15.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 13/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 9 november 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság — Republiek Hongarije) — VB Pénzügyi Lízing Zrt./Ferenc Schneider
(Zaak C-137/08) (1)
(Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Beoordelingscriteria - Ambtshalve onderzoek door nationale rechter van oneerlijk karakter van forumkeuzebeding - Artikel 23 van het Statuut van het Hof)
2011/C 13/02
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: VB Pénzügyi Lízing Zrt.
Verwerende partij: Ferenc Schneider
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Budapesti II. és III. Kerületi Bíróság — Uitlegging van artikel 23, eerste alinea, van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, en van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Forumkeuzebeding waarbij een rechterlijke instantie wordt aangewezen waarvan de plaats van vestiging dichter bij die van de verkoper dan die van de consument ligt — Bevoegdheid van de nationale rechter om in het kader van het onderzoek van zijn bevoegdheid ambtshalve te toetsen of een forumkeuzebeding oneerlijk is — Criteria ter beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding
Dictum
1)
Artikel 23, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de rechter die een prejudiciële verwijzingsprocedure inleidt, hierover ambtshalve gelijktijdig de minister van Justitie van de betrokken lidstaat informeert.
2)
Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie betrekking heeft op de uitlegging van het begrip „oneerlijk beding”, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en in de bijlage daarbij, alsmede op de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan die richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om, rekening houdend met die criteria, zich in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding.
3)
De nationale rechter is verplicht om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen teneinde te kunnen vaststellen of een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen exclusief territoriaal forumkeuzebeding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingsfeer van richtlijn 93/13 valt, en zo ja, ambtshalve te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is.
(1) PB C 183 van 19.07.2008.
Full & Egal Universal Law Academy