CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 19 februari 2009 1(1)
Zaak C‑3/08
Ketty Leyman
tegen
Rijksinstituut voor ziekte‑ en invaliditeitsverzekering (RIZIV)
[verzoek van de Arbeidsrechtbank te Nijvel (België) om een prejudiciële beslissing]
1. Daar het Verdrag slechts in een coördinatie en niet in een volledige harmonisatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid voorziet, kunnen tussen die wetgevingen verschillen blijven bestaan. Het gebruik dat een werknemer van zijn of haar recht van vrij verkeer maakt, kan dus soms in zijn of haar nadeel zijn, zonder dat er sprake is van een schending van het Verdrag. Anderzijds worden de doelstellingen van het Verdrag niet verwezenlijkt, indien de uitoefening van het recht van vrij verkeer leidt tot het verlies van socialezekerheidsvoordelen waarop werknemers volgens de wetgeving van een lidstaat recht hebben. Het voorliggende geval is een goed voorbeeld van dit spanningsveld.
I – Feiten van het hoofdgeding
2. Het prejudiciële verzoek is gedaan in de procedure tussen K. Leyman en het Belgische Rijksinstituut voor ziekte‑ en invaliditeitsverzekering (hierna: „RIZIV”). Leyman heeft de Belgische nationaliteit en heeft van 1971 tot 2003 in België in loondienst gewerkt. In augustus 2003 is zij naar Luxemburg verhuisd en sindsdien valt zij onder het Luxemburgse socialezekerheidsstelsel. Op 8 juli 2005 is zij door de Luxemburgse autoriteiten arbeidsongeschikt verklaard voor de periode van 8 juli 2005 tot 29 februari 2012, de datum waarop zij met pensioen gaat. De Luxemburgse autoriteiten hebben haar bijgevolg met onmiddellijke ingang een invaliditeitsuitkering toegekend, berekend naar verhouding van de duur van de verzekeringstijdvakken die krachtens de voor hen toepasselijke wettelijke regeling waren vervuld. Het bedrag van de uitkering bedraagt 322,83 EUR per maand.
3. Op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(2) heeft Leyman bij het RIZIV een verzoek ingediend voor een invaliditeitsuitkering naar rato van de in België vervulde verzekeringstijdvakken. Op 23 juli 2006 heeft het RIZIV haar die uitkering toegekend ter hoogte van een bedrag van 737,10 EUR per maand. De uitkering zou evenwel eerst ingaan op 8 juli 2006, conform artikel 93 van de Belgische wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Daarin is bepaald dat het recht op invaliditeitsuitkering eerst ingaat na één jaar arbeidsongeschiktheid en dat gedurende deze eerste periode recht bestaat op een zogeheten „primaire ongeschiktheidsuitkering”.
4. Gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid heeft verzoekster bijgevolg een invaliditeitsuitkering van het Groothertogdom Luxemburg ontvangen op basis van de aldaar vervulde verzekeringstijdvakken; van de Belgische socialezekerheidsinstellingen heeft zij daarentegen geen uitkering ontvangen.
5. Leyman heeft tegen de beslissing van het RIZIV beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Nijvel, op grond dat de bepaling van de ingangsdatum van de invaliditeitsuitkering op 8 juli 2006 onverenigbaar is met het recht van vrij verkeer en dat deze uitkering daarom met ingang van 8 juli 2005 moest worden betaald. Omdat in het geschil verschillende vragen van gemeenschapsrecht zijn gerezen, heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en om een prejudiciële beslissing verzocht.
II – Rechtskader en prejudiciële vragen
6. Voor een volledig begrip van de redenering die aan deze prejudiciële verwijzing ten grondslag ligt, en van het belang van de prejudiciële vragen, zal ik kort de relevante bepalingen vermelden.
7. In bijlage IV bij verordening nr. 1408/71 zijn de lidstaten onderverdeeld in twee categorieën op basis van het type sociale wetgeving dat zij toepassen. Bij wetgeving van het type A ligt de hoogte van de uitkering vast, ongeacht de duur van de tijdvakken van verzekering; bij wetgeving van het type B is het bedrag van de uitkering afhankelijk van het aantal krachtens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.
8. Wanneer, zoals in casu, een werknemer achtereenvolgens onderworpen is aan wetgeving van type A, zoals de Belgische, en van type B, zoals de Luxemburgse, is artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71 toepasselijk, dat verwijst naar de bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening, dat wil zeggen de artikelen 44 tot en met 51bis. Volgens deze bepalingen kan een werknemer recht hebben op een invaliditeitsuitkering in verschillende lidstaten, welk recht hij volgens artikel 44, lid 2, verkrijgt op grond van de in de betrokken nationale wettelijke regeling gestelde voorwaarden.
9. Artikel 45, lid 1, bepaalt evenwel dat met het oog op het verkrijgen van het recht op uitkeringen zo nodig rekening moet worden gehouden met alle in andere lidstaten vervulde tijdvakken. Dit beginsel van samentelling van tijdvakken van verzekering is eveneens terug te vinden in artikel 40, lid 3, met betrekking tot het soort situatie waarvan hier sprake is:
„a) Voor de vaststelling van het recht op uitkeringen krachtens de in bijlage IV, deel A, vermelde wetgeving van een lidstaat waarbij de toekenning van een invaliditeitsuitkering afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene gedurende een bepaald tijdvak uitkeringen wegens ziekte heeft ontvangen of arbeidsongeschikt is geweest, wordt, wanneer een werknemer of zelfstandige op wie deze wetgeving van toepassing is geweest wordt getroffen door arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit terwijl de wetgeving van een andere lidstaat op hem van toepassing is, onverminderd het bepaalde in artikel 37, lid 1, rekening gehouden met:
i) elk tijdvak waarover hij op grond van de wetgeving van de tweede lidstaat voor deze arbeidsongeschiktheid uitkeringen wegens ziekte of, in plaats daarvan, zijn loon/salaris heeft genoten;
ii) elk tijdvak waarover hij op grond van de wetgeving van de tweede lidstaat voor de invaliditeit volgende op deze arbeidsongeschiktheid, uitkeringen in de zin van titel III, hoofdstukken 2 en 3, van de verordening heeft genoten,
alsof het een tijdvak betrof waarover hem uitkeringen wegens ziekte waren verleend krachtens de wetgeving van de eerste lidstaat of tijdens hetwelk hij arbeidsongeschikt was in de zin van deze wetgeving.”
10. Ten aanzien van het moment waarop het recht op een invaliditeitsuitkering in het specifieke geval van artikel 40, lid 3, sub a, ontstaat, bepaalt artikel 40, lid 3, sub b:
„b) Het recht op invaliditeitsuitkeringen gaat ten aanzien van de wetgeving van de eerste lidstaat in na afloop van het bij deze wetgeving vastgestelde voorafgaande tijdvak waarover uitkeringen wegens ziekte worden verleend, of na afloop van het bij deze wetgeving vastgestelde voorafgaande tijdvak van arbeidsongeschiktheid, doch niet eerder dan:
i) op de datum waarop het recht op uitkeringen als bedoeld sub a‑ii, hiervóór op grond van de wetgeving van de tweede lidstaat ingaat, of
ii) op de dag volgende op de laatste dag waarop de betrokkene op grond van de wetgeving van de tweede lidstaat recht op uitkeringen wegens ziekte heeft.”
11. Tot slot bepaalt artikel 46 van verordening nr. 1408/71 dat het bedrag van de invaliditeitsuitkering wordt berekend naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke krachtens de wetgeving van de lidstaat zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.
12. In het onderhavige geval doet het probleem zich voor omdat de Belgische en de Luxemburgse wetgeving verschillen ten aanzien van het tijdstip met ingang waarvan de invaliditeitsuitkering verschuldigd is. Terwijl de aanspraak naar Luxemburgs recht ontstaat op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, in dit geval dus op 8 juli 2005, is dat naar Belgisch recht één jaar nadat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, namelijk op 8 juli 2006.
13. Gedurende het eerste jaar van haar arbeidsongeschiktheid heeft verzoekster bijgevolg alleen de Luxemburgse invaliditeitsuitkering ontvangen, die enkel is berekend naar verhouding van de duur van de uitsluitend in Luxemburg vervulde verzekeringstijdvakken en zodoende lager is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering dat zij zou hebben ontvangen indien zij in België was gebleven. Anderzijds heeft het RIZIV eveneens geweigerd haar voor het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid een naar verhouding van de duur van de door haar in België vervulde verzekeringstijdvakken vastgestelde invaliditeitsuitkering toe te kennen, op grond dat naar Belgisch recht aan de invaliditeit eerst een periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaat, de „primaire ongeschiktheid”, en dat in dit geval artikel 40, lid 3, sub b, bepaalt dat het recht op invaliditeitsuitkeringen ten aanzien van de wetgeving van de eerste lidstaat ingaat „na afloop van het voorafgaande tijdvak van arbeidsongeschiktheid”.
14. Volgens Leyman houden die voorschriften een schending in van het gemeenschapsrechtelijke beginsel van vrij verkeer. De verwijzende rechter wenst met zijn twee vragen derhalve in wezen van het Hof te vernemen, of artikel 40, lid 3, sub b, van verordening nr. 1408/71 en artikel 93 van de Belgische wet van 14 juli 1994 verenigbaar zijn met het door artikel 18 EG aan burgers van de Unie toegekende recht om te reizen en te verblijven, voor zover uit die twee bepalingen een mogelijke discriminatie voortvloeit van burgers die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer.
III – Juridische analyse
15. Ik merk om te beginnen op dat de vragen weliswaar naar artikel 18 EG verwijzen, maar de feiten van de zaak onder de werkingssfeer van artikel 39 EG vallen, nu verzoekster haar verblijfplaats naar Luxemburg heeft verlegd om aldaar in loondienst te treden. Daar het recht van iedere burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven een bijzondere uitdrukking vindt in artikel 39 EG met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers(3), is een uitspraak over de uitlegging van artikel 18 EG is niet nodig.
16. De vragen van de verwijzende rechter over de geldigheid van artikel 40, lid 3, sub b, van verordening nr. 1408/71 en artikel 93 van de Belgische wet van 14 juli 1994 zullen dan ook worden onderzocht aan de hand van artikel 39 EG. Doordat de omstreden bepaling voorziet in een wachttijd van één jaar voordat de invaliditeitsuitkering ingaat, kan Leyman volgens de nationale rechter gedurende het eerste jaar van haar arbeidsongeschiktheid geen gebruik maken van de rechten die zij tijdens haar arbeidsloopbaan in België heeft opgebouwd. Zij verkeert daardoor in een nadeligere positie, louter vanwege het feit dat zij gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verkeer.
17. Op het eerste gezicht verbiedt het Verdrag het – door de communautaire regeling gesanctioneerde – verschil tussen de Belgische en Luxemburgse wetgevingen ten aanzien van de aanvangsdatum van de invaliditeitsuitkering niet. Het Verdrag voorziet immers niet in een harmonisatie van de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten, maar slechts in een coördinatie daarvan, aldus artikel 42 EG (voorheen artikel 51 van het Verdrag). Het laat bijgevolg de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten onverlet.(4) Inzonderheid staat het elke lidstaat vrij de voorwaarden voor socialezekerheidsprestaties in zijn wetgeving vast te stellen.(5) Ten gevolge van die bevoegdheid van de lidstaten kunnen verschillen bestaan tussen de nationale socialezekerheidsstelsels in de toepasselijke procedures en in de rechten van de in de lidstaten werkzame personen.(6)
18. De lidstaten hebben op het gebied van prestaties bij ziekte en invaliditeit inderdaad voor verschillende oplossingen gekozen. De gemeenschapswetgever heeft daar notitie van genomen en zich bij de op basis van artikel 42 EG vastgestelde verordening nr. 1408/71 beperkt tot de invoering van een coördinatiestelsel, dat onder meer betrekking heeft op de vaststelling van de wetgeving of wetgevingen die moet(en) worden toegepast op werknemers en zelfstandigen die, in verschillende omstandigheden, gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer.(7) De gemeenschapswetgever kan zodoende niet de inhoud van de nationale socialezekerheidswetgevingen vaststellen. De nationale autoriteiten zijn, onder toezicht van de communautaire rechter, ervoor verantwoordelijk dat hun regels in overeenstemming zijn met het Verdrag.(8)
19. Artikel 40 van verordening nr. 1408/71 voorziet derhalve in een mechanisme ter coördinatie van nationale wettelijke regelingen in het geval dat een werknemer uit een lidstaat met wetgeving van het type A vertrekt om te gaan werken in een andere lidstaat, waar wetgeving van het type B van toepassing is. In dit geval moet, zoals gezegd, iedere lidstaat waarin de sociaal verzekerde in loondienst is geweest, een invaliditeitsuitkering toekennen naar evenredigheid van de tijd dat hij op het grondgebied van die lidstaat heeft gewerkt, indien de werknemer aan de in de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat vastgestelde voorwaarden voor toekenning voldoet. In dit verband aanvaardt artikel 40, lid 3, sub b, van de verordening uitdrukkelijk dat lidstaten met wetgeving van type A de toekenning van een invaliditeitsuitkering soms afhankelijk stellen van het verstrijken van een voorafgaand tijdvak van ziekte of arbeidsongeschiktheid.
