31.7.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/6
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 3 juni 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid/Asociación de Usuarios de Servicios Bancarios (Ausbanc)
(Zaak C-484/08) (1)
(Richtlijn 93/13/EEG - Consumentenovereenkomsten - Bedingen die eigenlijke voorwerp van overeenkomst bepalen - Rechterlijke toetsing van oneerlijk karakter ervan - Daarvan uitgesloten - Strengere nationale bepalingen ter verhoging van beschermingsniveau van consument)
2010/C 209/07
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Supremo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid
Verwerende partij: Asociación de Usuarios de Servicios Bancarios (Ausbanc)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Supremo — Uitlegging van de artikelen 2, 3, lid 1, sub g, en 4, lid 1, EG en van de artikelen 4, lid 2, en 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29) — Strengere nationale bepalingen om een hoger beschermingsniveau van de consument te waarborgen — Toetsing van bedingen die het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of de gelijkwaardigheid van de prijs of vergoeding en de te leveren goederen of te verrichten diensten bepalen
Dictum
1.
De artikelen 4, lid 2, en 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die een rechterlijke toetsing toestaat van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die betrekking hebben op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, ook al zijn deze bedingen duidelijk en begrijpelijk geformuleerd.
2.
De artikelen 2 EG, 3, lid 1, sub g, EG en 4, lid 1, EG verzetten zich niet tegen een uitlegging van de artikelen 4, lid 2, en 8 van richtlijn 93/13 volgens welke de lidstaten een nationale regeling kunnen aannemen die een rechterlijke toetsing toestaat van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die betrekking hebben op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, ook al zijn deze bedingen duidelijk en begrijpelijk geformuleerd.
(1) PB C 19 van 24.1.2009.
Full & Egal Universal Law Academy