19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/9
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 april 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Innsbruck — Oostenrijk) — Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols/Land Tirol
(Zaak C-486/08) (1)
(Sociale politiek - Raamovereenkomsten inzake deeltijdarbeid en inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Nadelige bepalingen van nationale regeling voor arbeidscontractanten die in deeltijd werken, slechts incidenteel worden tewerkgesteld, of met arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd - Beginsel van gelijke behandeling)
2010/C 161/11
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Innsbruck
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols
Verwerende partij: Land Tirol
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landesgericht Innsbruck — Uitlegging van clausule 4, punten 1 en 2, van de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9), clausule 4 van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43), en artikel 14, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204, blz. 23) — Nationale regeling voor arbeidscontractanten, waarvan bepaalde groepen deeltijdwerkers, werknemers met een tijdelijk contract en personen die incidenteel arbeid in loondienst verrichten zijn uitgesloten — Nadelige bepalingen wat het recht op jaarlijkse vakantie betreft, voor werknemers die van voltijdse naar deeltijdse arbeid overgaan en voor werknemers die ouderschapsverlof van twee jaar opnemen — Beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers, van deeltijd- en voltijdwerknemers en van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
Dictum
1)
Het relevante recht van de Unie, in het bijzonder clausule 4, punt 2, van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling als § 55, lid 5, van het Tiroler Landes-Vertragsbedienstetengesetz van 8 november 2000, in de versie die van kracht was voor 1 februari 2009, op grond waarvan bij wijziging van de omvang van de tewerkstelling van een werknemer, de omvang van de nog niet opgenomen vakantie naar evenredigheid wordt aangepast aan de nieuwe arbeidstijd, zodat voor een werknemer die de omvang van zijn tewerkstelling terugbrengt van voltijds naar deeltijds, het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat hij had verworven in de tijd dat hij voltijds werkte, maar dat hij niet heeft kunnen uitoefenen, wordt gereduceerd, respectievelijk dat hij deze vakantie slechts met een lager vakantiegeld kan genieten.
2)
Clausule 4 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling als § 1, lid 2, sub m, van het Tiroler Landes-Vertragsbedienstetengesetz van 8 november 2000, in de versie die van kracht was voor 1 februari 2009, die werknemers die voor een bepaalde tijd van maximaal zes maanden, dan wel slechts incidenteel worden tewerkgesteld, uitsluit van de werkingssfeer van deze wet.
3)
Clausule 2, punt 6, van de op 14 december 1995 gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling als § 60, laatste volzin, van het Tiroler Landes-Vertragsbedienstetengesetz van 8 november 2000, in de versie die van kracht was voor 1 februari 2009, op grond waarvan werknemers die hun recht op een ouderschapsverlof van twee jaar uitoefenen, na afloop van dit verlof het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat zij hebben verworven in het aan de geboorte van hun kind voorafgaande jaar, verliezen.
(1) PB C 44 van 21.2.2009.
Full & Egal Universal Law Academy