21.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 282/8
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 oktober 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Amsterdam — Nederland) –Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen Dominic Wolzenburg
(Zaak C-123/08) (1)
(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten - Artikel 4, punt 6 - Grond tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel - Uitvoering in nationaal recht - Aangehouden persoon die onderdaan is van uitvaardigende lidstaat - Weigering van tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel door uitvoerende lidstaat afhankelijk gesteld van verblijf van vijf jaar op zijn grondgebied - Artikel 12 EG)
2009/C 282/14
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partij in het hoofdgeding
Dominic Wolzenburg
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Uitlegging van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1) — Mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om te weigeren een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uit te voeren ten aanzien van een persoon die verblijft in de uitvoerende lidstaat of daarvan ingezetene is — Begrippen „ingezetene” en „verblijft in” — Uitlegging van de artikelen 12 EG, 17 EG en 18 EG — Nationale regelgeving op grond waarvan de gezochte persoon, wanneer deze zijn overlevering weigert, door de uitvoerende gerechtelijke autoriteit verschillend kan worden behandeld naargelang het een onderdaan van de uitvoerende lidstaat of van een andere lidstaat betreft
Dictum
1.
Een onderdaan van een lidstaat die rechtmatig verblijft in een andere lidstaat, kan artikel 12, eerste alinea, EG inroepen tegen een nationale regeling, zoals de Overleveringswet van 29 april 2004, waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waaronder de bevoegde rechterlijke autoriteit kan weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd ter fine van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
2.
Artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval van een burger van de Unie de uitvoerende lidstaat bij de toepassing van de in die bepaling voorziene grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet naast een eis met betrekking tot de duur van het verblijf in die staat aanvullende administratieve eisen kan stellen, zoals het beschikken over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
3.
Artikel 12, eerste alinea, EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regelgeving van de uitvoerende lidstaat op grond waarvan de bevoegde rechterlijke autoriteit van die staat weigert uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat tegen een van zijn onderdanen is uitgevaardigd ter fine van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, terwijl aan een dergelijke weigering in het geval van een onderdaan van een andere lidstaat, die op grond van artikel 18, lid 1, EG een verblijfsrecht heeft, de voorwaarde is verbonden dat die onderdaan gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig op het grondgebied van die uitvoerende lidstaat heeft verbleven.
(1) PB C 116 van 09.05.2008.
Full & Egal Universal Law Academy