19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/4
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 29 april 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Østre Landsret — Denemarken) — Dansk Transport og Logistik/Skatteministeriet
(Zaak C-230/08) (1)
(Communautair douanewetboek - Artikelen 202, 215, leden 1 en 3, 217, lid 1, en 233, eerste alinea, sub d - Begrip „in beslag genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand verbeurdverklaarde” goederen - Verordening tot uitvoering van douanewetboek - Artikel 867 bis - Richtlijn 92/12/EEG - Artikel 5, leden 1 en 2, artikel 6, artikel 7, lid 1, artikel 8 en artikel 9 - Zesde btw-richtlijn - Artikel 7, artikel 10, lid 3, en artikel 16, lid 1 - Op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen - Transport van goederen onder geleide van TIR-carnet - Beslag en vernietiging - Bepaling van lidstaat waar douaneschuld, accijns en btw ontstaan - Tenietgaan van douane- en belastingschulden)
2010/C 161/06
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Østre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dansk Transport og Logistik
Verwerende partij: Skatteministeriet
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Østre Landsret — Uitlegging van de artikelen 215 en 233 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), van artikel 454 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), van de artikelen 5 en 6 van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1) alsmede van de artikelen 7 en 10 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Tenietgaan van douane- en belastingschuld bij verbeurdverklaring en vernietiging door de autoriteiten van een lidstaat bij onregelmatige invoer van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap
Dictum
1)
Situaties waarin goederen die bij het binnenbrengen ervan in het douanegebied van de Gemeenschap in bewaring worden genomen door de plaatselijke douane- en belastingautoriteiten in de zone waarin het eerste douanekantoor aan de buitengrens van de Gemeenschap is gevestigd, en door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip of naderhand worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, vallen onder het begrip „in beslag genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand verbeurdverklaarde” goederen in de zin van artikel 233, eerste alinea, sub d, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 955/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 1999, zodat de douaneschuld krachtens deze bepaling tenietgaat.
2)
De artikelen 5, lid 1, derde alinea, en 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat goederen die bij het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Gemeenschap door de plaatselijke douane- en belastingsautoriteiten in beslag worden genomen en door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip of naderhand worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, moeten worden geacht niet in de Gemeenschap te zijn ingevoerd zodat ter zake het belastbare feit voor de accijns niet plaatsvindt. Goederen die na het onregelmatig binnenbrengen ervan op dat grondgebied in beslag worden genomen, namelijk nadat zij de zone hebben verlaten waar het eerste douanekantoor in dat grondgebied is gevestigd, en door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip of naderhand worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, worden niet geacht onder een „accijnsschorsingsregeling” te zijn geplaatst in de zin van de artikelen 5, lid 2, eerste alinea, en 6, lid 1, sub c, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 84, lid 1, sub a, en 98 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 955/99, en artikel 867 bis van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1662/1999 van de Commissie van 28 juli 1999, zodat het belastbare feit voor de accijns over deze goederen plaatsvindt en de accijns ter zake dus verschuldigd wordt.
3)
Artikel 2, punt 2, artikel 7 en artikel 10, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/85/EG van de Raad van 22 oktober 1999, moeten aldus worden uitgelegd dat goederen die door de plaatselijke douane- en belastingsautoriteiten bij het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Gemeenschap in beslag worden genomen en door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip of naderhand worden vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, moeten worden geacht niet in de Gemeenschap te zijn ingevoerd, zodat het belastbare feit voor de belasting over de toegevoegde waarde ter zake van deze goederen niet plaatsvindt en deze belasting dus niet verschuldigd wordt. De artikelen 10, lid 3, tweede alinea, en 16, lid 1, B, sub c, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 867 bis van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1662/1999, moeten evenwel aldus worden uitgelegd dat voor goederen die door deze autoriteiten in beslag zijn genomen na het onregelmatig binnenbrengen ervan op dat grondgebied, namelijk nadat zij de zone hebben verlaten waar het eerste douanekantoor in dat grondgebied is gevestigd, en door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip of naderhand zijn vernietigd zonder uit hun bezit te zijn geweest, het belastbare feit voor de belasting over de toegevoegde waarde plaatsvindt en deze belasting verschuldigd wordt, ook al zijn deze goederen later onder een douaneregeling geplaatst.
4)
De artikelen 202, 215, leden 1 en 3, en 217 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 955/1999, alsook de artikelen 7, lid 2, en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/85, moeten aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van de lidstaat aan de buitengrens van de Gemeenschap waar goederen onregelmatig in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, bevoegd zijn om de douaneschuld en de belasting over de toegevoegde waarde te innen, ook al werden deze goederen vervolgens naar een andere lidstaat gebracht waar zij werden ontdekt en daarna in beslag genomen. De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/99, moeten aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat bevoegd zijn om de accijns te innen, op voorwaarde dat deze goederen voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden. Het staat aan de verwijzende rechter te oordelen of in het voor hem aanhangige geding aan deze voorwaarde is voldaan.
(1) PB C 197 van 2.8.2008.
Full & Egal Universal Law Academy