11.9.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 juli 2010 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-271/08) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijnen 92/50/EEG en 2004/18/EG - Overheidsopdrachten voor diensten - Bedrijfspensioenvoorziening voor werknemers in gemeentelijke overheidsdienst - Rechtstreekse gunning van overeenkomsten, zonder aanbesteding op niveau van Unie, aan assuradeurs die zijn aangewezen in tussen sociale partners gesloten collectieve overeenkomst)
2010/C 246/02
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms en D. Kukovec, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en N. Graf Vitzthum, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: B. Weis Fogh en M. C. Pilgaard Zinglersen, gemachtigden), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk en M. A. Engman, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 8 junctis de titels III tot en met VI van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1) en van artikel 20 junctis de artikelen 23 tot en met 55 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114) — Praktijk van gemeentelijke overheden en bedrijven om opdrachten betreffende bedrijfspensioenregelingen rechtstreeks, zonder openbare aanbestedingsprocedure, te plaatsen
Dictum
1.
Voor zover in 2004 gemeentelijke overheden en bedrijven met meer dan 4 505 personeelsleden, in 2005 gemeentelijke overheden en bedrijven met meer dan 3 133 personeelsleden alsmede in 2006 en 2007 gemeentelijke overheden en bedrijven met meer dan 2 402 personeelsleden dienstenovereenkomsten inzake bedrijfspensioenvoorziening zonder aanbesteding op het niveau van de Europese Unie rechtstreeks hebben gegund aan organen of ondernemingen als bedoeld in § 6 van de collectieve overeenkomst inzake de omzetting van loon in pensioenpremies voor werknemers/werkneemsters in gemeentelijke overheidsdienst (Tarifvertrag zur Entgeltumwandlung für Arbeitnehmer/-innen im kommunalen öffentlichen Dienst), is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die tot en met 31 januari 2006 op haar rustten krachtens artikel 8 junctis de titels III tot en met VI van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, en die sinds 1 februari 2006 op haar rusten krachtens artikel 20 junctis de artikelen 23 tot en met 55 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten.
2.
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3.
De Europese Commissie, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden dragen hun eigen kosten.
(1) PB C 223 van 30.8.2008
Full & Egal Universal Law Academy