10.3.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 56/31
Beroep ingesteld op 2 januari 2007 — Spanje/Commissie
(Zaak T-2/07)
(2007/C 56/61)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: J. M. Rodríguez Cárcamo)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
nietigverklaring van beschikking C(2006) 5102 van 20 oktober 2006 tot vermindering van de bijstand uit het Cohesiefonds voor de groep projecten nr. 2001 ES 16 C PE 050 (sanering van het stroomgebied van de Júcar 2001 — groep 2).
—
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking C(2006) 5102 van de Commissie van 20 oktober 2006, waarbij de bijstand uit het Cohesiefonds is verminderd voor de groep projecten nr. 2001 ES 16 C PE 050 in Spanje, „sanering van het stroomgebied van de Júcar 2001 — groep 2”.
Het gaat hier om een groep van drie verschillende projecten die een bijstand van 11 266 701 EUR hebben ontvangen, die krachtens de bestreden beschikking verminderd is met 1 900 281 EUR.
Tot staving van zijn conclusies beroept de verzoekende staat zich op een onjuiste en incoherente uitlegging van richtlijn 93/37/EEG (1), zowel wat betreft het ervaringscriterium (artikel 30, leden 1 en 2) als wat betreft het gebruik van het systeem van de gemiddelde prijzen (artikel 30, lid 1).
Wat betreft het feit dat het ervaringscriterium, dat niet uitdrukkelijk wordt genoemd in de toepasselijke regelgeving, in de gunningscriteria is opgenomen, de communautaire rechtspraak aanvaardt deze mogelijkheid, en het gebruik van dit criterium kan nimmer een ernstige en kennelijke inbreuk op de communautaire rechtsorde uitmaken, maar is hooguit een verschoonbare rechtsdwaling die wordt veroorzaakt door het gebrek aan duidelijkheid van de betrokken bepaling.
Vervolgens betwist de verzoekende staat dat het gebruik van het systeem van gemiddelde prijzen bij de analyse van het economisch meest voordelige aanbod voor de projecten die worden gegund, het beginsel van gelijke behandeling schendt omdat daardoor te lage offertes in vergelijking met andere, hogere offertes worden benadeeld.
Subsidiair stelt de verzoekende staat eveneens inbreuk op artikel H, lid 2, van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1164/94 (2) wegens schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel; wat in concreto opdracht nr. 2000/GV/2005 betreft, stelt de verzoekende staat schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van artikel 19 van bovengenoemde richtlijn 93/37.
(1) Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds (PB L 130, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy