20.10.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 247/37
Beroep ingesteld op 24 augustus 2007 — Jones e.a./Commissie
(Zaak T-320/07)
(2007/C 247/61)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Glenn Jones en Daphne Jones (Neath, Wales), FForch-y-Garron Coal Company Ltd (Neath, Wales), Desmond Ivor Evans en David Raymond Evans (Maesteg, Wales) (vertegenwoordiger: D. I. W. Jeffreys, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 18 juni 2007 in zaak COMP/37.037 betreffende verzoeksters' klacht inzake onwettige prijsdiscriminatie door de Central Electricity Generating Board;
—
de Commissie te verwijzen in verzoeksters' kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is ingesteld krachtens artikel 230 EG en strekt tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 18 juni 2007 (zaak COMP/37.037 — SWSMA) houdende afwijzing van een klacht volgens welke de door de Central Electricity Generating Board in de periode van 1984 tot en met 1990 jegens kolenproducenten toegepaste prijspraktijken een onwettige prijsdiscriminatie vormden jegens particuliere kolenproducenten, waaronder verzoeksters, welke in strijd was met artikel 4, sub b, van het destijds geldende Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
Verzoeksters betogen dat de Commissie bij het geven van deze beschikking op verschillende punten blijk heeft gegeven van een fundamenteel onjuiste rechtsopvatting en/of fundamentele beoordelingsfouten heeft gemaakt, en dat de beschikking derhalve nietig dient te worden verklaard.
Verzoeksters stellen dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het vraagstuk van prijsdiscriminatie te onderzoeken op nationaal niveau in plaats van op het niveau van de lokale markt waarop verzoeksters actief waren. Voorts betogen verzoeksters dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergunninghoudende particuliere mijnen slechts beperkte hoeveelheden kolen konden leveren en dit gedurende een korte termijn, gelet op de omvang van de kolenwinningsfaciliteiten en het licentiebeleid van British Coal Corporation. Ten slotte stellen verzoeksters dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat, aangezien het EGKS-Verdrag is verstreken en zij niet langer uitsluitend bevoegd was voor wat betreft schendingen van dit Verdrag, een beschikking van de Commissie geen voorwaarde meer vormde voor het verkrijgen van rechterlijke bescherming voor de nationale rechters.
Full & Egal Universal Law Academy