26.5.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 117/22
Beroep ingesteld op 12 maart 2007 — Hamdi/Raad
(Zaak T-75/07)
(2007/C 117/35)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Ahmed Hamdi (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigd door: M.J.G. Uiterwaal, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies van verzoekende partij
—
Het gemeenschappelijk standpunt 2002/402/GBVB (PB 2001, L 344, blz. 93) is in het geval van verzoeker ten onrechte ten grondslag gelegd aan Verordening 2001/2580/EG (PB 2001, L 344, blz. 70) zodat de verordening jegens verzoeker onverbindend is;
—
Althans moet deze verordening ten aanzien van verzoeker buiten toepassing worden gelaten;
—
Althans dient het Besluit 2006/1008/EG van 21 december 2006 (PB L 379, blz. 123) te worden vernietigd;
—
De Raad wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf, nadat de nationale rechtbank het bewezen achtte dat verzoeker deel uitmaakte van een terroristische organisatie, de Hofstadgroep. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Bij Besluit 2006/1008/EG (1) heeft de Raad verzoeker toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 (2) van toepassing is.
Verzoeker voert ter ondersteuning van zijn beroep aan dat zowel het bestreden besluit als de bestreden verordening zijn aangenomen in strijd met een wezenlijk vormvoorschrift en met name onvoldoende gemotiveerd zijn. Wat de verordening betreft, voert verzoeker aan dat de Raad niet heeft gemotiveerd waarom deze verordening noodzakelijk was in het kader van de gemeenschappelijke markt. Wat het besluit betreft voert verzoeker aan dat de motivering ontbreekt waarom de Raad gemeend heeft Verordening nr. 2580/2001 op verzoeker te moeten toepassen.
Verzoeker voert verder aan dat voor het betreden besluit de noodzakelijke rechtsgrondslag ontbreekt. Volgens verzoeker is Verordening nr. 2580/2001 namelijk in strijd met het EG-Verdrag voor zover de verordening op verzoeker wordt toegepast. Verzoeker voert aan dat de bestreden verordening geen gebonden uitvoering geeft aan verplichtingen, voortvloeiend uit een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Voorts ontbreek elke band tussen verzoeker en derde landen of andere aspecten van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, zodat de tweede pijler niet op de zaak van verzoeker van toepassing is.
Verzoeker voert in dit verband verder aan dat artikel 308 EG geen rechtsgrondslag vormt, doordat een band met de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt ontbreekt. Voorts wordt met de bestreden verordening geen Uniedoelstelling verwezenlijkt, waardoor de combinatie van artikelen 60, 301 en 308 EG eveneens geen afdoende rechtsgrondslag vormen.
Tenslotte voert verzoeker aan dat het bestreden besluit inbreuk maakt op zijn fundamentele rechten en met name het recht op ongestoord genot van zijn eigendom en zijn recht op een ongestoord privé-leven, zoals deze onder andere voortvloeien uit het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
(1) Besluit 2006/1008/EG van de Raad van 21 december 2006 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 379, blz. 123).
(2) Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70).
Full & Egal Universal Law Academy