22.5.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 134/7
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 25 maart 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Helmut Müller GmbH/Bundesanstalt für Immobilienaufgaben
(Zaak C-451/08) (1)
(Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor uitvoering van werken - Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken - Begrip - Verkoop door overheidsorgaan van stuk grond waarop koper later werken wil uitvoeren - Werken die beantwoorden aan door territoriaal lichaam bepaalde doelstellingen van stedenbouwkundige ontwikkeling)
2010/C 134/10
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Helmut Müller GmbH
Verwerende partij: Bundesanstalt für Immobilienaufgaben
In tegenwoordigheid van: Gut Spascher Sand Immobilien GmbH, Gemeente Wildeshausen
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) — Uitlegging van artikel 1, lid 2, sub b, en lid 3, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114) — Begrippen „overheidsopdracht voor werken” en „concessie voor openbare werken” — Verplichting om een aanbesteding uit te schrijven voor de verkoop van een grondperceel door een derde, wanneer de verkrijger later op dit perceel ter realisering van door een territoriaal lichaam bepaalde stedenbouwkundige doelen bouwwerkzaamheden moet verrichten waarvan de plannen reeds vóór de sluiting van de verkoopovereenkomst waren goedgekeurd door dit lichaam
Dictum
1.
Het begrip „overheidsopdrachten voor werken” in de zin van artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, vereist niet dat de werken waarop de opdracht betrekking heeft, materieel of fysiek ten behoeve van de aanbestedende dienst worden uitgevoerd, wanneer deze werken in het rechtstreekse economische belang van deze dienst worden uitgevoerd. De uitoefening door deze laatste van regulerende bevoegdheden inzake stedenbouw volstaat niet om aan deze laatste voorwaarde te voldoen.
2.
Het begrip „overheidsopdrachten voor werken” in de zin van artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 2004/18 vereist dat de aannemer zich direct of indirect verbindt tot de uitvoering van de betrokken werken en dat de uitvoering van deze verbintenis in rechte kan worden afgedwongen op de naar nationaal recht bepaalde wijze.
3.
De „door de aanbestedende dienst vastgestelde eisen” in de zin van het derde geval van artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 2004/18 kunnen niet bestaan in het enkele feit dat een overheidsdienst een aantal hem voorgelegde bouwplannen onderzoekt of een besluit neemt in de uitoefening van zijn regulerende bevoegdheden inzake stedenbouw.
4.
In omstandigheden als in het hoofdgeding is een concessieovereenkomst voor openbare werken in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 2004/18 uitgesloten.
5.
In omstandigheden als in het hoofdgeding is richtlijn 2004/18 niet van toepassing op een situatie waarin een overheidsinstantie een stuk grond verkoopt aan een onderneming terwijl een andere overheidsinstantie voornemens is een opdracht voor werken op deze grond te plaatsen, hoewel deze laatste nog niet formeel tot de aanbesteding ervan heeft besloten.
(1) PB C 6 van 10.1.2009.
Full & Egal Universal Law Academy