9.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 37/28
Beroep ingesteld op 30 november 2007 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-442/07)
(2008/C 37/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordiger: E. Vahida, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
te verklaren dat de Commissie niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag, waaronder met name artikel 232 EG, door geen standpunt te bepalen betreffende verzoeksters klachten van 3 november en 13 december 2005, 16 juni en 10 november 2006, en haar aanmaningsbrief van 2 augustus 2007;
—
de Commissie te verwijzen in alle kosten, met inbegrip van de kosten van verzoekster in de procedure, zelfs indien de Commissie na de instelling van het beroep maatregelen neemt waardoor naar het oordeel van het Gerecht de noodzaak om uitspraak te doen wegvalt, of het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaart; en
—
alle andere maatregelen te nemen die het Gerecht gepast acht.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar verzoekschrift heeft verzoekster een beroep krachtens artikel 232 EG ingesteld, betogende dat de Commissie heeft nagelaten haar standpunt te bepalen betreffende verzoeksters klachten van 3 november en 13 december 2005, 16 juni en 10 november 2006, gevolgd door een aanmaningsbrief van 2 augustus 2007.
Als belangrijkste middel wordt aangedragen dat de Commissie heeft nagelaten een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek in te stellen en af te ronden naar de door verzoekster ingediende klachten betreffende onrechtmatige steun in de vorm van voordelen die de Italiaanse staat heeft toegekend aan de luchtvaartmaatschappijen Alitalia, Air One en Meridiana. Subsidiair betoogt verzoekster dat de Commissie heeft nagelaten haar standpunt te bepalen betreffende verzoeksters klacht over vermeende mededingingsbeperkende discriminatie en bijgevolg een inbreuk op artikel 82 EG.
Verzoekster betoogt dat de maatregelen waarover zij klaagt, te weten (i) uitkering aan Alitalia van steun „ter compensatie van 9/11”, (ii) gunstige voorwaarden rond de overdracht van Alitalia Servizi aan Fintecna, (iii) verzuim van de Italiaanse staat om de betaling van schulden van Alitalia aan Italiaanse luchthavens te vorderen, (iv) publieke financiering van Alitalia's ontslagvergoedingen, (v) kortingen op de brandstofkosten, (vi) verlagingen van de luchthavenrechten op Italiaanse luchthavens, (vii) overplaatsing van meer dan 100 werknemers van Alitalia naar Meridiana en Air One en (viii) discriminatoire beperkingen van verzoeksters activiteiten in regionale luchthavens, waaronder de luchthaven Ciampino, die toegerekend kunnen worden aan de Italiaanse staat, voor haar gederfde winst opleveren en een specifiek voordeel voor Alitalia alsook Air one en Meridiana vormen waar het sommige van de maatregelen betreft. Volgens verzoekster zijn deze maatregelen steunmaatregelen die aan alle voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG voldoen.
Subsidiair stelt verzoekster dat het verzuim van Italiaanse luchthavens om de schulden van Alitalia in te vorderen, de verlagingen van de luchthavenrechten in Italiaanse luchthavens, de kortingen op de brandstofkosten en de discriminatoire beperkingen van de activiteiten van verzoekster op de regionale luchthavens een inbreuk op het mededingingsrecht opleveren. Bijgevolg stelt verzoekster dat als het Hof zou oordelen dat sommige van de aan Alitalia, Air One en Meridiana toegekende voordelen niet aan de staat kunnen worden toegerekend omdat Italiaanse luchthavens en brandstofleveranciers die bovengenoemde voordelen hebben toegekend dit mogelijk autonoom hebben gedaan, deze voordelen mededingingsbeperkende discriminatie opleveren die niet objectief kan worden gerechtvaardigd en bijgevolg in strijd is met artikel 82 EG.
Verzoekster betoogt bovendien dat zij een gewettigd belang heeft bij het indienen van haar klacht daar zij zowel afnemer van luchthavendiensten en brandstof voor de luchtvaart is als concurrent van Alitalia, Air One en Meridiana.
Verzoekster betoogt voorts dat de Commissie op grond van de bepalingen van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (1) en verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (2) en verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie (3) verplicht was te handelen. De Commissie heeft echter geen enkele actie ondernomen na ontvangst van de klacht, noch een standpunt bepaald na ontvangst van de aanmaningsbrief.
Bijgevolg betoogt verzoekster dat er een prima facie inbreuk op het mededingingsrecht bestond en dat de onredelijk lange periode van 9 tot 21 maanden die, afhankelijk van het voorwerp van de klacht, is verstreken tussen de aanmaningsbrief en het stilzitten van de Commissie een nalaten in de zin van artikel 232 EG vormt.
(1) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB 2003, L 1, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB L 123, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy