23.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/52
Beroep ingesteld op 25 december 2007 — Osram/Raad
(Zaak T-466/07)
(2008/C 51/95)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Osram GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: R. Bierwagen, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
verordening (EG) nr. 1205/2007 van de Raad nietig te verklaren en te gelasten dat de gevolgen van de bestreden verordening gehandhaafd blijven totdat een nieuwe, herziene verordening van kracht wordt;
—
verweerder te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster, een Duitse producent van een groot assortiment van verschillende typen gloeilampen, waaronder geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's), verzoekt om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1205/2007 van de Raad van 15 oktober 2007 tot instelling van een antidumpingrecht op geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i's) van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96, en tot uitbreiding van dat recht tot hetzelfde product dat vanuit de Socialistische Republiek Vietnam, de Islamitische Republiek Pakistan en de Republiek der Filipijnen wordt verzonden (1), omdat deze verordening bepaalt dat het antidumpingrecht slechts voor één jaar wordt verlengd en niet voor de periode van vijf jaren waarin de basisverordening (2) voorziet.
Ter ondersteuning van haar vordering betoogt verzoekster om te beginnen dat de Raad blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door ervan uit te gaan dat twee onderdelen van het Philips concern „producenten van de Gemeenschap” zijn in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van de basisverordening.
Ten tweede betoogt verzoekster dat de Raad blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting door het belang van de Gemeenschap te onderzoeken hoewel dat niet is voorzien voor een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen.
Ten derde stelt verzoekster dat de Raad inbreuk heeft gemaakt op artikel 11, lid 2, van de basisverordening en misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden door de duur van het antidumpingrecht tot één jaar te beperken.
Ten slotte voert verzoekster aan dat de Raad het onderzoek van het belang van de Gemeenschap op kennelijke onjuiste feiten heeft gebaseerd, een onjuiste beoordeling heeft gemaakt en geen motivering heeft gegeven.
(1) PB L 272, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy