15.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 13/3
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 9 november 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag GmbH & Co. KG/„Österreich”-Zeitungsverlag GmbH
(Zaak C-540/08) (1)
(Richtlijn 2005/29/EG - Oneerlijke handelspraktijken - Nationale regeling volgens welke handelspraktijken waarbij aanbieden van geschenken aan consumenten afhankelijk wordt gesteld van aankoop van goederen of diensten, in beginsel verboden zijn)
2011/C 13/04
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag GmbH & Co. KG
Verwerende partij:„Österreich”-Zeitungsverlag GmbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberster Gerichtshof (Oostenrijk) — Uitlegging van de artikelen 3, lid 1, en 5, leden 2 en 5, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22) — Nationale regeling die uitgevers van kranten en tijdschriften verbiedt, geschenken bij kranten of tijdschriften aan te kondigen of aan de consument aan te bieden of te verstrekken en dergelijke geschenken, verbonden aan de verkoop van goederen of de levering van diensten, voor te stellen, zonder het misleidende of agressieve karakter van deze handelspraktijk in aanmerking te nemen — Regeling die niet uitsluitend de consumentenbescherming dient, maar ook gericht is op de instandhouding van de pluriformiteit van de pers en de bescherming van minder sterke concurrenten — Begrip „oneerlijke handelspraktijk”
Dictum
1)
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die voorziet in een algemeen verbod op verkopen waarbij geschenken worden aangeboden, en niet enkel gericht is op de bescherming van de consument, maar ook andere doeleinden nastreeft.
2)
Het loutere feit dat de aan de koop van een krant verbonden mogelijkheid om deel te nemen aan een prijsvraag ten minste voor een deel van de betrokken consumenten de doorslaggevende reden vormt om deze krant te kopen, maakt hiervan nog geen oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/29.
(1) PB C 69 van 21.03.2009.
Full & Egal Universal Law Academy