CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 19 mei 2009 (1)
Zaak C‑133/08
Intercontainer Interfrigo SC (ICF)
tegen
Balkenende Oosthuizen BV,
MIC Operations BV
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Verdrag van Rome van 19 juni 1980 – Recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst bij gebreke van rechtskeuze door partijen – Overeenkomst tot vervoer van goederen – Aanknopingscriteria”
1. In de onderhavige zaak dient het Hof voor het eerst het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst(2) uit te leggen, meer in het bijzonder artikel 4 ervan, dat een mechanisme invoert waarmee het recht kan worden aangewezen dat van toepassing is op overeenkomsten bij gebreke van een rechtskeuze door partijen.
2. In deze zaak wordt het Hof verzocht uitspraak te doen over de vraag welk recht krachtens deze bepaling van toepassing is op een overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor het vervoer van goederen voor een bepaalde reis.
3. Artikel 4, lid 1, eerste zin, EVO bevat namelijk een algemene regel die bij gebreke van een rechtskeuze door partijen het op de overeenkomst toepasselijke recht aanwijst, artikel 4, lid 2, een algemeen vermoeden en artikel 4, lid 4, een op de overeenkomst tot vervoer van goederen toepasselijk bijzonder vermoeden.
4. Bovendien wordt het Hof een vraag gesteld over de kwestie of op een deel van een overeenkomst als aan de orde in het hoofdgeding, overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO het recht van een ander land kan worden toegepast dan dat waarmee de overeenkomst in haar geheel het nauwst is verbonden.
5. In de onderhavige conclusie zal ik aangeven waarom een overeenkomst die de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor het vervoer van goederen voor een bepaalde reis tot voorwerp heeft, mijns inziens niet onder artikel 4, lid 4, EVO valt, wanneer de vestiging van de onderneming die dit vervoermiddel ter beschikking moet stellen, zich bevindt in een ander land dan dat waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de wederpartij is gelegen.
6. Voorts zal ik uitleggen waarom de nationale rechter ter bepaling van het op een dergelijke overeenkomst toepasselijke recht, mijns inziens overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste zin, EVO moet achterhalen met welk nationaal recht deze overeenkomst het nauwst is verbonden.
7. Ten slotte zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst niet deels het recht kan worden toegepast van een ander land dan dat waarmee de gehele overeenkomst het nauwst is verbonden.
I – Toepasselijke bepalingen
8. Het EVO is in werking getreden op 1 april 1991. De verdragsluitende staten wensten toentertijd in het grote aantal bestaande conflictregels orde te scheppen door de regels inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, te uniformeren.
9. De bepalingen van het EVO zijn krachtens artikel 1 ervan van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, met uitsluiting van bepaalde in artikel 1, lid 2, EVO genoemde gebieden.(3)
10. In artikel 3 EVO is het beginsel van de partijautonomie verankerd. Volgens deze bepaling wordt „[e]en overeenkomst” namelijk „beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan of blijkt duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.”
11. Voor het geval dat er geen rechtskeuze is gemaakt, bevat het EVO ter bepaling van het toepasselijke recht een algemeen beginsel voor alle overeenkomsten, alsmede vermoedens.
12. Zo bepaalt artikel 4, lid 1, EVO: „Voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.”
13. Artikel 4, lid 2, EVO luidt als volgt:
„Behoudens het vijfde lid wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.”
14. Voor overeenkomsten tot vervoer van goederen geldt een bijzonder vermoeden. Artikel 4, lid 4, EVO bepaalt namelijk: „Het vermoeden van het tweede lid geldt niet voor de overeenkomst tot vervoer van goederen. Wanneer bij een dergelijke overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land.”
15. Deze bepaling preciseert vervolgens: „Voor de toepassing van dit lid wordt als overeenkomst tot vervoer van goederen beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft.”
16. Ten slotte voorziet het EVO in de mogelijkheid dat de nationale rechter het vermoeden van artikel 4, lid 2, buiten toepassing laat indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is, en dat hij de vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, buiten toepassing laat wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.
II – Feiten en procesverloop in het hoofdgeding
17. Intercontainer Interfrigo SC (hierna: „ICF”) is een in België gevestigde vennootschap. Balkenende Oosthuizen BV (hierna: „Balkenende”) en MIC Operations BV (hierna: „MIC”) zijn in Nederland gevestigde vennootschappen.
18. In het kader van een project voor een treinverbinding voor goederenvervoer tussen Amsterdam (Nederland) en Frankfurt (Duitsland) heeft ICF in opdracht van MIC wagons ter beschikking gesteld aan Balkenende. ICF moest het vervoer over het spoor verzorgen en verwierf daartoe de benodigde locomotieven en diensten. MIC verhuurde de verkregen laadcapaciteit aan derden en moest voor het gehele operationele deel van het vervoer zorgen.
19. Partijen hebben geen schriftelijke overeenkomst gesloten. Door ICF is enkel een conceptovereenkomst gezonden, waarin het Belgische recht is aangewezen als het op deze overeenkomst toepasselijke recht. Deze conceptovereenkomst is niet door partijen ondertekend. Wel is tussen 20 oktober en 13 november 1998, alsmede tussen 16 november en 21 december 1998 uitvoering gegeven aan de afspraken.
