12.9.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 220/7
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 juli 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Luik — België) — Mono Car Styling SA, in liquidatie/Dervis Odemis e.a.
(Zaak C-12/08) (1)
(Verzoek om een prejudiciële beslissing - Richtlijn 98/59/EG - Artikelen 2 en 6 - Procedure van informatie en raadpleging van personeel bij collectieve ontslagen - Verplichtingen van werkgever - Beroepsrecht voor werknemers - Vereiste van richtlijnconforme uitlegging)
2009/C 220/11
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Arbeidshof te Luik
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Mono Car Styling SA, in liquidatie
Verwerende partij: Dervis Odemis e.a.
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeidshof te Luik (België) — Uitlegging van de artikelen 2, 3 en 6 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16) — Regelmatigheid van de procedure van informatie en raadpleging van het personeel bij ontslag — Ontbreken van een schriftelijke mededeling over, onder meer, de redenen van de voorgenomen ontslagen, het aantal en de categorie afvloeiende werknemers en de voorgenomen criteria voor de selectie van die werknemers — Consequenties van het uitblijven van bezwaar van de vertegenwoordigers van de werknemers voor het recht van de werknemers om de regelmatigheid van de ontslagprocedure individueel aan te vechten voor de rechter — Draagwijdte van het vereiste van richtlijnconforme uitlegging
Dictum
1)
Artikel 6 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, gelezen in samenhang met artikel 2 van deze laatste, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die procedures invoert die zowel de vertegenwoordigers van de werknemers als de werknemers individueel de mogelijkheid inruimen om te doen toetsen dat de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn zijn nageleefd, maar die het individuele vorderingsrecht van de werknemers beperkt wat betreft de bezwaren die kunnen worden aangevoerd en hieraan de voorwaarde verbindt dat de vertegenwoordigers van de werknemers vooraf bezwaren kenbaar hebben gemaakt aan de werkgever en de betrokken werknemer de werkgever vooraf heeft medegedeeld dat hij betwist dat de informatie en raadplegingsprocedure is nageleefd.
2)
De omstandigheid dat een nationale regeling waarbij procedures worden ingevoerd waarmee de vertegenwoordigers van de werknemers kunnen doen toetsen of de werkgever alle verplichtingen tot voorlichting en raadpleging uit hoofde van richtlijn 98/59 heeft nageleefd, beperkingen en voorwaarden verbindt aan het individuele vorderingsrecht dat zij voorts toekent aan iedere werknemer die betrokken is bij een collectief ontslag, schendt het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming niet.
3)
Artikel 2 van richtlijn 98/59 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de verplichtingen van de werkgever die wil overgaan tot collectieve ontslagen, beperkt ten opzichte van die vermeld in genoemd artikel 2. Bij de toepassing van het nationale recht moet de nationale rechter ingevolge het beginsel van richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht alle regels van dit recht in de beschouwing betrekken en dit recht zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 98/59 om het door deze laatste beoogde resultaat te bereiken. Hij dient derhalve in het kader van zijn bevoegdheid te waarborgen dat de verplichtingen van een dergelijke werkgever niet worden beperkt ten opzichte van die vermeld in artikel 2 van genoemde richtlijn.
(1) PB C 79 van 29.3.2008.
Full & Egal Universal Law Academy