Zaak T‑215/07
Beniamino Donnici
tegen
Europees Parlement
„Onbevoegdverklaring”
Samenvatting van de beschikking
Procedure – Verdeling van bevoegdheden tussen Hof en Gerecht van eerste aanleg
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 40, tweede alinea, en 54, derde alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 80)
Artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie sluit natuurlijke of rechtspersonen uit van het recht van tussenkomst in de bij het Hof aanhangig gemaakte gedingen tussen lidstaten enerzijds en gemeenschapsinstellingen anderzijds. In gedingen die hen aanbelangen, kunnen natuurlijke of rechtspersonen hun middelen en argumenten dus enkel doen gelden door zelf voor de bevoegde rechter beroep in te stellen in gevallen waarin zij in een dergelijk beroep kunnen worden ontvangen. Het is in het belang van een goede rechtsbedeling en van de bescherming van de rechten van de verdediging van de justitiabelen dat de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een lidstaat, de verschillende middelen en argumenten, feitelijk en rechtens, van natuurlijke of rechtspersonen ter ondersteuning van hun vorderingen tot nietigverklaring van dezelfde handeling in aanmerking kan nemen. Bijgevolg zijn er termen aanwezig om de zaak naar het Hof te verwijzen, zodat dit uitspraak kan doen op het beroep tot nietigverklaring.
(cf. punten 9‑10, 12)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)
13 december 2007 (*)
„Onbevoegdverklaring”
In zaak T‑215/07,
Beniamino Donnici, wonende te Castrolibero (Italië), vertegenwoordigd door M. Sanino, G. M. Roberti, I. Perego en P. Salvatore, advocaten,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Krück, N. Lorenz en L. Visaggio als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 24 mei 2007 betreffende het onderzoek van de geloofsbrieven van Beniamino Donnici [2007/2121 (REG)], waarbij zijn mandaat van lid van het Europees Parlement ongeldig is verklaard,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
1 Bij op 22 juni 2007 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, ingeschreven onder nummer T‑215/07, heeft B. Donnici beroep tot nietigverklaring ingesteld van het besluit van het Europees Parlement van 24 mei 2007 betreffende het onderzoek van zijn geloofsbrieven [2007/2121 (REG)], waarbij zijn mandaat van lid van het Europees Parlement ongeldig is verklaard (hierna: „bestreden besluit”).
2 Bij op dezelfde dag neergelegde afzonderlijke akte heeft Donnici een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ingediend. De kortgedingrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 15 november 2007, Donnici/Parlement (T‑215/07 R, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), toegewezen en de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit opgeschort.
3 Bij op 9 augustus 2007 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift, ingeschreven onder nummer C‑393/07, heeft de Italiaanse Republiek beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
4 Krachtens artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, kan het Gerecht, wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen dan wel, wanneer het beroepen betreft die krachtens artikel 230 EG zijn ingesteld, zich onbevoegd verklaren, opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen. Onder dezelfde voorwaarden kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang.
5 In casu strekken de beroepen voor het Hof en het Gerecht beide tot nietigverklaring van hetzelfde besluit.
6 Het Hof heeft de behandeling van zaak C‑393/07, die krachtens artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof bij hem aanhangig is gemaakt, niet geschorst. Het Gerecht moet dus besluiten tot een eventuele opschorting van de behandeling dan wel tot een eventuele onbevoegdverklaring in de onderhavige zaak.
7 Overeenkomstig artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof werden partijen bij brief van de griffier van het Gerecht van 25 oktober 2007 uitgenodigd hun opmerkingen te maken over een eventuele onbevoegdverklaring van het Gerecht om het Hof de gelegenheid te geven gelijktijdig uitspraak te doen over de twee beroepen tot nietigverklaring, dan wel over een eventuele opschorting van de voor het Gerecht aanhangige procedure totdat het Hof arrest heeft gewezen.
8 Het Parlement gaf de voorkeur aan de onbevoegdverklaring van het Gerecht, terwijl Donnici zich verzette tegen de opschorting van de behandeling en tegen de onbevoegdverklaring van het Gerecht en zich uitsprak ten gunste van de voortzetting van de procedure voor het Gerecht, ter eerbiediging van het beginsel van rechtspraak in twee instanties en van de behandeling op tegenspraak.
9 In dit verband zij opgemerkt dat volgens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof voor natuurlijke of rechtspersonen het recht van tussenkomst is uitgesloten in de bij het Hof aanhangig gemaakte gedingen tussen lidstaten enerzijds en gemeenschapsinstellingen anderzijds. In gedingen die hen aanbelangen, kunnen natuurlijke of rechtspersonen hun middelen en argumenten dus enkel doen gelden door zelf voor de bevoegde rechter beroep in te stellen in gevallen waarin zij in een dergelijk beroep kunnen worden ontvangen (beschikkingen Gerecht van 16 november 1998, Antillean Rice Mills/Raad, T‑41/97, Jurispr. blz. II‑4117, punt 6, en 16 mei 2003, Forum 187/Commissie, T‑140/03, Jurispr. blz. II‑2069, punt 7).
10 Aangezien het Hof de behandeling van de bij hem aanhangige zaak C‑393/07 niet heeft geschorst en het Gerecht kan besluiten tot opschorting of onbevoegdverklaring in zaak T‑215/07, is het in het belang van een goede rechtsbedeling en van de bescherming van de rechten van de verdediging van de justitiabelen dat de rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van een lidstaat, de verschillende middelen en argumenten, feitelijk en rechtens, van natuurlijke of rechtspersonen ter ondersteuning van hun vorderingen tot nietigverklaring van eenzelfde handeling in aanmerking kan nemen.
11 In casu zal het Hof bij opschorting van de bij het Gerecht aanhangige procedure tot de uitspraak van het Hof over het bestreden besluit de middelen en argumenten van Donnici ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring van dezelfde handeling niet kunnen onderzoeken.
12 Bijgevolg zijn er overeenkomstig artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof en artikel 80 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht termen aanwezig om de zaak naar het Hof te verwijzen, zodat dit uitspraak kan doen op het beroep tot nietigverklaring.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het Gerecht verwijst zaak T‑215/07 naar het Hof voor uitspraak op het beroep tot nietigverklaring.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 13 december 2007.
De griffier
De president van de Derde kamer
E. Coulon
J. Azizi
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy