7.7.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 155/27
Beroep ingesteld op 4 mei 2007 — Schindler Holding e.a./Commissie
(Zaak T-138/07)
(2007/C 155/52)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Schindler Holding Ltd (Hergiswil, Zwitserland), Schindler Management AG (Ebikon, Zwitserland), SA Schindler NV (Brussel, België), Schindler Sàrl (Luxemburg, Luxemburg), Schindler Liften BV ('s Gravenhage, Nederland) en Schindler Deutschland Holding GmbH (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: R. Bechtold, W. Bosch, U. Soltész en S. Hirsbrunner, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
nietig te verklaren krachtens artikel 231, eerste alinea, EG de beschikking van 21 februari 2007 (zaak COMP/E-1/38.823 — PO/Elevators and Escalators);
—
subsidiair, de bij deze beschikking opgelegde geldboeten te verlagen;
—
krachtens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de Commissie te verwijzen in de kosten van verzoeksters.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters komen op tegen beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in de zaak COMP/E-1/38.823 — PO/Elevators and Escalators. Bij de bestreden beschikking worden aan verzoeksters en aan andere ondernemingen geldboeten opgelegd wegens de deelname aan kartels met betrekking tot de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. De Commissie is van oordeel dat de betrokken ondernemingen artikel 81 EG hebben geschonden.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters de volgende middelen aan:
—
schending van het beginsel van voldoende bepaaldheid door artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1), aangezien deze bepaling de Commissie bij de berekening van de geldboeten een onbegrensde beoordelingsmarge laat;
—
schending, door de geldboeten die de Commissie heeft opgelegd, van het verbod van terugwerkende kracht;
—
gebrek aan doeltreffendheid van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (hierna: „richtsnoeren van 1998”) (2), doordat zij bij het verbinden van uitgangsbedragen aan de inbreuk onvoldoende differentiëren, en aan de Commissie een te grote beoordelingsmarge laten bij de berekening van de geldboeten;
—
onrechtmatigheid van de bewijsvoering door kroongetuigen op basis van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten (3), wegens schending van het nemo tenetur-beginsel, het zwijgrecht, het in dubio pro reo-beginsel en het evenredigheidsbeginsel, alsmede wegens bevoegdheidsoverschrijding door de Commissie bij het vaststellen van deze regeling;
—
schending van het beginsel van scheiding der machten en van de vereisten van een eerlijk proces;
—
onverenigbaarheid van de bestreden beschikking met het volkenrecht, wegens het onteigenende karakter van de opgelegde geldboeten;
—
schending van de richtsnoeren van 1998, wegens de, met het oog op de concrete inbreuken, te hoge basis- en uitgangsbedragen;
—
schending van de richtsnoeren van 1998, wegens het onvoldoende respectievelijk niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden;
—
schending van de kroongetuigenregeling 2002 wegens te geringe verlagingen voor samenwerking of ongerechtvaardigde weigering van deze verlagingen;
—
onevenredigheid van de hoogte van de geldboeten;
—
onwettigheid van de bestreden beschikking, voor zover zij is gericht tegen Schindler Holding Ltd en Schindler Management AG, aangezien zij bij gebreke van een volkenrechtelijke overeenkomst met Zwitserland niet rechtsgeldig aan hen is betekend;
—
ontbreken van de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid van Schindler Holding Ltd;
—
schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, aangezien de maxima van de geldboeten zijn overschreden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
(2) Richtsnoeren van 1998 voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB C 9, blz. 3).
(3) Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2000, C 45, blz. 3).
Full & Egal Universal Law Academy