30.8.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/18
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Stuttgart — Duitsland) — In de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd/Szymon Kozłowski
(Zaak C-66/08) (1)
(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten - Artikel 4, punt 6 - Grond tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging - Uitlegging van begrippen „ingezetene’ van en „verblijven’ in uitvoerende lidstaat)
(2008/C 223/29)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Stuttgart
Partij in het hoofdgeding
Szymon Kozłowski
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Stuttgart — Uitlegging van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1) — Mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging te weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een persoon die verblijft in de uitvoerende lidstaat, waarvan hij ingezetene is — Begrippen „woonplaats” en „verblijf” — Uitlegging van artikel 6, lid 1, EU in samenhang met de artikelen 12 EG en 17 EG — Nationale wettelijke regeling die, wanneer de gezochte persoon zijn overlevering weigert, een onderscheiden behandeling van deze persoon door de uitvoerende rechterlijke autoriteit mogelijk maakt naargelang hij onderdaan is van de uitvoerende lidstaat of van een andere lidstaat
Dictum
Artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat:
—
een gezocht persoon „ingezetene” is van de uitvoerende lidstaat wanneer hij zijn werkelijke verblijfplaats aldaar heeft gevestigd, en er „verblijft” wanneer hij, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene;
—
de uitvoerende rechterlijke autoriteit, om te bepalen of tussen de gezochte persoon en de uitvoerende lidstaat een band bestaat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het begrip „verblijven” in de zin van voormeld artikel 4, punt 6, op deze persoon van toepassing is, een globale beoordeling moet verrichten van verschillende objectieve elementen die de situatie van deze persoon kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van de gezochte persoon, alsook de familiale en economische bindingen die deze persoon met de uitvoerende lidstaat heeft.
(1) PB C 107 van 26.4.2008.
Full & Egal Universal Law Academy