9.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 37/26
Beroep ingesteld op 4 december 2007 — Coats Holdings/Commissie
(Zaak T-439/07)
(2008/C 37/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Coats Holdings Ltd (vertegenwoordigers: W. Sibree en C. Jeffs, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
de artikelen 1, lid 4, en 2, lid 4, van de beschikking nietig te verklaren, voor zover deze betrekking hebben op verzoekster;
—
subsidiair, de bij artikel 2, lid 4, van de beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen, en
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster vordert nietigverklaring van beschikking C(2007) 4257 def. van de Commissie van 19 september 2007 in de zaak COMP/E-1/39.168 — metalen en plastic fournituren: sluitingen, waarbij is vastgesteld dat verzoekster samen met andere ondernemingen artikel 81 EG heeft geschonden door onder meer prijsinformatie uit te wisselen, minimumprijzen vast te stellen en markten te verdelen.
Ter ondersteuning van haar beroep stelt verzoekster dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de beoordeling van het verzamelde bewijsmateriaal. Volgens haar heeft de Commissie niet voldoende bewezen dat zij met Prym een bilaterale marktverdelingsovereenkomst heeft gesloten die gold van januari 1977 tot juli 1998.
Subsidiair stelt verzoekster dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de gestelde inbreuk heeft voortgeduurd na 19 september 1997 of dat de inbreuk heeft plaatsgevonden gedurende een ononderbroken periode tot 15 juli 1998, zodat zij verzoekster mocht beboeten voor een inbreuk die 21,5 jaar heeft geduurd.
Nog steeds subsidiair stelt verzoekster dat de Commissie het fundamentele procedurele recht van verzoekster krachtens artikel 6, lid 3, sub d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden om in procedures van strafrechtelijke aard de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen, heeft geschonden.
Ten slotte stelt verzoekster, eveneens subsidiair, dat de Commissie ten onrechte op mechanische wijze een percentage van 215 % op het basisbedrag van de geldboete heeft toegepast om rekening te houden met de duur van de inbreuk, 21,5 jaar, in plaats van overeenkomstig de toepasselijke richtsnoeren voor de berekening van geldboeten haar discretionaire bevoegdheid uit te oefenen.
Full & Egal Universal Law Academy