12.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 8/28
Beroep ingesteld op 15 november 2007 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-423/07)
(2008/C 8/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordiger: E. Vahida, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
overeenkomstig artikel 232 EG te verklaren dat de Commissie heeft nagelaten ingevolge haar verplichtingen krachtens het EG-Verdrag een besluit te nemen, door geen standpunt te bepalen betreffende verzoeksters klacht, die is ingediend bij de Commissie op 3 november 2005 en gevolgd door een aanmaningsbrief van 31 juli 2007;
—
de Commissie te verwijzen in alle kosten, met inbegrip van de kosten van verzoekster in de procedure, zelfs indien de Commissie na de instelling van het beroep maatregelen neemt waardoor naar het oordeel van het Gerecht de noodzaak om uitspraak te doen wegvalt, of het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaart;
—
alle andere maatregelen te nemen die het Gerecht gepast acht.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster stelt dat de Commissie heeft nagelaten een besluit te nemen nu zij, hoewel zij overeenkomstig artikel 232 EG daartoe was uitgenodigd, geen standpunt heeft bepaald op basis van een klacht die verzoekster op 3 november 2005 had ingediend met betrekking tot onwettige staatssteun die zou zijn verleend aan Lufthansa en haar partners van Star Alliance in de vorm van het exclusieve gebruik van Terminal 2 van Munich Airport of, subsidiair, concurrentiebeperkende discriminatie ten gunste van Lufthansa en haar partners van Star Alliance, wanneer zou worden aangenomen dat Munich Airport autonoom heeft gehandeld. Het reserveren door Munich Airport van deze Terminal ten behoeve van verzoeksters potentiële concurrenten komt neer op misbruik van machtspositie en derhalve op schending van artikel 82 EG.
Tot staving van haar eerste middel betoogt verzoekster dat de Commissie overeenkomstig verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (1), verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2) en verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie (3) verplicht was de klacht zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, teneinde hetzij een beschikking vast te stellen houdende verklaring dat de maatregelen van de Staat geen steun vormden in de zin van artikel 87, lid 1, EG, of dat deze maatregelen als steun in de zin voornoemde bepaling moesten worden aangemerkt, doch krachtens artikel 87, leden 2 en 3, EG verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt, hetzij een procedure krachtens artikel 88, lid 2, EG in te leiden.
Subsidiair betoogt verzoekster dat de Commissie verplicht was om na de ontvangst van haar subsidiaire klacht betreffende gesteld misbruik van machtspositie, hetzij een procedure in te leiden met betrekking tot het voorwerp van de klacht, hetzij een definitieve beschikking tot afwijzing van de klacht te geven, na haar de mogelijkheid te hebben geboden om opmerkingen te maken.
Verzoekster stelt voorts dat de periode van twintig maanden die is verstreken tussen haar klacht en de aanmaningsbrief onredelijk lang was, en dat het stilzitten van de Commissie gedurende die periode neerkomt op het nalaten een besluit te nemen in de zin van artikel 232 EG.
(1) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB 2003, L 1, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB L 123, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy