1.8.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 180/12
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juni 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland) — T-Mobile Netherlands BV, KPN Mobile NV, Orange Nederland NV, Vodafone Libertel NV/Raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
(Zaak C-8/08) (1)
(Verzoek om prejudiciële beslissing - Artikel 81, lid 1, EG - Begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” - Causaal verband tussen afstemming en marktgedrag van ondernemingen - Beoordeling overeenkomstig regels van nationaal recht - Eenmalige bijeenkomst voldoende of noodzaak van duurzame en regelmatige afstemming)
2009/C 180/20
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: T-Mobile Netherlands BV, KPN Mobile NV, Orange Nederland NV, Vodafone Libertel NV
Verwerende partij: Raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — College van Beroep voor het bedrijfsleven — Uitlegging van artikel 81 EG — Begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging — Noodzaak van een causaal verband tussen de onderlinge afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen — Beoordeling of niet volgens de regels van nationaal recht — Eenmalige afstemming voldoende of noodzaak van een duurzame en regelmatige afstemming
Dictum
1)
Een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 81, lid 1, EG wanneer zij, gelet op de inhoud en het doel ervan en rekening houdend met de juridische en economische context, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt concreet kan verhinderen, beperken of vervalsen. Het is niet noodzakelijk dat de mededinging daadwerkelijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst en evenmin dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze onderling afgestemde feitelijke gedraging en de verbruikersprijzen. De uitwisseling van informatie tussen concurrenten heeft een mededingingsbeperkende strekking wanneer zij de onzekerheden over het door de betrokken ondernemingen voorgenomen gedrag kan wegnemen.
2)
In het kader van het onderzoek van het causale verband tussen de afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen die aan deze afstemming deelnemen, welk verband moet bestaan voor de vaststelling van een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 81, lid 1, EG, moet de nationale rechter, behoudens door deze ondernemingen te leveren tegenbewijs, het in de rechtspraak van het Hof neergelegde causaliteitsvermoeden toepassen, dat inhoudt dat deze ondernemingen, wanneer zij op de markt actief blijven, rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld.
3)
Voor zover de onderneming die aan de afstemming deelneemt, op de betrokken markt actief blijft, geldt het vermoeden van causaliteit tussen de afstemming en het marktgedrag van deze onderneming ook wanneer slechts één bijeenkomst van de betrokken ondernemingen aan de afstemming ten grondslag ligt.
(1) PB C 92 van 12.4.2008.
Full & Egal Universal Law Academy