20. ICF heeft op 27 november 1998 een eerste factuur verzonden aan MIC voor een bedrag van 107 512,50 EUR, voor diensten verricht van 20 oktober tot 13 november 1998. Op 22 december 1998 is een tweede factuur verzonden aan MIC voor een bedrag van 67 100 EUR, voor de uitvoering van de afspraken van 16 november tot 21 december 1998.
21. Aangezien MIC de factuur van 27 november 1998 niet had betaald, heeft ICF haar op 7 september 2001 gesommeerd tot betaling ervan, maar tevergeefs.
22. ICF heeft voor de Rechtbank te Haarlem (Nederland) veroordeling gevorderd van Balkenende en MIC tot betaling van de factuur van 27 november 1998, alsmede van de belasting over de toegevoegde waarde over het bedrag van de factuur, vermeerderd met rente en kosten. ICF stelde dat op de overeenkomst Belgisch recht van toepassing was.
23. De Rechtbank te Haarlem heeft bij vonnis van 28 januari 2004 Nederlands recht op de overeenkomst toepasselijk geoordeeld. Aangezien de vorderingen van ICF naar Nederlands recht waren verjaard, heeft de rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaard in die vorderingen.
24. ICF is in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dit heeft het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg bevestigd. De stelling van ICF dat krachtens rechtskeuze van partijen Belgisch recht van toepassing was op de overeenkomst, verwierp het Gerechtshof op grond dat deze overeenkomst Balkenende en MIC was toegezonden, maar dat zij deze niet hadden ondertekend.
25. Voor het Gerechtshof heeft ICF gesteld dat Belgisch recht van toepassing was krachtens artikel 4, lid 2, EVO. Volgens deze rechterlijke instantie moest de betrokken overeenkomst worden beschouwd als een die hoofdzakelijk betrekking had op het vervoer van goederen, in de zin van artikel 4, lid 4, laatste volzin, EVO. Bovendien was deze overeenkomst volgens die rechterlijke instantie nauwer met Nederland dan met België verbonden, zodat het rechtsvermoeden van artikel 4, lid 2, EVO niet gold.
26. ICF is bij de Hoge Raad der Nederlanden in cassatie gekomen.
27. Aangezien de verwijzende rechter twijfel koestert over de uitlegging van artikel 4 EVO, stelt hij het Hof een aantal prejudiciële vragen.
III – Prejudiciële vragen
28. De Hoge Raad der Nederlanden heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 4, lid 4, EVO aldus worden uitgelegd dat deze bepaling alleen betrekking heeft op reisbevrachting en dat andere soorten van bevrachting buiten het bereik van deze bepaling vallen?
2) Als [de eerste] vraag [...] bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 4, lid 4, EVO dan aldus worden uitgelegd dat voor zover andere soorten van bevrachting tevens vervoer van goederen tot onderwerp hebben, de desbetreffende overeenkomst wat dit vervoer betreft onder het bereik van deze bepaling valt en het toepasselijke recht voor het overige wordt bepaald door artikel 4, lid 2, EVO?
3) Als [de tweede] vraag [...] bevestigend wordt beantwoord, aan de hand van welk van beide aangewezen rechtsstelsels dient dan een beroep op verjaring van de op de overeenkomst gegronde rechtsvorderingen te worden beoordeeld?
4) Als het zwaartepunt van de overeenkomst ligt bij het vervoer van goederen, dient dan de in [de tweede] vraag [...] bedoelde splitsing achterwege te blijven en moet dan het toepasselijke recht op alle onderdelen van de overeenkomst worden bepaald aan de hand van artikel 4, lid 4, EVO?
5) Moet de uitzondering in [artikel 4, lid 5,] tweede zin, [...] EVO aldus worden uitgelegd dat de vermoedens van [artikel 4, leden 2 tot en met 4,] EVO eerst dan niet gelden indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de daarin bedoelde aanknopingscriteria geen reële aanknopingswaarde hebben, of ook reeds indien daaruit blijkt dat sprake is van een aanknopingsoverwicht met een ander land?”
IV – Analyse
A – Opmerkingen vooraf
29. Allereerst zij gepreciseerd dat het Hof krachtens de protocollen van 19 december 1988(4), die in werking zijn getreden op 1 augustus 2004, bevoegd is, de bepalingen van het EVO uit te leggen.
30. Voorts heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 2, sub a, van het eerste protocol 89/128 het recht, het Hof te verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over een vraag die in een bij hem aanhangige zaak aan de orde is gekomen en welke betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het EVO.
B – Prejudiciële vragen
31. Het Hof dient voor het eerst het EVO uit te leggen, meer bepaald de bepaling van dit verdrag die ziet op het recht dat van toepassing is op een overeenkomst bij gebreke van een rechtskeuze door partijen.
32. Het onderzoek van de prejudiciële vragen vereist dat vooraf de inhoud van het bij het EVO ingevoerde stelsel wordt weergegeven.
1. Bij het EVO ingevoerde stelsel
33. De lidstaten hebben ter voortzetting van de eenmaking van het recht op het gebied van het internationale privaatrecht, die is begonnen met de vaststelling van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(5), het EVO vastgesteld.
34. Dit verdrag heeft volgens de preambule ervan tot doel, eenvormige regels op te stellen voor het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. In het rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst(6) wordt gepreciseerd dat aan dit verdrag het verlangen ten grondslag lag, de nadelen uit de weg te ruimen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan verwijzingsregels, met name op het gebied van overeenkomsten. Volgens Th. Vogelaar, toentertijd directeur-generaal „Interne Markt en Harmonisatie van Wetgevingen” van de Commissie, was het grote voordeel van het EVO dat de rechtszekerheid erdoor zou worden vergroot, het vertrouwen in de bestendigheid van rechtsbetrekkingen versterkt, overeenkomsten betreffende de bevoegdheid in verband met het toepasselijke recht vergemakkelijkt, en de bescherming van verkregen rechten op het gehele terrein van het privaatrecht versterkt.
35. Het EVO heeft derhalve als doelstelling de conflictregels eenvormig te maken opdat, ongeacht waar de beslissing wordt gegeven, hetzelfde recht wordt aangewezen.
36. Met het oog op de verwezenlijking van deze doelstelling is in artikel 3 EVO het beginsel verankerd van de partijautonomie bij de keuze van het op de verbintenissen uit overeenkomst toepasselijke recht. Volgens dit voor de lidstaten gemeenschappelijke beginsel wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.
37. Bij gebreke van een keuze reikt artikel 4 EVO, zoals aangegeven, de rechter de elementen aan die noodzakelijk zijn ter bepaling van het toepasselijke recht. Het aldus bij dit artikel ingevoerde stelsel kan naar mijn mening worden weergegeven als volgt.
38. Artikel 4, lid 1, EVO bepaalt dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, „de overeenkomst [wordt] beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.”
39. De eerste zin van deze bepaling kan enigszins vaag lijken, maar lijkt in werkelijkheid redelijk wel de door de rechterlijke instanties van de lidstaten gehuldigde opvattingen weer te geven.
40. Uit het rapport-Giuliano Lagarde komt namelijk naar voren dat in het merendeel van de lidstaten de objectieve opvatting voor de toepassing van het recht op de overeenkomst wordt verkozen boven vaste en strikte aanknopingspunten.(7) Bij gebreke van een keuze door partijen van het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, moet de rechter aanwijzingen zoeken op grond waarvan deze overeenkomst in een bepaald land kan worden gesitueerd.
41. Artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO heeft betrekking op wat over het algemeen de „dépeçage” van een overeenkomst wordt genoemd. Op deze mogelijkheid van „dépeçage” zal ik meer gedetailleerd terugkomen in het laatste gedeelte van dit betoog.
42. De schijnbare soepelheid van artikel 4, lid 1, EVO wordt enigszins aan banden gelegd door een aantal in de hierop volgende leden neergelegde vermoedens.
43. Zo bepaalt artikel 4, lid 2, EVO dat „wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.”
44. Het rapport-Giuliano Lagarde geeft aan dat deze bepaling een concrete en objectieve inhoud geeft aan het begrip „het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden”, en de vaststelling van het op de overeenkomst toepasselijke recht bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, aanzienlijk vereenvoudigt.(8) Tevens wordt gepreciseerd dat met het aanknopen van de overeenkomst bij een rechtsstelsel van binnenuit, kan worden voorkomen dat deze aanknoping van buitenaf geschiedt aan de hand van elementen die met deze overeenkomst niet werkelijk verband houden, zoals de nationaliteit van partijen of de plaats waar de overeenkomst is gesloten.(9)
45. De keuze van het op de overeenkomst toepasselijke recht aan de hand van de plaats van verblijf, van het hoofdbestuur of van de vestiging van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, kan mijns inziens worden verklaard uit het feit dat dit recht als voordeel heeft dat de partij die deze prestatie verricht van dat recht op eenvoudige wijze kennis kan nemen, met name zonder taalbarrières, en dat zij ervan mag uitgaan dat het zal worden toegepast.
46. Bovendien zal de partij die de kenmerkende prestatie verricht uit hoofde van haar beroeps‑ of bedrijfsactiviteit vele overeenkomsten sluiten. Om praktische redenen lijkt het dus wenselijk dat alle overeenkomsten die zij sluit, door hetzelfde recht worden beheerst. Hiertegen kan zeker worden ingebracht dat bij een wederkerige overeenkomst hetzelfde voor de wederpartij geldt. In de overgrote meerderheid van de gevallen bestaat de tegenprestatie echter uitsluitend in de betaling van een bedrag in geld.
47. De keuze van de plaats van verblijf, het hoofdbestuur of de vestiging van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, lijkt derhalve het meest geëigend om het op de overeenkomst toepasselijke recht te bepalen.
48. Op dit algemene vermoeden bestaan twee uitzonderingen, die worden vermeld in artikel 4, leden 3 en 4, EVO.
49. In de eerste plaats geldt namelijk dat „[v]oor zover de overeenkomst een zakelijk recht op of een recht tot gebruik van een onroerend goed tot onderwerp heeft [...] vermoed [wordt] dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar het onroerend goed is gelegen”.
50. Dat voor dit type overeenkomst een bijzonder vermoeden geldt dat de lex rei sitae aanwijst, kan worden verklaard doordat in dit geval het zwaartepunt het onroerend goed zelf is.
51. Overigens lijkt het erop dat het rapport-Giuliano Lagarde hierom preciseert dat overeenkomsten tot het bouwen of herstellen van onroerend goed niet onder artikel 4, lid 3, EVO vallen.(10) Dergelijke overeenkomsten hebben niet een recht op het onroerend goed tot voorwerp, maar het verrichten van diensten, zoals met betrekking tot dit onroerend goed te verrichten werkzaamheden. In dat geval mag ervan worden uitgegaan dat het recht dat toepasselijk is bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, zal worden vastgesteld aan de hand van het algemene vermoeden, en dat dit het recht zal zijn van de verblijfplaats van de partij die de kenmerkende prestatie verricht.
52. In de tweede plaats bepaalt artikel 4, lid 4, EVO: „Het vermoeden van het tweede lid geldt niet voor de overeenkomst tot vervoer van goederen. Wanneer bij een dergelijke overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land. Voor de toepassing van dit lid wordt als overeenkomst tot vervoer van goederen beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft.”
53. De invoering van een bijzonder vermoeden voor de overeenkomst tot vervoer van goederen kan worden verklaard uit het feit dat bij internationale verhoudingen de gewone verblijfplaats van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, te weten de vervoerder omdat het hoofdvoorwerp van een dergelijke overeenkomst de verplaatsing van goederen is, veelal niet objectief met de overeenkomst is verbonden. Dit is bijvoorbeeld het geval met een in Duitsland gevestigde vervoerder, die belast is met het vervoer van de goederen van een Franse verzender van Frankrijk naar Italië.
54. Derhalve zal enkel wanneer het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, samenvalt met dat waarin de plaats van de inlading of lossing of de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, de overeenkomst worden beheerst door het recht van dat land. Meerdere lokalisatiefactoren wijzen aldus naar eenzelfde plaats.
55. Indien deze twee voorwaarden niet zijn vervuld, is artikel 4, lid 4, EVO niet van toepassing.
56. Deze bepaling preciseert niet welke oplossing dan moet worden gevonden.
57. Het lijkt mij redelijk dat in een dergelijke situatie de rechter die het op de overeenkomst toepasselijke recht moet bepalen, de algemene regel van artikel 4, lid 1, EVO moet toepassen. Hij zou aldus de elementen van de overeenkomst kunnen beoordelen aan de hand waarvan hij het zwaartepunt van die overeenkomst kan lokaliseren.
58. De vraag is derhalve of in deze situatie moet worden teruggegrepen op het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, EVO. Ik denk van niet, en wel om de volgende redenen.
59. Ik herinner eraan dat artikel 4, lid 4, EVO bepaalt dat „[h]et vermoeden van het tweede lid [...] niet [geldt] voor de overeenkomst tot vervoer van goederen”.
60. Deze eerste volzin moet naar mijn mening aldus worden opgevat dat als de plaats van vestiging van de vervoerder niet samenvalt met die van de inlading of lossing dan wel de hoofdvestiging van de verzender, het vermoeden van lid 2 niet van toepassing is.
61. Het bijzondere vermoeden van artikel 4, lid 4, EVO komt er namelijk in werkelijkheid op neer dat het recht wordt toegepast van de verblijfplaats van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, te weten de vervoerder.
62. Zoals gezegd, waren de opstellers van het EVO van mening dat de verblijfplaats van de vervoerder geen toereikend element was voor aanknoping van de overeenkomst bij het recht van deze verblijfplaats. Een ander element, te weten de plaats van inlading, van lossing dan wel de hoofdvestiging van de verzender, moet dus de nauwe verbondenheid van de overeenkomst met het land van verblijf van de vervoerder bevestigen.
63. Ofschoon deze opstellers er zorg voor hebben gedragen dat dergelijke voorwaarden gelden voor de aanknoping van een overeenkomst tot vervoer van goederen bij het recht van de plaats van verblijf van de vervoerder, lijkt mij dat een verwijzing naar het algemene vermoeden van artikel 4, lid 2, EVO in het geval waarin de voorwaarden niet zijn vervuld, zou indruisen tegen het nut van artikel 4, lid 4, EVO.
64. Zoals ik heb gepreciseerd, is de overeenkomst tot vervoer van goederen een ingewikkelde overeenkomst, waarvan de aanknopingselementen talrijk en uiteenlopend zijn. De vervoerder kan zijn gevestigd in Frankrijk, de verzender in Italië en het vervoer kan plaatsvinden tussen Nederland en België. Geen van deze plaatsen lijkt boven een andere te gaan. Het is naar mijn mening met name om deze reden dat de overeenkomst tot vervoer van goederen in het EVO voorwerp is van een bijzonder vermoeden.
65. Indien de voorwaarden van artikel 4, lid 4, EVO niet zijn vervuld, zal de rechter daarom volgens mij per geval in overeenstemming met de algemene regel van artikel 4, lid 1, EVO moeten onderzoeken, welk land het nauwst met de overeenkomst is verbonden.(11)
66. Ofschoon het EVO ertoe tendeert, met behulp van vermoedens de toepassing van conflictregel voorspelbaarder te maken, bestaat er toch een – in verordening Rome I overgenomen – element waaruit kan worden afgeleid dat in de opzet van dit verdrag een zekere soepelheid is gehandhaafd.
67. Artikel 4, lid 5, EVO bepaalt namelijk dat „[h]et tweede lid [...] geen toepassing [vindt] indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is. De vermoedens van het tweede [tot en met] vierde lid gelden niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.”
68. Deze bepaling moet mijns inziens worden gelezen als volgt. Ingeval de kenmerkende prestatie niet kan worden vastgesteld, wordt door de werking van artikel 4, lid 5, EVO verwezen naar de algemene regel van artikel 4, lid 1, EVO, op grond waarvan de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden.
69. Zelfs indien de kenmerkende prestatie wordt vastgesteld, geldt het vermoeden van artikel 4, lid 2, EVO voorts niet, wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Voor de vermoedens van artikel 4, leden 3 en 4, EVO geldt hetzelfde.
70. Het rapport-Giuliano Lagarde geeft aan dat aan artikel 4, lid 5, de volgende gedachtegang ten grondslag ligt: aangezien het EVO een algemene conflictregel invoert die op bijna alle categorieën contracten dient te worden toegepast, is de onvermijdelijke pendant dat telkens wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat zich in de plaats van de aanknopingsfactor die aanvankelijk werd vermoed de nauwste verbondenheid tot uitdrukking te brengen, een andere aanknopingsfactor aandient, aan de rechter een beoordelingsmarge moet worden gelaten.(12)
71. De toepassing van artikel 4, lid 5, EVO is voorwerp van discussie. Er lijkt sprake te zijn van twee tendensen. Volgens de eerste tendens is deze bepaling subsidiair ten opzichte van het algemene en de bijzondere vermoedens. Deze tendens, die wordt gevolgd door een minderheid, lijkt te worden onderschreven door de Schotse en de Nederlandse rechterlijke instanties. Deze bepaling zou enkel van toepassing zijn wanneer, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de hoofdvestiging van de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst verricht, geen reële aanknopingsfactor is.(13)
72. De vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, EVO worden dan geacht voorrang te hebben.
73. De tweede tendens die naar voren komt over de opbouw van artikel 4, lid 5, EVO is onzekerder en flexibeler. Het lijkt erop dat er voor het niet laten gelden van de vermoedens geen strikte regels worden gehanteerd(14), aangezien sommige rechterlijke instanties die bepaling toepassen zonder eerst te onderzoeken of de vermoedens kunnen gelden, terwijl andere haar toepassen met motivering waarom zij deze vermoedens terzijde laten.
74. Naar mijn mening moet artikel 4, lid 5, EVO om redenen verband houdend met de naleving van het rechtszekerheidsbeginsel en ter waarborging van het door het EVO beoogde doel van voorspelbaarheid, worden toegepast voor zover is aangetoond dat de vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, EVO niet de werkelijke verbondenheid van de overeenkomst met de aldus aangewezen plaats tot uitdrukking brengen.(15)
75. Zoals reeds aangegeven, is het EVO immers vastgesteld om de nadelen uit de weg te ruimen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan conflictregels, en om de toepassing van deze regels voorspelbaarder te maken. Verordening Rome I neemt deze doelstellingen overigens over. In punt 16 van de considerans ervan wordt verklaard: „Teneinde bij te dragen aan de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, moeten de collisieregels in hoge mate voorspelbaar zijn.”
76. De opstellers van het EVO hebben er dus ter versterking van de rechtszekerheid zorg voor gedragen, vermoedens in te voeren. Deze vermoedens worden geacht het recht van het land aan te wijzen waarmee de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een huurovereenkomst waarop krachtens artikel 4, lid 3, EVO het recht toepasselijk zal zijn van het land waarin het betrokken onroerend goed is gelegen.
77. Indien de rechter echter van mening is, en daarin schuilt mijns inziens de ratio van artikel 4, lid 5, EVO, dat het aldus aangewezen recht van een land niet werkelijk met de overeenkomst is verbonden, kan hij de vermoedens, die eenvoudige vermoedens zijn(16), niet laten gelden.(17)
78. Stel, om nogmaals het voorbeeld van de huurovereenkomst te nemen, dat er sprake is van een overeenkomst tussen twee Franse staatsburgers inzake seizoenshuur in Italië. Een dergelijke overeenkomst zal het nauwst met Frankrijk zijn verbonden. In dit geval wijzen meerdere elementen naar een ander land dan door het vermoeden wordt aangewezen. De contractpartijen zijn beide Frans staatsburger, de overeenkomst is ongetwijfeld in Frankrijk gesloten en het is a priori in hun belang dat Frans recht op de overeenkomst toepasselijk is, al was het maar vanwege de taal en omdat dit recht het recht is dat de contractpartijen worden geacht te kennen.
79. Deze flexibiliteit bij de toepassing van de conflictregel kan worden gerechtvaardigd door de wens om niet arbitrair het recht voor te schrijven van een land waarmee de overeenkomst per saldo in werkelijkheid weinig is verbonden.
80. Een zekere flexibiliteit is ook terug te vinden bij de toepassing van de conflictregel van artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO. Ingevolge deze bepaling kan namelijk, ingeval een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden van de rest van de overeenkomst en nauwer verbonden is met een ander land, bij wijze van uitzondering op dit deel van de overeenkomst het recht van dat andere land worden toegepast.
81. De kwestie van de „dépeçage” van een overeenkomst lijkt in de werkgroep die het ontwerp-EVO moest opstellen, aan de orde te zijn gekomen.
82. Er wordt namelijk in het rapport-Giuliano Lagarde aangegeven dat „geen enkele delegatie ‚dépeçage’ wenste aan te moedigen”, maar dat „de meeste deskundigen er wel voor [waren een dergelijke] mogelijkheid [...] open te laten, mits [de rechter] dat bij wijze van uitzondering zou doen en voor een – ten opzichte van de overeenkomst en niet van het geschil – autonoom en af te zonderen deel”.(18)
83. Volgens Lagarde moet het kunnen afscheiden van een deel van een overeenkomst strikt worden opgevat. Met name kunnen twee verplichtingen niet van elkaar worden gescheiden op de enkele grond dat zij in twee verschillende landen worden uitgevoerd. Lagarde geeft vervolgens aan dat wil een deel van de overeenkomst afscheidbaar kunnen worden geacht, dit voorwerp moet kunnen zijn van een aparte oplossing, onafhankelijk van de oplossing die voor de andere bestanddelen van de overeenkomst is gegeven.(19)
84. Aldus zou een overeenkomst over zowel de verkoop van materiaal als een toezegging voor technische bijstand aan verschillende soorten recht kunnen worden onderworpen, daar deze twee aspecten objectief van elkaar kunnen worden gescheiden.(20)
85. Tevens wordt in het rapport-Giuliano Lagarde aangegeven dat „[d]e woorden ‚bij wijze van uitzondering’ [...] bijgevolg zo [moeten] worden geïnterpreteerd dat de rechter zo min mogelijk zijn toevlucht tot ‚dépeçage’ dient te nemen”.(21)
86. De keuze om „dépeçage” enkel bij wijze van uitzondering toe te staan, valt goed te begrijpen gelet op de wens dat niet mag worden afgedaan aan de logische samenhang van een overeenkomst en dat de keuze van een bepaald rechtsstelsel niet tot tegenstrijdige resultaten mag leiden.(22)
87. De nationale rechterlijke instanties zijn overigens zelf terughoudend ten aanzien van de toepassing van „dépeçage”. De Court of Appeal (England and Wales) (Verenigd Koninkrijk) heeft bijvoorbeeld aangegeven dat „dépeçage” enkel kan worden overwogen voor aparte autonome bedingen die afzonderlijk van de rest van de overeenkomst kunnen worden behandeld.(23)
88. Ook het Bundesgerichtshof (Duitsland) heeft, geruime tijd voordat het EVO werd opgesteld, geoordeeld dat in het algemeen een zwaartepunt van de overeenkomst moet worden vastgesteld en één enkel recht op een rechtsverhouding moet worden toegepast.(24)
89. Voor de „dépeçage” van een overeenkomst bestaan er dus grenzen en deze moet derhalve enkel bij wijze van uitzondering worden toegepast. „Dépeçage” mag er niet toe leiden dat het hoofddoel van het EVO, waarborging van een zekere voorspelbaarheid bij de toepassing van de conflictregels, wordt ondermijnd.
90. In het licht van deze overwegingen zal ik thans de prejudiciële vragen onderzoeken.
2. Prejudiciële vragen
91. Mijns inziens dienen de prejudiciële vragen te worden behandeld als volgt.
92. Om te beginnen wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen te vernemen of een overeenkomst als hier aan de orde binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 4, EVO valt.
93. Vervolgens wordt het Hof met de vijfde vraag verzocht de reikwijdte te preciseren van artikel 4, lid 5, EVO, dat bepaalt dat de vermoedens van artikel 4, leden 2 tot en met 4, EVO kunnen worden weerlegd wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.
94. Ten slotte stelt de verwijzende rechter met zijn tweede, derde en vierde vraag aan de orde of op een contract als het onderhavige „dépeçage” kan worden toegepast. Hij stelt zich deze vraag met name gelet op het feit dat de verjaringstermijnen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten variëren naargelang van het toepasselijke recht.
95. Naar mijn mening dienen de eerste en de vijfde vraag gezamenlijk te worden onderzocht. Deze vragen begrijp ik namelijk aldus, dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om, gelet op het bij artikel 4 EVO ingevoerde stelsel, te bepalen welk recht op een overeenkomst als aan de orde in het hoofdgeding van toepassing is.
96. Aldus zal ik enerzijds de redenen aangeven waarom deze overeenkomst naar mijn mening niet kan vallen onder artikel 4, lid 4, EVO en anderzijds waarom de verwijzende rechter, ter bepaling van het op die overeenkomst toepasselijke recht, naar mijn mening overeenkomstig artikel 4, lid 1, EVO moet onderzoeken welk land met de betrokken overeenkomst het nauwst verbonden is.
97. Ten slotte zal ik uiteenzetten waarom mijns inziens op deze overeenkomst geen „dépeçage” kan worden toegepast.
a) Toepassing van het bij artikel 4 EVO ingevoerde stelsel op de betrokken overeenkomst
98. De verwijzende rechter vraagt zich af of de overeenkomst waaraan tussen ICF en MIC uitvoering is gegeven, als overeenkomst tot vervoer van goederen kan worden gekwalificeerd en aldus kan vallen onder artikel 4, lid 4, EVO.
99. Er zij aan herinnerd dat ICF krachtens deze overeenkomst aan Balkenende, die zelf handelde in naam van MIC, wagons ter beschikking heeft gesteld en goederenvervoer per spoor tussen Amsterdam en Frankfurt heeft verzorgd. Met het operationele deel van het vervoer heeft alleen MIC zich beziggehouden, die de laadcapaciteit waarover zij beschikte, aan derden had verhuurd.
100. De verwijzende rechter geeft tevens aan dat ICF een in België gevestigde vennootschap is, terwijl Balkenende en MIC zijn gevestigd in Nederland.
101. Zoals aangegeven in punt 54 van deze conclusie, vindt artikel 4, lid 4, EVO enkel toepassing indien het land waar de vervoerder verblijft, hetzelfde is als dat waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen. Het doet er in dit stadium van de analyse weinig toe, of de tussen ICF, enerzijds, en Balkenende en MIC, anderzijds, gesloten overeenkomst als overeenkomst tot vervoer van goederen in de zin van deze bepaling kan worden gekwalificeerd.
102. Er moet dus worden vastgesteld dat deze plaatsen in de onderhavige zaak niet samenvallen. ICF is namelijk gevestigd in België, terwijl de wederpartijen, Balkenende en MIC, zijn gevestigd in Nederland. Bovendien vindt het vervoer plaats van Amsterdam naar Frankfurt, wat betekent dat de inlading in Nederland en de lossing in Duitsland plaatsvindt.
103. Derhalve kan de betrokken overeenkomst, zelfs indien zij wordt gekwalificeerd als overeenkomst tot vervoer van goederen in de zin van artikel 4, lid 4, EVO, mijns inziens niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen, omdat niet aan de vereiste voorwaarden is voldaan.
104. Overeenkomstig hetgeen ik hiervoor heb aangegeven, ben ik dan ook van mening dat indien niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, de algemene regel van artikel 4, lid 1, EVO van toepassing is.
105. De verwijzende rechter moet derhalve onderzoeken welk land met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst het nauwst is verbonden. Bij dit onderzoek kan acht worden geslagen op meerdere gegevens: met name de plaats waar de overeenkomst is gesloten, de plaats waar deze ten uitvoer is gebracht, de verblijfplaats van partijen en het voorwerp van de overeenkomst. Deze elementen zullen de rechter leiden naar een punt van convergentie, het zwaartepunt van de overeenkomst.
106. De paar gegevens die de verwijzende rechter heeft aangereikt lijken van Nederland het zwaartepunt van de overeenkomst te maken. Ik herinner eraan dat ICF immers is gevestigd in België, terwijl Balkenende en MIC zijn gevestigd in Nederland en het vervoer plaatsvindt van Amsterdam naar Frankfurt.
107. Derhalve zou Nederlands recht op deze overeenkomst van toepassing moeten zijn. Hoe dan ook staat het aan de nationale rechter, te bepalen met welk land de betrokken overeenkomst het nauwst is verbonden.
108. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat een overeenkomst die de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor goederenvervoer voor een bepaalde reis tot voorwerp heeft, niet onder artikel 4, lid 4, EVO valt wanneer de vestiging van de onderneming die dit vervoermiddel ter beschikking moet stellen, is gelegen in een ander land dan dat waarin de plaats van de inlading of lossing dan wel de hoofdvestiging van de wederpartij is gelegen.
109. Ter bepaling van het op een dergelijke overeenkomst toepasselijke recht dient de nationale rechter mijns inziens derhalve overeenkomstig artikel 4, lid 1, EVO te onderzoeken met het recht van welk land deze overeenkomst het nauwst verbonden is.
b) Mogelijkheid van „dépeçage”
110. Met zijn tweede, derde en vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of op een overeenkomst als aan de orde in het hoofdgeding „dépeçage” kan worden toegepast. Hij stelt zich deze vraag met name gelet op het feit dat de verjaringstermijnen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten naargelang van het toepasselijke recht verschillen.
111. Deze vragen van de verwijzende rechter begrijp ik aldus dat hij in feite wenst te vernemen of de verplichting van Balkenende en MIC om de tegenprestatie te leveren voor de verplichting die ICF heeft uitgevoerd, kan worden afgescheiden van het resterende deel van de door deze partijen gesloten overeenkomst, nu het erom gaat of de vordering van ICR volgens het toepasselijke recht al dan niet is verjaard.
112. Zoals uiteengezet, kan volgens artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO in uitzonderingsgevallen „dépeçage” plaatsvinden.
113. „Dépeçage” is uiteindelijk slechts van belang indien het deel ten aanzien waarvan het voornemen bestaat, een ander recht toe te passen, autonoom afgescheiden is van de overeenkomst in haar geheel en dit deel nauwer is verbonden met het recht van een ander land.
114. In de onderhavige zaak lijkt „dépeçage” mij moeilijk voorstelbaar. De overeenkomst tussen ICF, enerzijds, en Balkenende en MIC, anderzijds, heeft één enkele prestatie tot voorwerp, de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor het vervoer van goederen voor een bepaalde reis, waarvan de tegenprestatie bestaat in de betaling van een geldsom. Deze wederkerigheid van de verplichtingen van partijen lijkt te nopen tot toepassing van één enkel soort recht op de overeenkomst.
