2.7.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 10 mei 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidsgericht Hamburg — Duitsland) — Jürgen Römer/Freie und Hansestadt Hamburg
(Zaak C-147/08) (1)
(Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Algemene beginselen van Unierecht - Artikel 157 VWEU - Richtlijn 2000/78/EG - Werkingssfeer - Begrip „beloning” - Uitsluitingen - Beroepspensioenregeling in vorm van aanvullend ouderdomspensioen voor voormalige werknemers van territoriaal lichaam en hun nabestaanden - Pensioenberekeningsmethode die gehuwde pensioenontvangers bevoordeelt ten opzichte van degenen die geregistreerd partnerschap zijn aangegaan - Discriminatie op grond van seksuele geaardheid)
2011/C 194/02
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Arbeidsgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Jürgen Römer
Verwerende partij: Freie und Hansestadt Hamburg
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeitsgericht Hamburg — Uitlegging van het beginsel van gelijke behandeling, van artikel 141 EG, en van de artikelen 1, 2, 3, leden 1, sub c, en 3, en punt 22 van de considerans van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16) — Werkingssfeer van de richtlijn — Uitsluiting van uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming — Uitsluiting van nationale wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen — Beroepspensioenregeling in de vorm van een aanvullend ouderdomspensioen voor voormalige werknemers van een territoriaal lichaam en hun nabestaanden — Pensioenberekeningsmethode die gehuwde pensioenontvangers bevoordeelt ten opzichte van degenen die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan
Dictum
1)
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat aanvullende ouderdomspensioenen zoals die welke aan de voormalige werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg en hun nabestaanden worden uitgekeerd uit hoofde van het Hamburgische Gesetz über die zusätzliche Alters- und Hinterbliebenenversorgung für Angestellte und Arbeiter der Freien und Hansestadt Hamburg (Erstes Ruhegeldgesetz der Freien und Hansestadt Hamburg), in de versie van 30 mei 1995, niet op grond van artikel 3, lid 3, van deze richtlijn en evenmin op grond van punt 22 van de considerans ervan buiten de materiële werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, wanneer zij beloningen in de zin van artikel 157 VWEU zijn.
2)
De gecombineerde bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 staan in de weg aan een nationale bepaling zoals § 10, lid 6, van voormelde wet van de deelstaat Hamburg, op grond waarvan een pensioenontvanger die een levenspartnerschap is aangegaan, een aanvullend ouderdomspensioen ontvangt dat lager is dan dat van een gehuwde pensioenontvanger die niet duurzaam gescheiden leeft, indien
—
in de betrokken lidstaat het huwelijk is voorbehouden aan personen van verschillend geslacht, terwijl daarnaast een levenspartnerschap zoals dat waarin is voorzien bij het Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft van 16 februari 2001, bestaat, dat is voorbehouden aan personen van hetzelfde geslacht, en
—
er een directe discriminatie is op grond van de seksuele geaardheid, doordat bedoelde levenspartner zich naar nationaal recht in een situatie bevindt die, wat bedoeld pensioen betreft, juridisch en feitelijk vergelijkbaar is met die van een gehuwde persoon. De beoordeling van de vergelijkbaarheid behoort tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter en moet worden toegespitst op de respectieve rechten en verplichtingen van gehuwden en personen die een levenspartnerschap hebben gesloten, zoals deze zijn geregeld in het kader van de desbetreffende instituten, die, gelet op het voorwerp en de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken prestatie, relevant zijn.
3)
In het geval dat § 10, lid 6, van het Hamburgische Gesetz über die zusätzliche Alters- und Hinterbliebenenversorgung für Angestellte und Arbeiter der Freien und Hansestadt Hamburg, in de versie van 30 mei 1995, een discriminatie in de zin van artikel 2 van richtlijn 2000/78 vormt, kan een particulier zoals verzoeker in het hoofdgeding pas vanaf het verstrijken van de termijn voor de omzetting van deze richtlijn, dus vanaf 3 december 2003, aanspraak maken op een gelijke behandeling, zonder dat behoeft te worden gewacht totdat die bepaling door de nationale wetgever in overeenstemming met het Unierecht is gebracht.
(1) PB C 171 van 5.7.2008.
Full & Egal Universal Law Academy