23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/48
Beroep ingesteld op 17 december 2007 — Hangzhou Duralamp Electronics/Raad
(Zaak T-459/07)
(2008/C 51/89)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hangzhou Duralamp Electronics Co., Ltd (Hangzhou, China) (vertegenwoordigers: M. Gambardella en V. Villante, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1205/2007 van de Raad van 15 oktober 2007 tot instelling van een antidumpingrecht op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's) van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96, en tot uitbreiding van dat recht tot hetzelfde product dat vanuit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek der Filipijnen wordt verzonden, bekendgemaakt in PB L, 272/1 van 17 oktober 2007, voor zover deze op verzoekster betrekking heeft;
—
verwijzing van de Raad in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster is een Chinese onderneming die nietigverklaring vordert van verordening (EG) nr. 1205/2007 van de Raad van 15 oktober 2007 tot instelling van een antidumpingrecht op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's) van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96, en tot uitbreiding van dat recht tot hetzelfde product dat vanuit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek der Filipijnen wordt verzonden (1), voor zover deze maatregelen op verzoekster van toepassing zijn.
Ter ondersteuning van haar beroep betoogt verzoekster dat de opvatting van de Raad dat alle CFL-i's, ongeacht verschillen in levensduur, wattverbruik, buis, andere ingebouwde apparatuur, lengte, diameter, diagonaal en eindgebruiker, hetzelfde product zijn, onjuist is.
Verzoekster betoogt voorts dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de berekening van de dumpingmarges, de onderbiedingsmarges en de schadedrempels. De methodologie die is gevolgd bij de extrapolatie van gegevens uit gegevens van Eurostat was volgens verzoekster niet uiteengezet in de bestreden verordening en de Raad had de bij het onderzoek betrokken partijen een niet-vertrouwelijke samenvatting van de gevolgde methodologie en voorbeeldberekeningen moeten verstrekken.
Daarenboven betoogt verzoekster dat haar recht om te worden gehoord op het punt van de keuze van een vergelijkbaar land is geschonden, nu verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld om tijdens het onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid opmerkingen te maken over de vervanging van Mexico door Korea als vergelijkbaar land.
Bovendien beweert verzoekster dat de Raad de artikelen 7, 9 en 21 van de basisverordening (2) heeft geschonden door antidumpingrechten in te stellen terwijl het gemeenschapsbelang geen interventie vereiste.
Tenslotte betoogt verzoekster dat de Raad artikel 5, lid 4, van de basisverordening heeft geschonden en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door antidumpingrechten in te stellen terwijl de klacht die tot de inleiding van het onderzoek aanleiding heeft gegeven niet werd gesteund door de bedrijfstak van de Gemeenschap, daar het aandeel van producenten uit de Gemeenschap dat zich tegen de klacht verzette meer dan 50 % van de totale productie van soortgelijke producten in de Gemeenschap vertegenwoordigde.
(1) PB 2007, L 272, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy