5.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 148/8
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 15 april 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Friedrich G. Barth/Bundesministerium für Wissenschaft und Forschung
(Zaak C-542/08) (1)
(Vrij verkeer van personen - Werknemers - Gelijke behandeling - Bijzondere anciënniteitstoelage voor hoogleraren waarin wordt voorzien door nationale regeling waarvan onverenigbaarheid met gemeenschapsrecht is vastgesteld in arrest van het Hof - Verjaringstermijn - Beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid)
2010/C 148/12
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Friedrich G. Barth
Verwerende partij: Bundesministerium für Wissenschaft und Forschung
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgerichtshof — Uitlegging van artikel 39 EG, en artikel 7, lid 1 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Nationale regeling die voorziet in een bijzondere anciënniteitstoelage voor hoogleraren, waarvan de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht, in de eerdere versie ervan, is vastgesteld in het arrest van het Hof van 30 september 2003, Köbler (C-224/01) — Gewijzigde regeling die, doordat daarin de verjaringstermijn voor de uitoefening van het betrokken recht op de toelage eerst vanaf de datum van uitspraak van het voormelde arrest van het Hof wordt geschorst, de hoogleraren benadeelt die deze toelage niet konden ontvangen onder de oude, met het gemeenschapsrecht strijdige regeling
Dictum
Het Unierecht verzet zich niet tegen een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke voor aanvragen tot betaling van een bijzondere anciënniteitstoelage die vóór het arrest van 30 september 2003, Köbler (C-224/01), op grond van een met het gemeenschapsrecht onverenigbare nationale regeling werd ontzegd aan een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, een verjaringstermijn van drie jaar geldt.
(1) PB C 90 van 18.4.2009.
Full & Egal Universal Law Academy