1.8.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 180/19
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 4 juni 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Budaörsi Városi Bíróság — Hongarije) — Pannon GSM Zrt/Erzsébet Sustikné Győrfi
(Zaak C-243/08) (1)
(Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Rechtsgevolgen van oneerlijk beding - Bevoegdheid en verplichting van nationale rechter om ambtshalve te toetsen of forumkeuzebeding oneerlijk is - Beoordelingscriteria)
2009/C 180/32
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Budaörsi Városi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pannon GSM Zrt
Verwerende partij: Erzsébet Sustikné Győrfi
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Budaörsi Városi Bíróság — Uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Beding waarbij bevoegdheid wordt toegekend aan de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper — Bevoegdheid van de nationale rechter om in het kader van de toetsing van zijn eigen bevoegdheid het oneerlijke karakter van een bevoegdheidsbeding ambtshalve te onderzoeken — Criteria ter beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding
Dictum
1)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding de consument niet bindt en dat het daarvoor niet nodig is dat de consument een dergelijk beding tevoren met succes heeft betwist.
2)
De nationale rechter is gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht hij een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet. De nationale rechter is daartoe ook verplicht wanneer hij onderzoekt of hij ratione loci bevoegd is.
3)
Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of een contractueel beding als het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de criteria om als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 te worden aangemerkt. Hierbij moet de nationale rechter rekening ermee houden dat een beding in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, dat is opgenomen zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld en dat de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bij uitsluiting bevoegd verklaart, als oneerlijk kan worden aangemerkt.
(1) PB C 247 van 27.9.2008.
Full & Egal Universal Law Academy