inspectie-)toestellen en -instrumenten”, „schijfvormige geluidsdragers, elektronische agenda’s, verkoopautomaten, videobanden, automaten voor afgifte van kaartjes, tickets, rekeningoverzichten, rekeningafschriften, camera’s (filmapparaten), videocamera’s”, „videocassettes, cd-roms, streepjescodelezers, compact discs (audio-video), optische compact discs, valsgelddetectors, floppydisks” en „telefoontoestellen, televisietoestellen”, waarvan de functies en eigenschappen aanzienlijk kunnen verschillen. Het vage argument dat het BHIM ter terechtzitting heeft voorgedragen, namelijk dat deze waren, zoals een „webcam”, accessoires zijn die noodzakelijk zijn om door middel van een kaart op een computernetwerk transacties uit te voeren, kan — gesteld dat het gegrond is, hetgeen het BHIM trouwens niet heeft aangevoerd voor de overige betrokken waren van klasse 9 — geen alternatief zijn voor deze ontoereikende motivering in de bestreden beslissingen, aangezien het het BHIM niet is toegestaan in de loop van de procedure een bijkomende motivering te geven voor een beslissing die volgens artikel 253 EG ontoereikend gemotiveerd is (arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P–C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 463; zie arrest Gerecht van 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie, T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, Jurispr. blz. II-3141, punt 95, en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens in die zin arrest Gerecht van 18 januari 2005, Confédération nationale du Crédit mutuel/Commissie, T-93/02, Jurispr. blz. II-143, punt 126).
70
Bijgevolg voldoet de algehele motivering in de punten 30 en 31 van de bestreden beslissingen niet aan de vereisten van artikel 253 EG en artikel 73, eerste volzin, van verordening nr. 40/94, zoals gesteld in de in punt 54 supra vermelde rechtspraak, aangezien daardoor voor de bestreden beslissingen geen daadwerkelijk rechterlijk toezicht mogelijk is op de rechtmatigheid van het oordeel van de kamer van beroep dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen missen voor de betrokken waren van klasse 9 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
71
Overeenkomstig de in punt 56 supra vermelde rechtspraak dient bijgevolg het middel van openbare orde inzake ontoereikende motivering ambtshalve te worden opgeworpen en dienen de bestreden beslissingen op deze grond te worden vernietigd.
Diensten van de klassen 36 en 38
— Korte herhaling van de motivering van de bestreden beslissingen
72
Bij haar oordeel en haar motivering van dit oordeel in de bestreden beslissingen dat de tekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD onderscheidend vermogen missen voor de betrokken diensten van de klassen 36 en 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice heeft de kamer van beroep in punt 34 van deze beslissingen eerst op algemene wijze vastgesteld dat deze tekens louter informatief en verkoopsbevorderend zijn voor alle diensten van deze klassen, hetgeen eraan in de weg staat dat het relevante publiek deze tekens opvat als een aanduiding van de commerciële herkomst van deze diensten, die alle tot hoofd- of nevendoel diensten van elektronische communicatie, onder meer via internet, intranet of extranet, alsmede onlinediensten in de bank-, de financiële en verzekeringssector hebben.
73
Vervolgens heeft de kamer van beroep in punt 35 van de bestreden beslissingen geoordeeld dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD voor de diensten van klasse 36 een duidelijke informatieve boodschap overbrengen, namelijk dat de informatie en de transacties in verband met deze diensten op afstand verkrijgbaar en uitvoerbaar zijn dankzij een betaalkaart die met internet en meer in het algemeen met een computernetwerk verbonden is. Voor de diensten van klasse 38 heeft de kamer van beroep in punt 36 van de bestreden beslissingen vastgesteld dat deze diensten, die betrekking hebben op een geheel van procedés voor de transmissie van elektronische informatie, rechtstreeks verband houden met de werking en het gebruik van internet en, meer in het algemeen, met de nieuwe informatietechnologieën. Uit het oogpunt van de gemiddelde consument vormt het feit dat door middel van een chipkaart betalingen via dit netwerk kunnen worden uitgevoerd, een kenmerk van deze diensten.
74
Ten slotte heeft de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissingen geconcludeerd dat de aangevraagde merken, in hun geheel beschouwd, voornamelijk worden opgevat als een commerciële aanbiedingsvorm van de betrokken waren en diensten en dat zij als voornaamste, zoniet exclusieve, functie hebben de betrokken consument erop te wijzen dat hij te maken heeft met een waar of een dienst waarmee hij door middel van een kaart online betalingen kan verrichten.
— „Creditcarddiensten” en „debetkaartdiensten” van klasse 36
75
De „creditcarddiensten” en „debetkaartdiensten” van klasse 36 houden rechtstreeks verband met de in punt 62 supra bedoelde kaarten. Zoals het Gerecht heeft geoordeeld (zie in die zin arrest SURFCARD, punt 44 supra, punten 75 en 76) zijn deze diensten zeer gediversifieerd en complex. Zij omvatten de diensten die de bank die een bankkaart uitgeeft, aan haar klanten verstrekt voor het gebruik van deze kaart, eventueel, via een communicatienetwerk. Bovendien omvatten zij een groot aantal andere diverse diensten die worden verstrekt in het kader van verschillende afzonderlijke commerciële relaties, tussen de banken die de kaarten uitgeven, de beheerders van de verschillende netwerken die de verrichte betalingen moeten verrekenen, en de handelaars bij wie de klant met zijn kaart kan betalen. Deze diensten moeten dus duidelijk worden onderscheiden van de kenmerken en functies van de kaarten als zodanig, zoals beschreven in punt 59 supra, voor zover zij de commerciële bilaterale relatie tussen de bank die de kaart uitgeeft, en de consument te buiten gaan.
76
Toch heeft de kamer van beroep in punt 35 van de bestreden beslissingen weliswaar op nogal abstracte en algemene wijze, doch terecht opgemerkt dat al deze diensten een gemeenschappelijk essentieel kenmerk hebben, namelijk dat zij in wezen betrekking hebben op verrichtingen die op afstand worden uitgevoerd dankzij een betaalkaart die met internet en meer in het algemeen met een computernetwerk verbonden is; voor deze diensten brengen de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD een duidelijke informatieve boodschap over.
77
Gelet op dit gemeenschappelijk kenmerk en doel die verband houden met de informaticasector en internet, dient te worden aangenomen dat deze diensten, hoewel zij gediversifieerd en complex zijn, kunnen worden ingedeeld in een groep van voldoende homogene diensten en dat dus één algehele motivering kan gelden. Gelet op, inzonderheid, de bestanddelen „payweb” en „p@yweb” van de aangevraagde merken, die wijzen op een functie bestaande in betalingen via een elektronisch of computercommunicatienetwerk, kon de kamer van beroep eveneens op goede gronden concluderen dat de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument deze merken waarneemt als een geheel dat onlosmakelijk verbonden is met kaarten en daarop betrekking hebbende diensten waarmee hij, dankzij deze kaarten, online betalingen kan verrichten.
78
De kamer van beroep kon in punt 37 van de bestreden beslissing dus geldig oordelen dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD voornamelijk kunnen worden waargenomen als een commerciële aanbiedingsvorm van de betrokken waren en diensten voor zover zij het relevante publiek erop wijzen dat het gaat om een waar of dienst waarmee dankzij een kaart online betalingen kunnen worden verricht. Op basis van het gegeven dat uit het oogpunt van dit publiek een rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen de aangevraagde merken enerzijds en de „creditcarddiensten” en „debetkaartdiensten” van klasse 36 anderzijds, kan immers worden geoordeeld dat de functie van deze merken bestaat in de commerciële aanbiedingsvorm van deze diensten en dat zij voor deze diensten onderscheidend vermogen missen.
79
Bijgevolg heeft de kamer van beroep de bestreden beslissingen toereikend gemotiveerd en artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 juist toegepast, voor zover inschrijving van de aangevraagde merken wordt geweigerd voor „creditcarddiensten” en „debetkaartdiensten” van klasse 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
— Overige diensten van klasse 36
80
Allereerst vertonen de overige diensten van klasse 36 geen even rechtstreeks en concreet verband met de in punt 62 supra bedoelde kaarten als de „creditcarddiensten” en de „debetkaartdiensten”, aangezien achter deze diensten een grote verscheidenheid van commerciële transacties in de onroerendgoed-, verzekerings-, bank-, financiële en informaticasector schuilgaat, ofschoon deze transacties tot op zekere hoogte met elkaar verwant zijn. Voorts is het voldoende dat de aangevraagde merken uit het oogpunt van het relevante publiek verwijzen naar een bijzondere functie of eigenschap van de betrokken diensten opdat kan worden vastgesteld dat zij onderscheidend vermogen missen. Al deze diensten hebben evenwel een gemeenschappelijke eigenschap of eenzelfde doel, namelijk de uitvoering, in deze sectoren, van commerciële transacties, waaronder betaling met een kaart, eventueel elektronisch. Bijgevolg is het mogelijk deze diensten in te delen in een homogene groep van diensten zodat één algehele motivering kan gelden. De motivering in punt 35 van de bestreden beslissingen, namelijk dat de transacties betreffende de betrokken diensten op afstand verkrijgbaar en uitvoerbaar zijn dankzij een betaalkaart die met internet en meer in het algemeen met een computernetwerk verbonden is, is weliswaar summier doch toereikend om het Gerecht in staat te stellen, op dit punt een rechtmatigheidscontrole uit te oefenen.
81
Uit het oogpunt van de gemiddelde consument bestaat er immers een voldoende rechtstreeks en concreet verband tussen de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD en een bijzonder kenmerk van alle overige diensten van klasse 36, namelijk de mogelijkheid om dankzij een kaart op afstand of elektronisch betalingen te verrichten in het kader van commerciële transacties in de onroerendgoed-, verzekerings-, bank-, financiële en informaticasector. Bijgevolg kunnen deze tekens een gewone commerciële aanbiedingsvorm van deze diensten zijn en op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat zij voor deze diensten onderscheidend vermogen missen.
82
Niettemin gaat de vaststelling dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD onderscheidend vermogen missen, slechts op voor zover voor de levering van de in punt 80 supra bedoelde diensten daadwerkelijk een kaart, zoals een kaart van de ziektekostenverzekering, moet worden gebruikt. Wanneer deze diensten kunnen worden verricht zonder kaart, vertonen deze tekens, uit het oogpunt van het relevante publiek, geen voldoende rechtstreeks en concreet verband met deze diensten aangezien dat publiek een ingewikkelde redenering moet volgen om dat verband te leggen. De aangevraagde merken missen dus enkel onderscheidend vermogen voor de diensten van klasse 36 die, zoals de „creditcarddiensten” en de „debetkaartdiensten”, het gebruik van een kaart vereisen of betreffen (zie in die zin, mutatis mutandis, arrest SURFCARD, punt 44 supra, punt 82).
83
Derhalve dient te worden geconcludeerd dat de kamer van beroep de bestreden beslissingen toereikend heeft gemotiveerd en artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 juist heeft toegepast voor zover inschrijving van de aangevraagde merken wordt geweigerd voor alle betrokken diensten van klasse 36 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
— Diensten van klasse 38
84
De diensten van klasse 38, die zijn omschreven als „telecommunicatie, communicatie via computerterminal, verzending van ijlboodschappen, overbrenging van ijlboodschappen, telecommunicatie-informatie, e-maildiensten, verzenden van berichten, verzenden van berichten en beelden via computer, transmissie via satelliet, overbrenging van informatie via internet, intranet en extranet, interactieve overbrenging van informatie via computer, overbrenging van informatie van databanken, internationale gegevenstransmissie tussen computersystemen in een netwerk, online informatietransmissie”, behoren, zoals de „creditcarddiensten” en de „debetkaartdiensten” van klasse 36, tot een homogene groep van diensten die rechtstreeks verband houden met de informaticasector en met internet. Bovendien vertonen zij, uit het oogpunt van het relevante publiek, een rechtstreeks en concreet verband met de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD aangezien deze tekens duiden op met name een functie bestaande in de transmissie van gegevens via internet of een ander communicatienetwerk, bijvoorbeeld, om op afstand aankopen te verrichten dankzij een kaart van het soort dat is beschreven in punt 59 supra. Het feit dat door middel van een kaart toegang tot internet of een ander communicatienetwerk en via dit netwerk de transmissie van gegevens en andere onlinetransacties, zoals aankoop en betalingen op afstand, mogelijk zijn, vormt een gemeenschappelijk kenmerk van deze diensten. Zoals is opgemerkt in punt 60 supra, kan aan de gegrondheid van dit oordeel niet worden afgedaan door het feit alleen dat de kamer van beroep haar analyse heeft gebaseerd op „chipkaarten” (zie in die zin, mutatis mutandis, arrest SURFCARD, punt 44 supra, punten 79 en 80).
85
De kamer van beroep heeft in punt 37 van de bestreden beslissingen derhalve terecht geoordeeld dat het relevante publiek de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD waarneemt als een aanduiding van een geheel dat onlosmakelijk verbonden is met kaarten en diensten waarmee hij online betalingen kan verrichten. Bijgevolg vervullen de aangevraagde merken niet hun wezenlijke functie, die erin bestaat de commerciële herkomst van de betrokken diensten te identificeren.
86
Niettemin gaat de vaststelling dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD onderscheidend vermogen missen, slechts op voor zover voor de levering van de in punt 84 supra bedoelde diensten daadwerkelijk een kaart moet worden gebruikt. Wanneer deze diensten kunnen worden verricht zonder kaart, vertonen deze tekens, uit het oogpunt van het relevante publiek, geen voldoende rechtstreeks en concreet verband met deze diensten aangezien dat publiek een ingewikkelde redenering moet volgen om dat verband te leggen. De aangevraagde merken missen dus enkel onderscheidend vermogen voor de diensten van klasse 38 die, zoals de „creditcarddiensten” en de „debetkaartdiensten” van klasse 36, het gebruik van een kaart vereisen of betreffen.
87
Voor zover de levering van de diensten van klasse 38, zoals bedoeld in punt 84 supra, het gebruik van een kaart vereist, heeft de kamer van beroep derhalve terecht vastgesteld dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD voor deze diensten onderscheidend vermogen missen. Het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 moet dus worden afgewezen voor zover inschrijving van de aangevraagde merken voor voornoemde diensten is geweigerd.
88
Voor de overige diensten van klasse 38, namelijk „nieuwsdiensten in het bijzonder in de banksector, communicatie via radio, communicatie via telefoon, verzending van ijlboodschappen, overbrenging van ijlboodschappen, uitzending van televisieprogramma’s, uitzending van radioprogramma’s, televisie-uitzendingen, verhuur van telecommunicatieapparaten, verhuur van apparaten voor het verzenden van berichten, verhuur van telefoontoestellen, mobilofoondiensten, telefoondiensten”, is er in de bestreden beslissingen echter zelfs geen begin van motivering waarom volgens de kamer van beroep deze diensten en de in punt 84 supra bedoelde diensten tot een homogene groep behoren waarvoor één algehele motivering kan gelden, zoals de motivering in de punten 36 en 37 van deze beslissingen. Bovendien bevatten deze beslissingen evenmin een toelichting op basis waarvan kan worden nagegaan of het oordeel van de kamer van beroep dat de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD specifiek voor deze overige diensten onvoldoende onderscheidend vermogen bezitten, wel gegrond is.
89
Hoewel de motivering in punt 36 van de bestreden beslissingen — namelijk dat de diensten in kwestie betrekking hebben op een geheel van elektronische procedés voor de transmissie van informatie en rechtstreeks verband houden met de werking en het gebruik van internet en, meer in het algemeen, van de nieuwe informatietechnologieën, zodat het feit dat door middel van een chipkaart betalingen via dit netwerk kunnen worden verricht, een kenmerk van deze diensten vormt — relevant is voor de in punt 84 supra bedoelde diensten, is zij dat niet noodzakelijk voor de overige diensten van klasse 38. Uit deze algehele motivering blijkt in geen geval waarom deze diensten, gelet op de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD, uit het oogpunt van de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende consument, een voldoende rechtstreeks en concreet verband vertonen met onlinebetalingen die door middel van een kaart worden verricht.
90
Het bijkomende argument dat het BHIM in de loop van het geding heeft aangevoerd, namelijk dat bekend is dat het via internet mogelijk is om radio- en televisie-uitzendingen te ontvangen en telefoongesprekken te voeren, kan bovendien in geen geval worden aanvaard aangezien het het BHIM niet is toegestaan om in dit stadium een bijkomende motivering te formuleren als alternatief voor een beslissing die volgens artikel 253 EG ontoereikend is gemotiveerd (zie de in punt 69 supra vermelde rechtspraak).
91
Bijgevolg heeft de kamer van beroep niet toereikend gemotiveerd waarom de aangevraagde merken voor de in punt 88 supra bedoelde diensten onvoldoende onderscheidend vermogen bezitten. De algehele motivering in de punten 36 en 37 van de bestreden beslissingen voldoet niet aan de vereisten van artikel 253 EG en artikel 73, eerste volzin, van verordening nr. 40/94 aangezien op basis van deze motivering geen daadwerkelijk rechterlijk toezicht op de bestreden beslissingen mogelijk is.
92
Overeenkomstig de in punt 56 supra vermelde rechtspraak dient het middel van openbare orde inzake ontoereikende motivering ambtshalve te worden opgeworpen en dienen de bestreden beslissingen op deze grond te worden vernietigd.
Niet-aangevoerde weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94
93
Aangezien de kamer van beroep de bestreden beslissingen niet heeft gesteund op de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94, inzake het beschrijvende karakter van de aangevraagde merken (zie punt 40 van de bestreden beslissingen) en verzoekster alleen vernietiging van de bestreden beslissingen vordert (zie punt 14 supra), is toepassing van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 niet het voorwerp van het onderhavige geding, in de zin van artikel 63 van deze verordening en dus niet het voorwerp van de rechtmatigheidscontrole die de gemeenschapsrechter moet uitoefenen (zie in die zin arrest SURFCARD, punt 44 supra, punt 85, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Verzoeksters betoog in verband met het eventuele niet-beschrijvende karakter van de aangevraagde merken mist dus zijn doel en het Gerecht behoeft deze argumenten niet te onderzoeken.
95
Uit al het voorgaande volgt dat het middel inzake schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 gegrond dient te worden verklaard en dat de bestreden beslissingen dienen te worden vernietigd voor zover daarin wordt geconcludeerd dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen missen voor:
—
de waren van klasse 9, zoals bedoeld in punt 2 supra, met uitzondering van „geheugenkaarten of kaarten met microprocessor, magneetkaarten, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor identificatie, magneetkaarten of kaarten met microprocessor voor betaling, creditering of debitering, vooruitbetalingssystemen voor televisietoestellen”;
—
de diensten „nieuwsdiensten in het bijzonder in de banksector, communicatie via radio, communicatie via telefoon, verzending van ijlboodschappen, overbrenging van ijlboodschappen, uitzending van televisieprogramma’s, uitzending van radioprogramma’s, televisie-uitzendingen, verhuur van telecommunicatieapparaten, verhuur van apparaten voor het verzenden van berichten, verhuur van telefoontoestellen, mobilofoondiensten, telefoondiensten” van klasse 38.
Kosten
96
Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de bestreden beslissingen ten dele worden vernietigd en in het bijzonder verzoekster geen vordering omtrent de kosten heeft geformuleerd, dient in casu te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
De beslissingen van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 10 juli 2007 (zaak R 119/2007-1) en van 12 september 2007 (zaak R 120/2007-1) worden vernietigd voor zover daarin inschrijving van de woordtekens P@YWEB CARD en PAYWEB CARD als gemeenschapsmerken wordt geweigerd voor fotografische, cinematografische, sein- en controle- (inspectie-)toestellen en -instrumenten, apparaten voor het opnemen, het overbrengen en het weergeven van geluid of beeld; schijfvormige geluidsdragers, elektronische agenda’s, verkoopautomaten, videobanden, automaten voor afgifte van kaartjes, tickets, rekeningoverzichten, rekeningafschriften, camera’s (filmapparaten), videocamera’s, videocassettes, cd-roms, streepjescodelezers, compact discs (audio-video), optische compact discs, valsgelddetectors, floppydisks, magnetische gegevensdragers, optische gegevensdragers, videoschermen, gegevensverwerkende apparatuur, intercommunicatie-apparatuur, interfaces voor computers, lezers (informatica), software (geregistreerd), monitors (computerprogramma’s), computers, computerrandapparatuur, geregistreerde computerprogramma’s, opgenomen computerbesturingsprogramma’s, radiotelefonische toestellen, ontvangers (geluid en beeld), telefoontoestellen, televisietoestellen, tijdopnametoestellen, transmittoren (telecommunicatie), processors (centrale verwerkingseenheden) van klasse 9, alsmede voor de diensten omschreven als nieuwsdiensten in het bijzonder in de banksector, communicatie via radio, communicatie via telefoon, verzending van ijlboodschappen, overbrenging van ijlboodschappen, uitzending van televisieprogramma’s, uitzending van radioprogramma’s, televisie-uitzendingen, verhuur van telecommunicatieapparaten, verhuur van apparaten voor het verzenden van berichten, verhuur van telefoontoestellen, mobilofoondiensten, telefoondiensten van klasse 38 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
Caisse fédérale du Crédit mutuel Centre Est Europe (CFCMCEE) en het BHIM zullen hun eigen kosten dragen.
Azizi
Cremona
Frimodt Nielsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 mei 2009.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy