ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
11 december 2009
Zaak T‑436/07 P
Nikos Giannopoulos
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Indeling in rang – Verzoek om herziening van indeling – Artikel 31, lid 2, van Statuut”
Betreft: Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 20 september 2007, Giannopoulos/Raad (F‑111/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing: De hogere voorziening wordt afgewezen. N. Giannopoulos en de Raad van de Europese Unie dragen elk hun eigen kosten van deze procedure.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang – Aanstelling in hogere rang van loopbaan – Uitzondering op algemene indelingsregels
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2)
2. Ambtenaren – Aanwerving – Aanstelling in rang – Aanstelling in hogere rang van loopbaan – Uitzondering op algemene indelingsregels
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2)
1. De drie voorwaarden betreffende het academisch profiel, de duur en de kwaliteit van de beroepservaring die het tot aanstelling bevoegd gezag in aanmerking moet nemen en moet beoordelen wanneer het uitmaakt of al dan niet moet worden afgeweken van de regel van aanwerving in de basisrang van een loopbaan, zijn cumulatief. Dit volgt uit het feit dat, daar aanwerving in de hogere rang van de loopbaan slechts bij wijze van uitzondering kan plaatsvinden, de omstandigheden die een dergelijke indeling rechtvaardigen eng moet worden uitgelegd.
Wanneer een instelling besluit om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid die zij ontleent aan artikel 31, lid 2, van het Statuut, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie, aan de hand van de voorwaarden die zijn neergelegd in een intern document van een andere instelling, moeten deze dus even eng worden uitgelegd als wanneer zij worden toegepast door de instelling waarvan het interne document afkomstig is, behoudens wanneer uit het dossier blijkt dat de betrokken instelling aan de door haar toegepaste voorwaarden een ander karakter heeft willen geven.
(cf. punten 33‑35)
Referentie: Gerecht 15 november 2005, Righini/Commissie, T‑145/04, JurAmbt. blz. I‑A‑349 en II‑1547, punt 49, en de aangehaalde rechtspraak; Gerecht 15 maart 2006, Valero Jordana/Commissie, T‑429/03, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑51 en II‑A‑2‑217, punt 79, en de aangehaalde rechtspraak
2. Voor de aanwerving van een functionaris in de hogere rang van de loopbaan vereist artikel 31, lid 2, van het Statuut, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie, dat de kwalificaties van die functionaris worden vergeleken met de eisen van het ambt waarin hij als ambtenaar wordt tewerkgesteld. Deze vergelijking is noodzakelijk, aangezien de beoordeling van het criterium betreffende de specifieke behoeften van de dienst voor de eventuele toepassing van de afwijking op de regel van aanwerving in de basisrang twee voorwaarden omvat, één betreffende de relevantie van de kwalificaties van de betrokkene voor het te vervullen ambt en de andere betreffende de bijzonderheden van de arbeidsmarkt met betrekking tot de vereiste kwalificaties. Aangezien de omstandigheden die de indeling in de hogere rang van de loopbaan rechtvaardigen eng moeten worden uitgelegd, zijn deze voorwaarden cumulatief.
Overigens is de indeling van een kandidaat in de hogere rang van de loopbaan alleen denkbaar wanneer de specifieke behoeften van de dienst de aanwerving van een bijzonder gekwalificeerd persoon verlangen. Om vast te stellen of dit het geval is moeten de aankondiging van vergelijkend onderzoek en de kennisgeving van vacature alsmede, indien nodig, de daadwerkelijk verrichte taken worden onderzocht teneinde vast te stellen welke behoeften van de dienst de organisatie van het vergelijkend onderzoek en de openstelling van het ambt rechtvaardigen en te bepalen of zij de aanwerving van een bijzonder gekwalificeerd persoon verlangden. Is dit niet het geval, dan is aanwerving in de hogere rang van de loopbaan niet mogelijk, en dit zelfs indien de uiteindelijk aangeworven persoon over buitengewone of zeer bijzondere kwalificaties beschikt of de administratie over een groot aantal te vervullen ambten beschikt.
(cf. punten 51, 52 en 56)
Referentie: Righini/Commissie, reeds aangehaald, punten 48, 49 en 106; Gerecht 10 mei 2006, R/Commissie, T‑331/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 18
Full & Egal Universal Law Academy