20. Het lijkt daarom twijfelachtig dat verzoekster recht heeft op een invaliditeitsuitkering in België vanaf de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid. Aldus zou een verplichting worden opgelegd tot onmiddellijke betaling van een uitkering die naar Belgisch recht eerst na een wachttijd van één jaar wordt verstrekt. Dat zou gelijkstaan aan een gedwongen harmonisatie, terwijl het gemeenschapsrecht slechts in een coördinatie van de nationale wetgevingen voorziet.
21. Levert deze in de Belgische wet neergelegde en in artikel 40, lid 3, sub b, van verordening nr. 1408/71 gesanctioneerde toekenningsvoorwaarde op zich een schending van artikel 39 EG op? Naar mijn mening is dat niet het geval. Deze voorwaarde discrimineert werknemers niet op grond van nationaliteit en evenmin naargelang zij gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer. Zij is eveneens van toepassing op werknemers die hun hele arbeidsloopbaan in België hebben volbracht, en de mogelijke negatieve gevolgen voor werknemers die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, vloeien louter voort uit de conflicterende legislatieve keuzes die België en Luxemburg met betrekking tot de voorwaarden inzake de toekenning van een invaliditeitsuitkering hebben gemaakt.
22. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de Belgische regeling werknemers die van hun recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt, zou benadelen ten opzichte van degenen die op Belgisch grondgebied blijven, indien zij geen aanspraak hadden op een primaire ongeschiktheidsuitkering. Dat brengt ons derhalve bij de vraag of verzoekster op basis van het gemeenschapsrecht in aanmerking kon komen voor de in de Belgische regeling voorziene primaire ongeschiktheidsuitkering. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat Leyman formeel enkel de invaliditeitsuitkering vanaf de eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid claimt. De gestelde vragen hebben evenwel meer in het algemeen betrekking op de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de weigering om gedurende het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid een uitkering te verstrekken, ongeacht de aard daarvan, met inachtneming van alle in België vervulde verzekeringstijdvakken.
23. Deze kwestie houdt geen verband met het feit dat Leyman, doordat zij in Luxemburg is gaan werken, een invaliditeitsuitkering van de Luxemburgse autoriteiten ontvangt naar rato van de korte tijd dat zij in het Groothertogdom verzekerd is geweest en die lager is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering die zij het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid zou hebben ontvangen indien zij in België was gebleven. Zoals hierboven benadrukt, heeft de gemeenschapswetgever de hoogte van de sociale prestaties niet geharmoniseerd. Het Verdrag waarborgt derhalve een werknemer of zelfstandige niet dat de uitbreiding van zijn werkzaamheden naar meer dan één lidstaat of de verlegging daarvan naar een andere lidstaat, voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten, kan een dergelijke uitbreiding of verlegging naargelang het geval voor de betrokkene meer of minder voordelig of nadelig uitvallen voor zijn sociale bescherming.(9) Een eventueel nadeel ten opzichte van de situatie waarin de werknemer al zijn of haar werkzaamheden in eenzelfde lidstaat uitoefent, als gevolg van een uitbreiding of een overbrenging van zijn of haar activiteiten naar één of meer andere lidstaten en van het feit dat hij of zij onder een nieuwe socialezekerheidswetgeving valt, is bijgevolg in beginsel niet in strijd met de bepalingen inzake het recht van vrij verkeer van werknemers.(10)
24. Wel dient echter een onderscheid te worden gemaakt tussen de mogelijke nadelige situatie als gevolg van de toepasselijkheid van de wetgeving van verschillende lidstaten, en de nadelige behandeling van grensoverschrijdende situaties door de wetgeving van eenzelfde lidstaat. Meer bepaald betreft de vraag derhalve de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de onmogelijkheid voor een Belgische werknemer, die naar het Groothertogdom Luxemburg is verhuisd en aldaar, in loondienst, arbeidsongeschikt is geworden, om gedurende het eerste jaar van zijn of haar arbeidsongeschiktheid een uitkering te krijgen met inachtneming van de vroeger aan het RIZIV betaalde bijdragen, terwijl hij of zij vanaf de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking zou zijn gekomen voor een primaire ongeschiktheidsuitkering indien hij of zij in België was gebleven.
25. De Commissie stelt dat de relevante bepaling voor een antwoord op deze vraag niet artikel 40, lid 3, sub b, van verordening nr. 1408/71 is, dat enkel de kwestie van de toekenning van de invaliditeitsuitkering regelt, maar artikel 40, lid 3, sub a, van de verordening. Deze laatste bepaling heeft op grond van haar formulering natuurlijk ook alleen betrekking op invaliditeitsuitkeringen en verplicht de lidstaten die, net als België, de toekenning van die uitkeringen afhankelijk stellen van het verstrijken van een voorafgaand tijdvak van arbeidsongeschiktheid, er enkel toe om bij de vaststelling of aan die voorwaarde is voldaan, rekening te houden met alle tijdvakken waarin de werknemer krachtens de wetgeving van de tweede lidstaat uitkeringen wegens ziekte of invaliditeit voor arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen.(11)
26. Ik herinner er evenwel aan dat, om de doeltreffendheid van het recht van vrij verkeer van werknemers te waarborgen, artikel 42 EG voorziet in de invoering van een methode ter bescherming van migrerende werknemers door „het samentellen van alle tijdvakken welke door de wetgevingen van verschillende landen in aanmerking worden genomen voor het verkrijgen en behouden van het recht op prestaties en voor de vaststelling daarvan”. Volgens vaste rechtspraak moeten bovendien alle bepalingen van verordening nr. 1408/71 worden uitgelegd in het licht van de doelstelling van artikel 42 EG, bij te dragen tot de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers, onder meer door samentelling van de tijdvakken van verzekering, wonen of arbeid.(12) Waar dat niet was gebeurd, heeft het Hof zonder aarzelen een bepaling van verordening nr. 1408/71 ongeldig verklaard, als die de mogelijkheid uitsloot om ter verlenging van de referentieperiode onder de wettelijke regeling van een lidstaat, de tijdvakken in aanmerking te nemen waarin sociale uitkeringen waren toegekend uit hoofde van de wettelijke regeling van een andere lidstaat.(13) Al moge het Verdrag verschillen laten bestaan tussen de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten en bijgevolg ook in de rechten van de personen die er werkzaam zijn, het zou zijn doel niet bereiken indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend. Een dergelijk gevolg zou een werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en daarmee een belemmering van deze vrijheid opleveren.(14) Dat oogmerk impliceert derhalve dat migrerende werknemers geen rechten op socialezekerheidsuitkeringen mogen verliezen, noch het bedrag ervan verminderd mogen zien, doordat zij het hun door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend(15), en dat met name de regel van samentelling van de tijdvakken van verzekering, wonen of arbeid moet waarborgen, dat de uitoefening van het door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer niet tot gevolg heeft, dat een werknemer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid verliest waarop hij aanspraak zou hebben kunnen maken indien hij of zij zijn of haar loopbaan in één enkele lidstaat zou hebben volbracht.(16)
27. In dit geval, indien Leyman altijd in België had gewerkt en daar al haar verzekeringstijdvakken had vervuld, of indien zij daar invalide of arbeidsongeschikt was geraakt, eventueel nadat zij in een andere lidstaat had gewerkt, zou zij voor de periode van 8 juli 2005 tot 7 juli 2006 recht hebben gehad op een primaire ongeschiktheidsuitkering.
28. In het licht van artikel 42 EG bezien, moet artikel 40, lid 3, sub a, van verordening nr. 1408/71 dan ook aldus worden uitgelegd dat een lidstaat, zoals België, niet alleen bij de toekenning van een invaliditeitsuitkering rekening moet houden met alle tijdvakken waarin de betrokken persoon krachtens de Luxemburgse wettelijke regeling een invaliditeitsuitkering heeft ontvangen, maar tevens bij de toekenning en de berekening van de primaire ongeschiktheidsuitkering rekening moet houden met alle krachtens de Luxemburgse wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken, als waren zij krachtens zijn eigen wetgeving vervuld.
29. De Belgische autoriteiten moeten bijgevolg artikel 93 van de wet van 14 juli 1994 lezen en toepassen in het licht van deze uitlegging van artikel 40, lid 3, sub a, van verordening nr. 1408/71. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de lidstaten bij de uitoefening van de bevoegdheid om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten en toe te passen het gemeenschapsrecht eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van werknemers.(17) De bevoegdheid van de lidstaten is dus niet onbeperkt. Zij zijn met name gehouden de geest en de beginselen van verordening nr. 1408/71 te eerbiedigen, waaronder het beginsel dat een persoon niet wordt benadeeld bij de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer, en zich ervan te verzekeren dat de aldus uitgewerkte regeling er niet toe leidt dat deze persoon geen sociale bescherming geniet.(18) Bovendien, hoewel een eventueel nadeel ten opzichte van de werknemer die al zijn of haar werkzaamheden in eenzelfde lidstaat uitoefent, resulterend uit een uitbreiding of overbrenging van zijn of haar activiteiten naar één of meer andere lidstaten en uit het feit dat hij of zij onder een nieuwe socialezekerheidswetgeving valt, bijgevolg in beginsel niet in strijd is met de artikelen 39 EG en 43 EG, mag die wetgeving er niet zonder meer toe leiden dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat er een prestatie tegenover staat.(19) Indien Leyman, zoals gezegd, gedurende het eerste jaar van haar arbeidsongeschiktheid geen uitkering van de Belgische socialezekerheidsinstellingen ontvangt, staat gedurende die periode geen prestatie tegenover de bijdragen die zij in België heeft betaald.
IV – Conclusie
30. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Arbeidsrechtbank te Nijvel gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Artikel 40, lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat een lidstaat met een wetgeving van het type A, die de toekenning van een invaliditeitsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene gedurende een bepaald tijdvak arbeidsongeschikt is geweest, in het geval van een werknemer op wie deze wetgeving van toepassing is geweest wordt getroffen door arbeidsongeschikt met daaropvolgende invaliditeit terwijl de wetgeving van een andere lidstaat op hem van toepassing is, met alle krachtens de wetgeving van de tweede lidstaat vervulde tijdvakken rekening moet houden bij de vaststelling van het recht op en de berekening van de hoogte van een uitkering die volgens zijn wetgeving is verschuldigd aan de arbeidsongeschikte persoon gedurende het betrokken tijdvak.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (geconsolideerde versie – PB 1997, L 28, blz. 1).
3 – Zie in die zin arresten van 26 november 2002, Oteiza Olazabal (C‑100/01, Jurispr. blz. I‑10981, punt 26); 26 april 2007, Alevizos (C‑392/05, Jurispr. blz. I‑3505, punt 66), en 11 september 2007, Hendrix (C‑287/05, Jurispr. blz. I‑6909, punt 61).
4 – Arresten van 9 maart 2006, Piatkowski (C‑493/04, Jurispr. blz. I‑2369, punt 32); 13 mei 2003, Müller‑Fauré en Van Riet (C‑385/99, Jurispr. blz. I‑4509, punt 100), en 3 april 2008, Derouin (C‑103/06, Jurispr. blz. I‑0000, punt 23).
5 – Arresten van 30 januari 1997, Stöber en Piosa Pereira (C‑4/95 en C‑5/95, Jurispr. blz. I‑511, punt 36), en 28 april 1998, Decker (C‑120/95, Jurispr. blz. I‑1831, punt 22); arrest Müller‑Fauré en Van Riet, aangehaald in voetnoot 4, punt 100, en arrest van 21 februari 2008, Klöppel (C‑507/06, Jurispr. blz. I‑943, punt 16).
6 – Arresten van 15 januari 1986, Pinna (41/84, Jurispr. blz. 1, punt 20); 12 juli 1989, Jordan (141/88, Jurispr. blz. 2387, punt 13), en 19 maart 2002, Hervein e.a. (C‑393/99 en C‑394/99, Jurispr. blz. I‑2829, punt 50).
7 – Arrest Hervein e.a., aangehaald in voetnoot 6, punt 52; arrest Derouin, aangehaald in voetnoot 6, punt 20.
8 – Arrest Hervein e.a., aangehaald in voetnoot 6, punt 53.
9 – Arrest Hervein e.a., aangehaald in voetnoot 6, punt 51; arrest Piatkowski, aangehaald in voetnoot 4, punt 34.
10 – Ibid.
11 – Zie voor enkele voorbeelden van de toepassing van deze bepaling de arresten van 9 november 1977, Warry (41/77, Jurispr. blz. 2085), en 12 januari 1983, Coppola (150/82, Jurispr. blz. 43); deze uitspraken zijn thans overgenomen in artikel 40, lid 3, sub a, van verordening nr. 1408/71.
12 – Zie in die zin arresten van 17 december 1998, Lustig (C‑244/97, Jurispr. blz. I‑8701, punt 30); 9 augustus 1994, Reichling (C‑406/93, Jurispr. blz. I‑4061, punt 21); 26 oktober 1995, Moscato (C‑481/93, Jurispr. blz. I‑3525, punt 27), en 26 oktober 1995, Klaus (C‑482/93, Jurispr. blz. I‑3551, punt 21).
13 – Zie arrest van 18 april 2002, Duchon (C‑290/00, Jurispr. blz. I‑3567). Zie voor een analyse Mavridis, P., La sécurité sociale à l’épreuve de l’intégration européenne, Bruylant, 2003, blz. 657-659.
14 – Zie arresten van 5 oktober 1994, Van Munster (C‑165/91, Jurispr. blz. I‑4661, punt 27); 4 oktober 1991, Paraschi (C‑349/87, Jurispr. blz. I‑4501, punt 22); 20 september 1994, Drake (C‑12/93, Jurispr. blz. I‑4337, punt 22), en 11 september 2008, Petersen (C‑228/07, Jurispr. blz. I‑0000, punt 43).
15 – Arrest Lustig, aangehaald in voetnoot 12, punt 31; arrest Reichling, aangehaald in voetnoot 12, punt 24.
16 – Arrest Lustig, aangehaald in voetnoot 12, punt 31; arrest Moscato, aangehaald in voetnoot 12, punt 28.
17 – Arrest van 26 januari 1999, Terhoeve (C‑18/95, Jurispr. blz. I‑345, punt 34); arrest Decker, aangehaald in voetnoot 5, punt 23; arrest Piatkowski, aangehaald in voetnoot 4, punt 33; arrest van 7 juli 2005, Van Pommeren‑Bourgondiën (C‑227/03, Jurispr. blz. I‑6101, punt 39); arresten Derouin, aangehaald in voetnoot 4, punt 25; Klöppel, aangehaald in voetnoot 5, punt 16, en Petersen, aangehaald in voetnoot 4, punt 42.
18 – Arrest Derouin, aangehaald in voetnoot 4, punt 25.
19 – Arrest Hervein e.a., aangehaald in voetnoot 6, punt 51; arrest Piatkowski, aangehaald in voetnoot 4, punt 34.
Full & Egal Universal Law Academy