CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 14 mei 2009 (1)
Zaak C‑116/08
C. Meerts
tegen
Proost NV
[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]
„Ouderschapsverlof – Eenzijdige opzegging van arbeidsovereenkomst door werkgever – Opzeggingsvergoeding – Richtlijn 96/34/EG”
I – Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof.(2) Het biedt de gelegenheid de rechtspositie van werknemers met ouderschapsverlof te preciseren.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
2. Richtlijn 96/34 voert de op 14 december 1975 tussen de Europese sociale partners gesloten raamovereenkomst uit.
3. In de negende overweging van de preambule van de bij richtlijn 96/34 gevoegde raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof wordt gezegd:
„Overwegende dat deze overeenkomst een raamovereenkomst is die minimumvoorschriften en bepalingen bevat inzake ouderschapsverlof, dat moet worden onderscheiden van moederschapsverlof, [...], en het aan de lidstaten en de sociale partners overlaat de voorwaarden en wijze van toepassing vast te stellen, teneinde rekening te houden met de situatie in elke lidstaat.”
4. Clausule 1 van de raamovereenkomst stelt haar doel en werkingssfeer vast:
„Deze overeenkomst behelst minimumvoorschriften die het werkende ouders gemakkelijker moeten maken hun beroeps‑ en gezinstaken te combineren.”
5. Clausule 2, punt 1, van de raamovereenkomst, met de titel „Ouderschapsverlof”, bepaalt:
„Krachtens deze overeenkomst wordt onder voorbehoud van clausule 2.2 aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend om hen in staat te stellen gedurende ten minste drie maanden tot een door de lidstaten en/of de sociale partners vast te stellen leeftijd van maximaal acht jaar voor hun kind te zorgen.”
6. Clausule 2, punt 4, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof bepaalt:
„Teneinde te waarborgen dat de werknemers van hun recht op ouderschapsverlof gebruik kunnen maken, nemen de lidstaten en/of de sociale partners overeenkomstig de wetgeving, de collectieve overeenkomsten of de nationale gebruiken de nodige maatregelen om de werknemers tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen.”
7. Clausule 2, punt 5, luidt:
„Na afloop van het ouderschapsverlof heeft de werknemer het recht terug te keren in zijn oude functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding.”
8. Clausule 2, punt 6, bepaalt:
„De op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording blijven ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Na afloop van het ouderschapsverlof zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing.”
B – Nationaal recht
9. De verwijzende rechter geeft het volgende beeld van de situatie naar Belgisch recht.
10. Richtlijn 96/34 is in België omgezet bij koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof.
11. Overeenkomstig artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit kan een werknemer ouderschapsverlof nemen door:
– hetzij gedurende een periode van drie maanden de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst te schorsen;
– hetzij gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een halftijdse vermindering;
– hetzij gedurende een periode van vijftien maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds voort te zetten in de vorm van een vermindering met één vijfde.
12. Een werknemer die ouderschapsverlof neemt, ontvangt een uitkering van de staat.
13. De regelingen inzake ouderschapsverlof maken deel uit van een bestaande wettelijke regeling inzake loopbaanonderbreking. Met het begrip „loopbaanonderbreking” wordt in België een regeling bedoeld die het mogelijk maakt om hetzij de uitvoering van de arbeidsprestaties tijdelijk te schorsen, hetzij ze te verminderen. De wetsbepalingen hierover zijn vooral te vinden in afdeling 5 van de herstelwet van 22 januari 1985.
14. Artikel 101 van de herstelwet bepaalt dat wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd, de werkgever niet eenzijdig een einde mag maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden.
15. Artikel 103 van de herstelwet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.
16. Volgens artikel 103 van de herstelwet moet met de duur van deze opzeggingstermijn eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de opzeggingsvergoeding, bedoeld bij artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet.
17. De herstelwet zegt niets over het loonbedrag dat aan de berekening van de opzeggingsvergoeding ten grondslag moet liggen. In dit opzicht is het algemene arbeidsovereenkomstenrecht, in het bijzonder artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet, van toepassing.
18. Volgens artikel 39, § 1, eerste alinea, van de arbeidsovereenkomstenwet is in het geval van een overeenkomst voor onbepaalde tijd de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.
19. Ook in dat geval wordt bij vermindering van de arbeidsprestaties de opzeggingstermijn berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.
20. Voor de vaststelling van de opzeggingsvergoeding overeenkomstig artikel 39, § 1, van de arbeidsovereenkomstenwet geldt daarentegen geen afwijkende regeling zodat de opzeggingsvergoeding voor een werknemer die zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, bij eenzijdige beëindiging door de werkgever moet worden berekend op basis van het loon waarop de werknemer op het tijdstip waarop hem de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt meegedeeld, daadwerkelijk recht heeft.
21. Deze bepalingen vinden volgens de inlichtingen van de verwijzende rechter ook toepassing wanneer de werknemer zijn arbeidstijd voor ouderschapsverlof heeft verminderd.
III – Feiten en hoofdgeding
22. De volgende feiten blijken uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en uit de opmerkingen van partijen.
23. Meerts was sinds 1992 in dienst van NV Proost op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Zij verminderde haar arbeidsprestaties in de periode van 18 november 2000 tot 17 mei 2003 met de helft voor ouderschapsverlof.
24. Op 8 mei 2003, dus negen dagen vóór het einde van het ouderschapsverlof, heeft NV Proost Meerts om economische redenen ontslagen zonder inachtneming van de opzeggingstermijn. Twistpunt tussen partijen is niet het ontslag zelf, maar alleen het bedrag van de te betalen opzeggingsvergoeding. Meerts kreeg van haar werkgever een opzeggingsvergoeding waarvan het bedrag is berekend op basis van haar deeltijdloon tijdens het ouderschapsverlof. Meerts is evenwel van mening dat de vergoeding moet worden gebaseerd op het volledige loon dat zij vóór de ingang van het ouderschapsverlof ontving en na het einde van het ouderschapsverlof opnieuw zou hebben ontvangen.
25. Derhalve vorderde Meerts een hogere vergoeding voor de Arbeidsrechtbank te Turnhout. Deze vordering werd afgewezen. Ook in hoger beroep tegen dat vonnis bij het Arbeidshof te Antwerpen is de vordering afgewezen. Daartegen heeft Meerts cassatieberoep bij de verwijzende rechter ingesteld.
26. Het geschil tussen partijen betreft alleen de vraag of Meerts recht heeft op een opzeggingsvergoeding, berekend op basis van het deeltijdloon dat zij wegens de vermindering van haar arbeidsprestaties tijdens het ouderschapsverlof ontving of op basis van het voltijdloon waarop zij vóór het begin van het ouderschapsverlof recht had.
IV – Prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
27. Bij op 17 maart 2008 ter griffie van het Hof ingekomen arrest van 25 februari 2008 heeft het Hof van Cassatie de procedure geschorst en het Hof de volgende vraag voorgelegd:
„Moeten de bepalingen van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7, van de [...] raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, [...], aldus worden uitgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, de aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van het basisloon berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd als vorm van ouderschapsverlof in de zin van punt 3.a van clausule [2] van de raamovereenkomst?”
28. In de procedure voor het Hof hebben naast Meerts en NV Proost, de Belgische, de Franse en de Griekse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend.
V – Beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek
29. Volgens de Commissie is het prejudiciële verzoek niet-ontvankelijk. Het geeft alleen de grieven van eiseres in cassatie weer zonder dat voldoende duidelijk blijkt waarom de verwijzende rechter een uitlegging van de raamovereenkomst noodzakelijk acht.
30. Volgens vaste rechtspraak is de beoordeling van de noodzaak van een prejudiciële beslissing uitsluitend een zaak van de nationale rechter, en is het Hof, wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, in beginsel verplicht daarop te antwoorden.(3) Algemeen rust een vermoeden van relevantie op de prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties, dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden opgeheven, namelijk wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.(4) Een prejudicieel verzoek van een nationale rechter kan ook worden afgewezen wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(5)
31. In casu kan geen sprake zijn van kennelijke irrelevantie van de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie. Richtlijn 96/34 voert namelijk voor werknemers minimumrechten op ouderschapsverlof in, die in het hoofdgeding bij de berekening van de opzeggingsvergoeding voor een werkneemster met ouderschapsverlof relevant kunnen zijn. Ook kunnen de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor een nuttig antwoord op de gestelde vraag noodzakelijk zijn, afdoende uit de verwijzingsbeslissing worden afgeleid.
32. Het prejudiciële verzoek is dus ontvankelijk.
B – Inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vraag
33. De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof in verband met nationale bepalingen over de vergoeding bij ontslag zonder opzeggingstermijn.
34. Ik ga akkoord met de Commissie dat de uitlegging van clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst in casu centraal staat. De overige punten van clausule 2 zijn daarentegen niet rechtstreeks van toepassing.
35. Clausule 2, punt 4, van de raamovereenkomst bepaalt dat de lidstaten en/of de sociale partners de nodige maatregelen nemen om de werknemers tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen. Deze regeling betreft het ontslag zelf en niet rechtstreeks de gevolgen van het ontslag. Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter twisten de partijen in het hoofdgeding evenwel uitsluitend over de ten gevolge van het ontslag te betalen opzeggingsvergoeding. Clausule 2, punt 4, kan dus hooguit incidenteel bij de uitlegging van clausule 2, punt 6, relevant zijn.
36. Evenmin kan uit clausule 2, punt 5, van de raamovereenkomst rechtstreeks iets worden afgeleid over het bedrag van de opzeggingsvergoeding bij ontslag tijdens het ouderschapsverlof. Deze bepaling regelt namelijk alleen het verdere verloop van de arbeidsverhouding na afloop van het ouderschapsverlof. Zij veronderstelt dus dat de arbeidsverhouding wordt voortgezet, terwijl in casu de regeling van een gevolg van het ontslag moet worden beoordeeld.
37. Clausule 2, punt 7, volgens welke de lidstaten en/of de sociale partners de regeling vaststellen die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsverhouding van toepassing is, kan hooguit indirect de beoordeling van een nationale regeling inzake de opzeggingsvergoeding beïnvloeden.
38. Hierna dient dus te worden nagegaan wanneer een regeling over het bedrag van de opzeggingsvergoeding de verworven rechten van een werknemer in de zin van clausule 2, punt 6, aantast. Volgens deze bepaling blijven de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording namelijk ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof.
1. Beschermde rechtspositie
39. De door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn hangt naar Belgisch arbeidsrecht af van de duur van de diensttijd van de werknemer bij het bedrijf. Hoe langer de diensttijd, hoe langer de opzeggingstermijn. De door de werknemer „verworven” duur van de opzeggingstermijn valt ongetwijfeld onder de bescherming van clausule 2, punt 6. Op de arbeidsverhouding van een werknemer die bij ontslag met ouderschapsverlof is, moet dus dezelfde opzeggingstermijn worden toegepast als die welke vóór het begin van het ouderschapsverlof van toepassing was geweest.
40. Naar Belgisch recht bepaalt de duur van de opzeggingstermijn ook het bedrag van de aan de werknemer bij ontslag zonder opzeggingstermijn te betalen opzeggingsvergoeding. Deze wordt namelijk berekend op basis van het bedrag van het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De door de werknemer door zijn diensttijd bij het bedrijf „verworven” opzeggingstermijn beïnvloedt dus het bedrag van zijn opzeggingsvergoeding. Wegens deze band tussen de duur van de diensttijd bij het bedrijf en het bedrag van de opzeggingsvergoeding bij ontslag zonder opzeggingstermijn is voor het recht van een werknemer op opzeggingsvergoeding sprake van een „verworven recht” in de zin van clausule 2, punt 6.(6)
41. De juiste inhoud van dit „verworven recht” van de werknemer is evenwel onzeker. Twee uitleggingsalternatieven dienen zich aan.
42. Om te beginnen kan als „verworven recht” de rechtspositie van de werknemer met haar economische waarde vóór de ingang van het ouderschapsverlof worden beschouwd. Dan mag bij ontslag tijdens het ouderschapsverlof de opzeggingsvergoeding niet geringer zijn dan bij ontslag de laatste dag vóór de ingang van het ouderschapsverlof. Het recht op een opzeggingsvergoeding van die hoogte heeft de werknemer namelijk vóór de ingang van het ouderschapsverlof verworven. Volgens deze opvatting verbiedt clausule 2, punt 6, om bij ontslag tijdens het ouderschapsverlof een lagere opzeggingsvergoeding te betalen.
43. Er is evenwel nog een andere opvatting met betrekking tot het „verworven recht”, die aanknoopt bij de concrete loonderving. Voor zover de opzeggingsvergoeding alleen het gebrek aan opzeggingstermijn bij ontslag compenseert, kan het verworven recht ook alleen worden geacht te liggen in het feit dat de werknemer door de opzeggingsvergoeding even goed af moet zijn als bij ontslag met opzeggingstermijn. Clausule 2, punt 6, zou dan alleen verbieden dat bij ontslag zonder opzeggingstermijn tijdens het ouderschapsverlof de opzeggingsvergoeding lager is dan het loon dat anders tijdens de opzeggingstermijn zou zijn ontvangen. Dat de opzeggingsvergoeding is bedoeld voor het geval van ontslag zonder opzeggingstermijn en wordt bepaald op basis van het anders tijdens de opzeggingstermijn ontvangen loon, kan erop duiden dat zij strekt tot compensatie van het gebrek aan opzeggingstermijn.
44. Alvorens nader in te gaan op deze twee uitleggingsalternatieven, dien ik eerst de concrete gevolgen ervan voor het hoofdgeding te bespreken.
45. Volgens de benadering op basis van de positie van de werknemer vóór de ingang van het ouderschapsverlof had Meerts als opzeggingsvergoeding ten minste recht op het bedrag dat zij zou hebben ontvangen bij ontslag zonder opzeggingstermijn op de laatste dag vóór de ingang van haar ouderschapsverlof. Dat zij bij het ontslag in de loop van haar ouderschapsverlof alleen een deeltijdloon ontving, laat volgens deze benadering het bedrag van haar opzeggingsvergoeding onverlet. Deze wordt verder berekend op basis van het voorheen ontvangen voltijdloon.
46. Wanneer wordt uitgegaan van de uitlegging van het „verworven recht” die aanknoopt bij de concrete loonderving, is de berekening van de door clausule 2, punt 6, beschermde opzeggingsvergoeding wat ingewikkelder. Meerts moet als opzeggingsvergoeding het bedrag ontvangen dat zij bij ontslag met opzeggingstermijn tijdens de opzeggingstermijn als loon zou ontvangen. Voor het gedeelte van de opzeggingstermijn dat binnen de periode van het ouderschapsverlof valt, wordt de opzeggingsvergoeding dus berekend op basis van het deeltijdloon. Voor het daarop aansluitende gedeelte van de opzeggingstermijn dat in de periode na de beëindiging van het ouderschapsverlof en de terugkeer in voltijddienst valt, dient te worden uitgegaan van het voltijdloon. Aangezien Meerts negen dagen vóór het einde van haar ouderschapsverlof is ontslagen, komt haar opzeggingsvergoeding dus voor deze negen dagen overeen met het deeltijdloon, maar voor de rest van de opzeggingstermijn met het voltijdloon.
47. Economisch beschouwd zou in het hoofdgeding tussen de twee uitleggingsvarianten dus geen groot verschil bestaan. Hoe vroeger tijdens het ouderschapsverlof zonder opzeggingstermijn wordt ontslagen, hoe duidelijker evenwel de verschillen in oplossing tussen de twee uitleggingsvarianten.
48. Als voorlopig resultaat kan hier reeds worden vastgesteld dat in het kader van een regeling als de onderhavige voor de berekening van de opzeggingsvergoeding in elk geval niet alleen mag worden uitgegaan van het louter tijdens het ouderschapsverlof ontvangen deeltijdloon. Dat zou volgens de twee uitleggingsalternatieven namelijk een verworven recht aantasten.
49. De Belgische regering pleit voor de berekening van de opzeggingsvergoeding alleen op basis van het deeltijdloon en wijst erop dat naar Belgisch recht de arbeidsverhouding van een werknemer die voor ouderschapsverlof zijn arbeidsprestaties vermindert, voor de duur van het ouderschapsverlof in een deeltijdarbeidsverhouding verandert. Clausule 2, punt 7, van de raamovereenkomst bevestigt weliswaar dat de lidstaten de regeling kunnen vaststellen die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsverhouding van toepassing is, maar zij mogen uit de regeling van de arbeidsverhouding niet in strijd met de duidelijke bepaling van clausule 2, punt 6, beperkingen van de verworven rechten van de werknemer afleiden.
2. Bespreking van de uitleggingsalternatieven
50. Voor de uitlegging van clausule 2, punt 6, die uitgaat van de concrete loonderving, pleit om te beginnen dat zij voorkomt dat werknemers met ouderschapsverlof die zonder opzeggingstermijn worden ontslagen, beter af zijn dan werknemers met ouderschapsverlof die met inachtneming van de termijn worden ontslagen. Indien de opzeggingsvergoeding alleen een compensatie voor het ontbreken van de opzeggingstermijn vormt, kan worden betoogd dat het logisch is de werknemer financieel alleen te behandelen als ware een opzeggingstermijn in acht genomen. Indien de opzeggingsvergoeding ook andere doelen nastreeft, is een gelijke behandeling met een met inachtneming van de opzeggingstermijn ontslagen werknemer a priori niet vereist.
51. Of de opzeggingsvergoeding naar Belgisch recht daadwerkelijk alleen een compensatie voor het ontslag zonder opzeggingstermijn vormt, hetgeen verzoekster in het hoofdgeding ter terechtzitting heeft betwist, is een vraag van nationaal recht, die uitsluitend ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
52. Mij lijkt de voorkeur evenwel toch naar de economische benadering te moeten gaan, die in het concrete geval bij de berekening van de opzeggingsvergoeding uitgaat van het vóór het ouderschapsverlof ontvangen voltijdloon. Alleen deze uitlegging van de regeling waarborgt daadwerkelijk het doel van clausule 2, punt 6, om werknemers bij het opnemen van ouderschapsverlof te beschermen.
53. Het doel van de raamovereenkomst is volgens haar preambule de combinatie van beroeps‑ en gezinsleven te verbeteren en gelijke kansen en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen. Zij verwijst daarbij ook naar het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat in punt 16 stelt dat maatregelen moeten worden ontwikkeld waardoor mannen en vrouwen hun beroeps‑ en gezinstaken met elkaar kunnen verenigen.
54. Dat een werknemer een lagere opzeggingsvergoeding tijdens het ouderschapsverlof ontvangt dan het bedrag waarop hij vóór de ingang van het ouderschapsverlof recht had, kan de werknemer ervan weerhouden ouderschapsverlof te nemen. Dit gaat in tegen het bovengenoemde doel van de raamovereenkomst. Doordat voor ouderschapsverlof kan worden gekozen, kunnen beroeps‑ en gezinsleven namelijk beter worden gecombineerd.
55. De economische uitlegging waarborgt het door de raamovereenkomst nagestreefde doel. Enerzijds is de werknemer wegens ouderschapsverlof financieel niet slechter af en anderzijds is het ontslag van een werknemer met ouderschapsverlof voor de werkgever financieel niet aantrekkelijker dan het ontslag van een andere werknemer. De werknemer hoeft dus niet te vrezen voor verlies van zijn arbeidsplaats omdat hij ouderschapsverlof opneemt. In het voor de verwijzende rechter aanhangige hoofdgeding lijkt het namelijk niet onwaarschijnlijk dat de werkgever „net op tijd” enkele dagen voor het einde van het ouderschapsverlof nog het ontslag zonder opzeggingstermijn heeft aangezegd, omdat hij daarin financiële voordelen zag vergeleken met een ontslag aan het einde van het ouderschapsverlof respectievelijk het ontslag van een andere werknemer.
56. Deze uitlegging van de regeling brengt ook geen bijzondere last voor de werkgever mee, daar hij louter geen voordeel kan halen uit het feit dat de ontslagen werknemer op het tijdstip van het ontslag met ouderschapsverlof is. Integendeel moet de werkgever in geval van een ontslag zonder opzeggingstermijn, ongeacht de vraag of de betrokken werknemer op het tijdstip van het ontslag met ouderschapsverlof is, een even grote opzeggingsvergoeding betalen.
C – Voorlopig resultaat
57. De richtlijn verzet zich dus tegen een nationale regeling die voor de opzeggingsvergoeding alleen uitgaat van het op het tijdstip van het ontslag wegens ouderschapsverlof lagere deeltijdloon.
D – Gevolgen voor het hoofdgeding
58. Welke gevolgen uit deze vaststelling voor het hoofdgeding moeten worden getrokken, moet de verwijzende rechter beoordelen.
59. In dit opzicht herinner ik er evenwel aan dat volgens vaste rechtspraak een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en dat een bepaling van een richtlijn als zodanig niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen. Daaruit volgt dat zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, niet als zodanig kan worden toegepast in gedingen tussen uitsluitend particulieren.(7) Uit de richtlijn kan dus niet direct een verplichting van de werkgever tot betaling van een hogere opzeggingsvergoeding worden afgeleid. Het nationale recht moet evenwel zo veel mogelijk gemeenschapsrechtconform worden uitgelegd.(8) Tegen een gemeenschapsrechtconforme uitlegging van nationaal recht pleit niet, dat deze mogelijkerwijze ten koste van particulieren kan gaan.(9) Zo geldt de plicht tot richtlijnconforme uitlegging van nationaal recht, zoals algemeen wordt erkend, ook in horizontale rechtsverhoudingen waarin een particulier noodzakelijkerwijze indirect een last wordt opgelegd.(10)
60. Het beginsel van gemeenschapsrechtconforme uitlegging vereist dat de nationale rechter het gehele nationale recht in beschouwing neemt, en door de toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden binnen zijn bevoegdheid al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het door de richtlijn nagestreefde doel.(11)
61. De verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan de inhoud van een richtlijn, wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.(12)
62. De verwijzende rechter moet derhalve nagaan of de gegeven uitlegging van de richtlijn door uitlegging van het nationale recht kan worden toegepast.
VI – Conclusie
63. Tegen de achtergrond van voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
„Clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof die als bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 is gevoegd, moet aldus worden uitgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, de aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van het basisloon berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet wegens ouderschapsverlof had verminderd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 145, blz. 4 (hierna: „richtlijn 96/34” respectievelijk „raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof”).
3 – Arresten van 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59); 18 juli 2007, Lucchini (C‑119/05, Jurispr. blz. I‑6199, punt 43), en 17 april 2008, Quelle (C‑404/06, Jurispr. blz. I‑2685, punt 19).
4 – Arresten van 28 juni 2007, Dell’Orto (C‑467/05, Jurispr. blz. I‑5557, punt 40), en 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering (C‑212/06, Jurispr. blz. I‑1683, punt 29); over het vermoeden van relevantie van prejudiciële vragen, zie bovendien met name arrest van 4 oktober 2007, Rampion en Godard (C‑429/05, Jurispr. blz. I‑8017, punt 23).
5 – Vaste rechtspraak; zie, naast vele andere, arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, Jurispr. blz. I‑403, punt 24); 11 september 2008, Eckelkamp (C‑11/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 27 en 28), en 16 december 2008, Michaniki (C‑213/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 32‑34).
6 – Op dit punt verschillen de onderhavige feiten van die in de zaak Lewen, waarin het Hof reeds zijn standpunt over clausule 2, punt 6, van de raamovereenkomst bepaalde. De litigieuze gratificatie in die zaak was een loutere vrijgevigheid van de werkgever en dus geen verworven recht van de werknemer; zie arrest van 21 oktober 1999, Lewen (C‑333/97, Jurispr. blz. I‑7243, punt 32).
7 – Arresten van 26 februari 1986, Marshall (152/84, Jurispr. blz. 723, punt 48); 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325, punt 20); 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punten 108 en 109), en 7 juni 2007, Carp (C‑80/06, Jurispr. blz. I‑4473, punt 20). Onduidelijk in dit opzicht het arrest van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981, punten 74‑77).
8 – Over de plicht van de nationale rechters tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht, zie vaste rechtspraak en in het bijzonder arrest van 10 april 1984, von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26), en arrest Pfeiffer e.a. (aangehaald in voetnoot 7, punten 113‑119 met verdere verwijzingen), alsook arrest van 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punten 108, 109 en 111).
9 – Zie mijn conclusie van 8 februari 2007, Kofoed (C‑321/05, Jurispr. blz. I‑5795, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 – Zie arrest van 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, Jurispr. blz. I‑4135, punten 6 en 8), en arrest Faccini Dori (aangehaald in voetnoot 7, punten 20, 25 en 26).
11 – Zie arresten Pfeiffer e.a. (aangehaald in voetnoot 7, punten 115 e.v.) en Adeneler e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 111); arresten van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 101), en 23 april 2009, Angelidaki e.a. (C‑378/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 200).
12 – Zie arrest van 8 oktober 1987, Kolpinghuis (80/86, Jurispr. blz. 3969, punt 13), en arresten Adeneler e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 110) en Impact (aangehaald in voetnoot 11, punt 100).
Full & Egal Universal Law Academy