7.7.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 155/31
Beroep ingesteld op 7 mei 2007 — ThyssenKrupp Aufzüge en ThyssenKrupp Fahrtreppen/Commissie
(Zaak T-147/07)
(2007/C 155/58)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: ThyssenKrupp Aufzüge GmbH (Neuhausen auf den Fildern, Duitsland) en ThyssenKrupp Fahrtreppen GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: U. Itzen en K. Blau-Hansen, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij betrekking heeft op verzoeksters;
—
subsidiair, het bedrag van de geldboete die verzoeksters in de bestreden beschikking hoofdelijk is opgelegd, passend te verlagen;
—
verzoeksters te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters komen op tegen beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in zaak COMP/E-1/38.823 — PO/Elevators and Escalators. Bij de bestreden beschikking zijn aan verzoeksters en andere ondernemingen geldboeten opgelegd wegens deelneming aan een mededingingsregeling op het gebied van de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in Duitsland. Volgens de Commissie hebben de betrokken ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 EG.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters de volgende middelen aan:
—
de Commissie was onbevoegd omdat de verweten plaatselijke inbreuk geen grensoverschrijdend belang had;
—
de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid van verzoeksters met hun holdingmaatschappijen waren niet vervuld, daar verzoeksters juridisch en economisch onafhankelijk zijn;
—
de voor de berekening van de geldboete in aanmerking genomen basisbedragen staan niet in verhouding tot de daadwerkelijk betrokken marktomvang;
—
de ter afschrikking toegepaste vermenigvuldigingscoëfficiënt is onrechtmatig, daar voor de berekening van de geldboete enkel mag worden uitgegaan van de omzet van verzoeksters en deze omzet de toepassing van die vermenigvuldigingscoëfficiënt niet rechtvaardigt;
—
er zijn geen gronden voor verhoging wegens recidive bij de berekening van de geldboete, omdat er juridische fouten zijn gemaakt bij de toerekening van eerdere geldboeten en omdat er ook beoordelingsfouten zijn gemaakt;
—
inbreuk op artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) doordat de Commissie voor de bovengrens van de geldboete, namelijk 10 % van de omzet van de onderneming, is uitgegaan van de omzet van het concern en niet van de omzet van verzoeksters;
—
juridisch verkeerde toepassing van de Mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten (2) doordat onvoldoende rekening is gehouden met de toegevoegde waarde die de medewerking van verzoeksters heeft opgeleverd.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
(2) Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).
Full & Egal Universal Law Academy