CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 25 september 2008 (1)
Zaak C‑18/08
Foselev Sud-Ouest SARL
tegen
Administration des douanes et droits indirects
[verzoek van het Tribunal d’instance de Bordeaux (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Belasting op motorvoertuigen – Richtlijn 1999/62/EG – Vrijstelling voor bepaalde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor vervoer van vast gemonteerde uitrustingen bij openbare en industriële werken – Toestemming van Commissie – Rechtstreekse werking van beschikking”
I – Inleiding
1. De Franse Republiek was voornemens voor zware vrachtvoertuigen een vrijstelling van de belasting op de motorvoertuigen (de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ook bekend als de taxe à l’essieu of de belasting naar het aantal assen) te verlenen. Bij richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen(2) is deze belasting geharmoniseerd. Volgens deze richtlijn is voor de toepassing van de vrijstelling de toestemming van de Commissie vereist en de Commissie heeft haar toestemming dan ook via een aan de Franse Republiek gerichte beschikking verleend. Pas een jaar later is het Franse decreet tot invoering van deze vrijstelling uitgevaardigd.
2. Thans is in het geding of een belastingplichtige reeds vóór de uitvaardiging van het decreet rechtstreeks aan de beschikking van de Commissie het recht op de belastingvrijstelling ontleent. Deze vraag is niet alleen aan de orde voor het Tribunal d’instance de Bordeaux, dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof heeft gedaan. Ook andere in eerste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties alsmede de Cour d’appel de Lyon hebben deze kwestie reeds beslecht, weliswaar met een verschillend resultaat.
II – Rechtskader
3. Artikel 6, lid 2, van richtlijn 1999/62 bepaalt:
„De lidstaten kunnen verlaagde tarieven of vrijstellingen toepassen voor:
[...]
b) voertuigen die slechts af en toe deelnemen aan het verkeer op de openbare weg in de lidstaat van registratie en die door natuurlijke of rechtspersonen worden gebruikt die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, mits het vervoer door deze voertuigen niet leidt tot vervalsing van de mededinging, en behoudens toestemming van de Commissie.”
4. Nadat de Franse Republiek de Commissie om toestemming voor vrijstelling van bepaalde voertuigen had verzocht, heeft de Commissie op 20 juni 2005 beschikking 2005/449/EG(3) gegeven, die op 21 juni 2005 in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt. Deze beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
Overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG wordt bij deze de vrijstelling tot en met 31 december 2009 van de belasting op motorvoertuigen van 12 t of meer die uitsluitend voor transport van vast gemonteerde uitrusting bij openbare en industriële werken in Frankrijk gebruikt worden door de Commissie goedgekeurd:
1. Hef‑ en transportwerktuigen met eigen aandrijving (op een rijdend chassis gemonteerde kranen);
2. Mobiele pompen of pompstations, vast gemonteerd op een rijdend chassis;
3. Mobiele motorcompressorgroepen, vast gemonteerd op een rijdend chassis;
4. Betonmolens en betonpompen, vast gemonteerd op een rijdend chassis (met uitzondering van truckmixers voor het transport van beton);
5. Mobiele generatorgroepen, vast geïnstalleerd op een rijdend chassis;
6. Mobiele boormachines, vast geïnstalleerd op een rijdend chassis.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.”
5. Bij decreet nr. 2006-818 van 7 juli 2006, dat op 9 juli 2006 in het Journal officiel van de Franse Republiek werd bekendgemaakt, heeft de Franse Staat tot en met 31 december 2009 een vrijstelling van de belasting op motorvoertuigen ingevoerd voor de in beschikking 2005/449 genoemde voertuigen.
III – Feiten, verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop
6. Foselev Sud-Ouest SARL (hierna: „Foselev”) vordert in het hoofdgeding van de Administration des douanes et des droits indirects terugbetaling van een bedrag van 1 973,74 EUR aan belasting op motorvoertuigen, te vermeerderen met rente en kosten, die zij vanaf 20 juni 2005 tot 9 juli 2006 ten onrechte heeft betaald. Volgens verzoekster ontleent zij het recht op de belastingvrijstelling rechtstreeks aan beschikking 2005/449 van de Commissie, zodat reeds vanaf het tijdstip waarop deze beschikking is gegeven, en niet pas vanaf de inwerkingtreding van het decreet, geen belasting meer is verschuldigd.
7. Bij vonnis van 4 december 2007 heeft het Tribunal d’instance de Bordeaux, dat zich over deze zaak moet uitspreken, het Hof de hierna volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, biedt een lidstaat de mogelijkheid om voor bepaalde categorieën van motorvoertuigen een vrijstelling [van de belasting op motorvoertuigen] te verlenen. Is de door de Commissie bij beschikking van 20 juni 2005 aan Frankrijk gegeven toelating om voor bepaalde categorieën van voertuigen een vrijstelling te verlenen rechtstreeks van toepassing op de particulieren of is een nationale uitvoeringsmaatregel noodzakelijk, nu het gaat om een aan Frankrijk gerichte toelatingsbeschikking?”
8. Foselev, de Franse en de Italiaanse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
IV – Juridische beoordeling
9. Overeenkomstig artikel 249, vierde alinea, EG is een beschikking verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. Artikel 2 van beschikking 2005/449 bepaalt dat zij is gericht tot de Franse Republiek.
10. Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat het met de aan een beschikking toegekende dwingende werking onverenigbaar zou zijn, indien men in beginsel zou uitsluiten dat de door de beschikking geraakte personen zich op de daarbij opgelegde verplichting kunnen beroepen.(4) Derhalve kan een bepaling van een beschikking die tot een lidstaat is gericht, tegen deze lidstaat worden aangevoerd, wanneer die bepaling de adressaat een onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke en nauwkeurige verplichting oplegt.(5)
11. Anders dan de aan de procedure deelnemende regeringen en de Commissie, is Foselev van mening dat de Franse Republiek op grond van beschikking 2005/449 verplicht is, de daarin genoemde vrijstelling in te voeren.
12. Of uit de beschikking een onvoorwaardelijke en voldoende duidelijke en nauwkeurige verplichting voortvloeit om de daarin opgesomde motorvoertuigen vanaf een bepaald tijdstip van de belasting vrij te stellen, moet worden uitgemaakt aan de hand van de bewoordingen ervan en van de in artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62 vervatte machtigingsgrondslag ervan.
13. De bewoordingen van beschikking 2005/449 bevatten niet een dergelijke verplichting. In artikel 1 van de beschikking wordt daarentegen alleen de toestemming van de Commissie voor de door Frankrijk voorgenomen maatregel verleend. Weliswaar is de vrijstelling op grond van deze bepaling slechts tot 31 december 2009 toegestaan, er is evenwel geen aanvangspunt voor de toepassing van de vrijstelling bepaald. Ook nadat de machtigingsbeschikking was gegeven, stond het de Franse Republiek bijgevolg vrij om de toegestane vrijstelling naar eigen goeddunken vanaf een bepaald tijdstip vóór 31 december 2009 in te voeren door een overeenkomstig decreet uit te vaardigen dan wel om desnoods helemaal geen gebruik te maken van deze machtiging.
14. Artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62 biedt de lidstaten de mogelijkheid om de in deze bepaling omschreven vrachtvoertuigen van de belasting vrij te stellen of om verlaagde belastingtarieven toe te passen, zoals duidelijk blijkt uit de woorden „kunnen [...] toepassen”. Volgens deze bepaling behoort het dus tot de bevoegdheid van de lidstaten om van de door de richtlijn geboden mogelijkheid gebruik te maken.
15. Voorwaarde voor de toepassing van een dergelijke nationale uitzonderingsregeling is de toestemming van de Commissie. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht heeft benadrukt, kan haar toestemming voor de belastingvrijstelling de door de richtlijn aan de lidstaten verleende bevoegdheid niet omzetten in een verplichting tot invoering van de belastingvrijstelling.
16. Weliswaar heeft het Hof in het arrest Hansa Fleisch geoordeeld dat het enkele feit dat een beschikking de lidstaten waartoe zij is gericht, toestaat van haar duidelijke en nauwkeurige bepalingen af te wijken, niet tot gevolg kan hebben dat die bepalingen rechtstreekse werking missen.(6)
17. Evenwel is de rechtssituatie in dat geval niet te vergelijken met die in casu. Bij de toen toepasselijke beschikking werd een forfaitaire retributie voor sanitaire controles vastgesteld, doch de lidstaten werden ertoe gemachtigd, afwijkende retributieniveaus toe te passen ter dekking van de werkelijke keuringskosten. Anders dan beschikking 2005/449 legde deze beschikking derhalve de verplichting op tot invoering van bepaalde retributies. Weliswaar waren de lidstaten ertoe gemachtigd van de forfaitaire retributies afwijkende retributieniveaus vast te stellen, maar de beschikking stelde de uitvaardiging van deze nationale afwijkende maatregelen afhankelijk van voorwaarden. Het Hof achtte het namelijk noodzakelijk dat de individuele retributieplichtige zich voor een nationale rechterlijke instantie rechtstreeks op de beschikking kon beroepen teneinde te toetsen of de afwijking van de forfaitaire retributieniveaus in overeenstemming was met de voorschriften van de beschikking.(7)
18. De vaststellingen van het Hof in het arrest Hansa Fleisch kunnen niet op het onderhavige geval worden toegepast, aangezien beschikking 2005/449 noch de eraan ten grondslag liggende richtlijn 1999/62 de lidstaten een verplichting oplegt tot invoering van de belastingvrijstelling waarvan de nakoming aan een rechterlijke toetsing moet zijn onderworpen. In de periode waarvoor Foselev de belastingvrijstelling vordert, bestond bovendien helemaal nog geen nationale uitvoeringsmaatregel waarvan de overeenstemming met de beschikking van de Commissie door een rechterlijke instantie moet kunnen worden getoetst.
19. Eventueel zou met de zaak Hansa Fleisch een parallel te maken zijn indien de Commissie de Franse Republiek had toegestaan voor bepaalde vrachtvoertuigen een verlaagd tarief toe te passen en vervolgens daarvan afwijkende belastingtarieven zouden zijn toegepast. Dit is echter niet het geval. Bijgevolg wordt niet afgedaan aan de conclusie dat beschikking 2005/449 de Franse Republiek geen verplichting tot invoering van de belastingvrijstelling vanaf een bepaald tijdstip oplegt.
20. De verwijzing door Foselev naar artikel 254, lid 3, EG wijzigt daaraan niets. Volgens deze bepaling wordt van beschikkingen kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht en worden zij door deze kennisgeving van kracht. Evenwel wordt alleen die regeling van kracht die in de desbetreffende beschikking ook daadwerkelijk is vervat.
21. De kennisgeving van beschikking 2005/449 aan de Franse Republiek (of eventueel ook de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie(8)) heeft tot gevolg dat de toestemming voor toepassing van de belastingvrijstelling van kracht wordt. Had de Franse wetgever het decreet reeds vóór de kennisgeving van de toestemming uitgevaardigd en de toepassing ervan afhankelijk gesteld van de opschortende voorwaarde dat de Commissie met de maatregel instemt, dan zou Foselev zich reeds vanaf de inwerkingtreding van de beschikking op de belastingvrijstelling hebben kunnen beroepen.(9) In dat geval zou de vrijstelling echter niet rechtstreeks uit de beschikking voortvloeien, doch uit het decreet. De nationale wetgever heeft evenwel gekozen voor een andere benadering die hij met evenveel recht kon volgen: hij heeft gewacht op de toestemming van de Commissie en pas daarna het decreet tot omzetting van de belastingvrijstelling in het nationale belastingrecht uitgevaardigd. Dat tussen beide handelingen meer dan een jaar is verstreken, is uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht irrelevant.
V – Conclusie
22. Derhalve geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Tribunal d’instance de Bordeaux te beantwoorden als volgt:
„Beschikking 2005/449/EG van de Commissie van 20 juni 2005, waarbij de Commissie de Franse Republiek toestemming verleent om bepaalde categorieën van voertuigen vrij te stellen van de belasting op motorvoertuigen overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG, verleent particulieren geen rechtstreeks recht op de belastingvrijstelling. Het recht op de belastingvrijstelling ontstaat daarentegen pas wanneer de betrokken lidstaat een overeenkomstige nationale uitvoeringsmaatregel heeft uitgevaardigd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 187, blz. 42.
3 – Beschikking 2005/449/EG van de Commissie van 20 juni 2005 betreffende een verzoek om vrijstelling van de belasting op motorvoertuigen door Frankrijk ingediend krachtens artikel 6, lid 2, sub b, van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 158, blz. 23).
4 – Arresten van 6 oktober 1970, Grad (9/70, Jurispr. blz. 825, punt 5), en 10 november 1992, Hansa Fleisch (C‑156/91, Jurispr. blz. I‑5567, punt 12). Zie eveneens meer bepaald wat de rechtstreekse werking van een beschikking betreft, conclusie van advocaat-generaal Trstenjak van 29 maart 2007, Carp (C‑80/06, Jurispr. blz. I‑4473, punten 55 e.v.).
5 – Arresten Grad (aangehaald in voetnoot 4, punt 9) en Hansa Fleisch (aangehaald in voetnoot 4, punt 13).
6 – Arrest Hansa Fleisch (aangehaald in voetnoot 4, punt 15).
7 – Zie arrest Hansa Fleisch (aangehaald in voetnoot 4, punt 15) met verwijzing naar arrest van 4 december 1974, Van Duyn (41/74, Jurispr. blz. 1337, punt 7).
8 – Zie in verband met de kennisgeving en de bekendmaking in het Publicatieblad ook mijn conclusie van 13 december 2007, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 82).
9 – Indien men de rechtsopvatting van Foselev volgt, dan zou de Franse wetgever hetzij deze benadering hebben moeten volgen, hetzij de belastingvrijstelling met terugwerkende kracht moeten invoeren, aangezien er anders in de periode tussen de kennisgeving van de beschikking en de uitvaardiging van het decreet immers steeds sprake zou zijn van niet-nakoming van de „verplichting” tot invoering van de belastingvrijstelling.
Full & Egal Universal Law Academy