1.8.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 180/17
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 11 juni 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — X (C-155/08), E. H. A. Passenheim-van Schoot (C-157/08)/Staatssecretaris van Financiën
(Gevoegde zaken C-155/08 en C-157/08) (1)
(Vrij verrichten van diensten - Vrij verkeer van kapitaal - Vermogensbelasting - Inkomstenbelasting - Spaartegoeden die in andere lidstaat dan woonstaat zijn belegd - Geen aangifte - Navorderingstermijn - Verlenging van navorderingstermijn voor buiten woonstaat aangehouden tegoeden - Richtlijn 77/799/EEG - Wederzijdse bijstand van bevoegde autoriteiten van lidstaten op gebied van directe en indirecte belastingen - Bankgeheim)
2009/C 180/28
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: X (C-155/08), E. H. A. Passenheim-van Schoot (C-157/08)
Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van de artikelen 49 EG en 56 EG — Belastingheffing door een lidstaat over inkomsten (uit spaartegoeden) van een ingezetene van die staat die deze aanhoudt in een instelling in een andere lidstaat — Geen aangifte in de woonstaat — Nationale regeling die voorziet in een navorderingstermijn van 12 jaar voor inkomsten uit een andere lidstaat en van 5 jaar voor binnenlandse inkomsten — Evenredige geldboete — Gevolgen van het bestaan van een bankgeheim in de lidstaat van herkomst van de inkomsten
Dictum
1)
De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.
2)
De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer een lidstaat voor in een andere lidstaat aangehouden tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan voor in eerstgenoemde lidstaat aangehouden tegoeden en deze buitenlandse tegoeden alsmede de inkomsten daaruit zijn verzwegen voor de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat die niet over aanwijzingen beschikten op basis waarvan zij een onderzoek hadden kunnen instellen, de geldboete ter zake van verzwijging van deze buitenlandse tegoeden en inkomsten wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag van de navorderingsaanslag en over deze langere periode.
(1) PB C 158 van 21.6.2008;
PB C 171 van 5.7.2008.
Full & Egal Universal Law Academy