16.1.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 11/3
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 12 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — TeliaSonera Finland Oyj/iMEZ Ab
(Zaak C-192/08) (1)
(Telecommunicatiesector - Elektronische communicatie - Richtlijn 2002/19/EG - Artikel 4, lid 1 - Netwerken en diensten - Interconnectieovereenkomsten tussen telecommunicatieondernemingen - Verplichting om te goeder trouw te onderhandelen - Begrip „exploitant van openbare communicatienetwerken” - Artikelen 5 en 8 - Bevoegdheid van nationale regelgevende instanties - Onderneming zonder aanmerkelijke marktmacht)
2010/C 11/04
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TeliaSonera Finland Oyj
Verwerende partij: iMEZ Ab
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Uitlegging van de artikelen 4, lid 1, 5 en 8 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB L 108, blz. 7) — Nationale wettelijke regeling die elke telecommunicatieonderneming verplicht om met andere telecommunicatieondernemingen over interconnectie te onderhandelen — Omvang van verplichting tot onderhandelen en vereisten die door nationale regelgevende instantie kunnen worden opgelegd
Dictum
1.
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn), gelezen in samenhang met de punten 5, 6, 8 en 19 van de considerans en de artikelen 5 en 8 daarvan, staat in de weg aan een nationale wettelijke regeling als de wet op de telecommunicatiemarkt (Viestintämarkkinalaki) van 23 mei 2003, voor zover daarbij de mogelijkheid om een beroep te doen op de verplichting tot onderhandelen ter zake van interconnectie van netwerken, niet wordt beperkt tot exploitanten van openbare communicatienetwerken. Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of de exploitanten waarom het in het hoofdgeding gaat, gezien hun status en aard, kunnen worden gekwalificeerd als exploitanten van openbare communicatienetwerken.
2.
Een nationale regelgevende instantie kan zich op het standpunt stellen dat de verplichting tot onderhandelen over interconnectie is geschonden, wanneer een onderneming die geen aanmerkelijke marktmacht bezit, een andere onderneming interconnectie aanbiedt tegen eenzijdige voorwaarden die de ontwikkeling van een door concurrentie gekenmerkte detailhandelsmarkt kunnen belemmeren, wanneer die voorwaarden de klanten van die andere onderneming beletten om gebruik te maken van de diensten van laatstbedoelde onderneming.
3.
Een nationale regelgevende instantie kan een onderneming die geen aanmerkelijke marktmacht bezit, maar die de toegang tot de eindgebruikers controleert, verplichten om met een andere onderneming te goeder trouw te onderhandelen over hetzij interconnectie van de twee betrokken netwerken, indien de onderneming die om een dergelijke toegang verzoekt, moet worden gekwalificeerd als exploitant van openbare communicatienetwerken, hetzij interoperabiliteit van de tekstbericht- en multimediaberichtdiensten, indien deze onderneming niet als zodanig kan worden gekwalificeerd.
(1) PB C 197 van 02.08.2008.
Full & Egal Universal Law Academy