25.8.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 199/39
Beroep ingesteld op 15 juni 2007 — Helleense Republiek/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak T-214/07)
(2007/C 199/75)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: I. Chalkias en G. Kanellopoulos)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
de bestreden beschikking van de Commissie in haar geheel nietig te verklaren, subsidiair ze te wijzigen zoals hierna is aangegeven, namelijk de betrokken correctie te beperken tot de daadwerkelijk in aanmerking genomen periode van 24 maanden, in de sector akkerbouwgewassen voor het oogstjaar 2003 geen enkele correctie toe te passen of in ieder geval de correctie te beperken tot 2 % van de uitgaven voor harde tarwe, en in de sector maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten gunste van de kleine eilanden van de Egeïsche zee geen enkele financiële correctie toe te passen of ze in ieder geval te beperken tot 2 %;
—
de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep tegen beschikking C(2007) 1663 def. van 18 april 2007, gepubliceerd onder nummer 2007/243/EEG (PB L 106, blz. 55), waarbij de Commissie bepaalde uitgaven die de lidstaten — in casu Griekenland — voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds (EOGFL), afdeling Garantie, hebben verricht, aan communautaire financiering heeft onttrokken, voert de Helleense Republiek de volgende middelen tot nietigverklaring aan.
Met het eerste algemene middel tot nietigverklaring, dat de correctie met betrekking tot de sector akkerbouwgewassen, de POSEI-maatregel en de sector verwerking van tomaten betreft, stelt verzoekster dat verweerster een wezenlijk vormvoorschrift heeft geschonden, door geen bespreking te voeren over de ernst van de aan Griekenland verweten inbreuken, de schade die de Gemeenschap heeft geleden en het bedrag van de opgelegde correctie; subsidiair moet de beschikking volgens verzoekster nietig worden verklaard wegens onbevoegdheid van de Commissie om correcties op te leggen welke verder gaan dan de periode van 24 maanden die voorafgaat aan het document waarin zij haar definitieve standpunt over deze correctie en het bedrag ervan formuleert.
Met het tweede middel tot nietigverklaring, dat de correctie voor akkerbouwproducten betreft, beroept verzoekster zich op onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3508/92 (1), artikel 1, lid 3, van verordening (EG) nr. 1593/2000 (2) en artikel 58 van verordening (EG) nr. 445/2002 (3), aangezien het krachtens die bepalingen ook is toegestaan, onroerende goederen te identificeren aan de hand van cartografisch materiaal dat gelijkwaardig is aan de orthofotografische kaarten; subsidiair beroept verzoekster zich op onjuiste uitlegging van de feiten en onvoldoende motivering van de betrokken correcties. Verzoekster beroept zich ook op onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 60 van verordening nr. 445/2000, en, subsidiair, op onjuiste beoordeling van de feiten betreffende de controles ter plaatse en de periode waarin zij hebben plaatsgevonden, alsook op ontbreken van een rechtsgrondslag om de correctie op te leggen, aangezien de Commissie, volgens verzoekster, artikel 15 van verordening (EG) nr. 2419/2001 (4) onjuist heeft uitgelegd. Verzoekster betoogt nog, dat met name wat de correctie van 10 % voor de uitgaven voor harde tarwe betreft, de Commissie de feiten onjuist heeft beoordeeld en de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden.
Met het derde middel tot nietigverklaring stelt verzoekster dat het opleggen van correcties van 5 % en 10 % in de sector akkerbouwgewassen, het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, aangezien het systeem, vergeleken met het voorgaande jaar, wezenlijk is verbeterd, hetgeen de Commissie trouwens erkent.
Met het derde middel tot nietigverklaring, dat de POSEI-maatregel — kleine eilanden van de Egeïsche zee — betreft, brengt verzoekster naar voren (a) dat artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2019/93 (5) en artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2958/93 (6), betreffende de controles op de regeling voor de voorziening van de kleine eilanden van de Egeïsche zee, onjuist zijn uitgelegd of, subsidiair, dat de feiten onjuist zijn beoordeeld, aangezien de Griekse autoriteiten hebben gedaan wat de verordeningen bepaalden, (b) dat, wat de aardappelvelden en de olijfgaarden van de kleine eilanden van de Egeïsche zee betreft, de feiten ook onjuist zijn beoordeeld, aangezien het LPIS (7) en de registers normaal hebben gefunctioneerd, en dat in ieder geval, wat de kleine lacunes betreft, aan verzoekster een algemene correctie betreffende de regeling inzake akkerbouwgewassen is opgelegd en geen tweede sanctie om dezelfde reden op de verschillende regelingen kan worden toegepast, en ten slotte (c) dat de correctie met betrekking tot de POSEI-maatregel het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
(1) Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355 van 5.12.1992, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1593/2000 van de Raad van 17 juli 2000 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3508/92 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 182 van 21.7.2000, blz. 4).
(3) Verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (PB L 74 van 15.3.2002, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327 van 12.12.2001, blz. 11).
(5) Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee PB L 184 van 27.7.1993, blz. 1).
(6) Verordening (EEG) nr. 2958/93 van de Commissie van 27 oktober 1993 houdende gemeenschappelijke toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad wat de specifieke regeling voor de voorziening met bepaalde landbouwproducten betreft (PB L 267 van 28.10.1993, blz. 4).
(7) Systeem voor de identificatie van de perselen landbouwgrond.
Full & Egal Universal Law Academy