7.11.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 267/18
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 september 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Glaxo Wellcome GmbH & Co. KG/Finanzamt München II
(Zaak C-182/08) (1)
(Vrijheid van vestiging en vrij kapitaalverkeer - Vennootschapsbelasting - Verkrijging van aandelen in kapitaalvennootschap - Voorwaarden voor inaanmerkingneming, bij vaststelling van belastinggrondslag van verkrijger, van waardevermindering van aandeel wegens winstuitkering)
2009/C 267/31
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Glaxo Wellcome GmbH & Co. KG
Verwerende partij: Finanzamt München II
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 43 EG en 56 EG — Verkrijging door een tot verrekening van vennootschapsbelasting gerechtigde belastingplichtige van een aandeel in een onbeperkt belastingplichtige kapitaalvennootschap — Nationaal stelsel dat bij de vaststelling van de belastinggrondslag van de verkrijger rekening houdt met de waardevermindering van het aandeel wegens de dividenduitkering bij verkrijging van een tot verrekening van vennootschapsbelasting gerechtigde aandeelhouder, maar deze vermindering van de belastinggrondslag uitsluit bij verkrijging van een niet tot verrekening van vennootschapsbelasting gerechtigde aandeelhouder
Dictum
Artikel 73 B van het EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die de waardevermindering van aandelen ten gevolge van winstuitkeringen uitsluit van de belastinggrondslag van een ingezeten belastingplichtige wanneer deze belastingplichtige aandelen in een ingezeten kapitaalvennootschap verkrijgt van een niet-ingezeten aandeelhouder, terwijl in geval van een verkrijging van aandelen van een ingezeten aandeelhouder een dergelijke waardevermindering de belastinggrondslag van de verkrijger vermindert.
Deze vaststelling gaat op wanneer een dergelijke wettelijke regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen en volstrekt kunstmatige constructies te voorkomen die geen verband houden met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om onterecht een fiscaal voordeel te verkrijgen. Het staat aan de verwijzende rechter te onderzoeken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken.
(1) PB C 197 van 2.8.2008.
Full & Egal Universal Law Academy