115. Dit zou mijns inziens anders zijn indien de betrokken overeenkomst verschillende, van elkaar scheidbare verplichtingen zou bevatten, zoals bijvoorbeeld de verplichting om de goederen, wanneer zij eenmaal ter bestemming in Frankfurt zijn aangekomen, op Duits grondgebied af te leveren. Deze twee verplichtingen zouden mij objectief scheidbaar lijken.
116. Hieraan voeg ik nog toe dat zelfs indien een deel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst kan worden afgescheiden van de rest van de overeenkomst, dit onverlet laat dat de rechter overeenkomstig artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO zich ervan zal moeten vergewissen dat dit autonome deel nauwer verbonden is met het recht van een ander land. In het licht van wat ik heb aangegeven in de punten 106 en 107 van deze conclusie, lijkt het mij moeilijk om ten aanzien van enig deel van de overeenkomst aan te knopen bij Belgisch recht, volgens welk recht de vordering van ICF, het zij nogmaals gezegd, niet is verjaard.
117. Bijgevolg ben ik van mening dat in het kader van een overeenkomst die de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor het vervoer van goederen voor een bepaalde reis tot voorwerp heeft, artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO, niet van toepassing is.
V – Conclusie
118. Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Hoge Raad der Nederlanden te beantwoorden als volgt:
„Een overeenkomst die de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor goederenvervoer voor een bepaalde reis tot voorwerp heeft, valt niet onder artikel 4, lid 4, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (EVO), wanneer de vestiging van de onderneming die dit vervoermiddel ter beschikking moet stellen, is gelegen in een ander land dan dat waar de plaats van de inlading of lossing dan wel de hoofdvestiging van de wederpartij is gelegen.
Het op een dergelijke overeenkomst toepasselijke recht is overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste zin, EVO het recht van het land waarmee deze overeenkomst het nauwst verbonden is. Deze verbondenheid kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het feit dat bij een overeenkomst als aan de orde in het hoofdgeding de wederpartijen zijn gevestigd in Nederland en de plaats van inlading tevens in dit land is gelegen.
Artikel 4, lid 1, tweede zin, EVO moet aldus worden uitgelegd dat op een deel van een overeenkomst het recht van een ander land kan worden toegepast, indien dit deel autonoom afgescheiden is van de overeenkomst in haar geheel. Een overeenkomst als de onderhavige, die één enkele prestatie tot voorwerp heeft, bestaande in de terbeschikkingstelling van een vervoermiddel voor het vervoer van goederen voor een bepaalde reis, voldoet niet aan dit vereiste.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Verdrag ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266, blz. 1; hierna ook: „EVO”).
3 – Het gaat bijvoorbeeld om de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, verbintenissen uit overeenkomst betreffende testamenten en erfenissen, huwelijksgoederenrecht, rechten en verplichtingen uit familierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen, uit bloedverwantschap en huwelijk of ook nog overeenkomsten tot arbitrage en tot aanwijzing van een bevoegde rechter.
4 – Eerste protocol 89/128/EEG betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1989, L 48, blz. 1), alsmede toetredingsverdragen van 10 april 1984, 18 mei 1992 en 29 november 1996, en tweede protocol 89/129/EEG waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaalde bevoegdheden worden toegekend inzake de uitlegging van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1989, L 48, blz. 17), alsmede toetredingsverdragen van 10 april 1984, 18 mei 1992 en 29 november 1996.
5 – PB 1972, L 299, blz. 32. Dit verdrag is vervangen door verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
6 – Rapport door M. Giuliano, hoogleraar aan de Universiteit van Milaan, en P. Lagarde, hoogleraar aan de Universiteit van Parijs I (PB 1980, C 282, blz. 1; hierna: „rapport-Giuliano Lagarde”).
7 – Zie ad artikel 4, sub 1, van het rapport-Giuliano Lagarde.
8 – Zie ad artikel 4, sub 3, zevende alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
9 – Zie ad artikel 4, sub 3, tweede alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
10 – Zie ad artikel 4, sub 4, vierde alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
11 – Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6; hierna: „verordening Rome I”) lijkt deze lacune van artikel 4, lid 4, EVO te remediëren. Ingevolge artikel 5, lid 1, van verordening Rome I, dat van toepassing is op overeenkomsten tot vervoer van goederen, is, indien niet aan de in artikel 4, lid 4, EVO vermelde en in verordening Rome I overgenomen voorwaarden is voldaan, namelijk het recht van toepassing van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen. Wij zouden derhalve kunnen denken dat de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van het toepasselijke recht voorrang hebben gekregen boven de flexibiliteit bij de toepassing van de conflictregel.
12 – Zie ad artikel 4, sub 7, vierde en vijfde alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
13 – Zie met name arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 25 september 1992, Société Nouvelle des Papeteries de l’AA SA/BV Machinefabriek BOA (Nederlandse Jurisprudentie 1992, nr. 750), en arrest van de Court of Session (Scotland) (Verenigd Koninkrijk) van 12 juli 2002, Caledonia Subsea Ltd v. Micoperi Srl (2002 SLT 1022).
14 – Zie met name arrest van de Cour de cassation (Frankrijk) van 19 december 2006 (cass com nr. 05‑19.723). Zo heeft de Cour de cassation geoordeeld dat „de overeenkomst krachtens artikel 4, lid 1, EVO wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Uit artikel 4, leden 2 en 5, in onderlinge samenhang gelezen, blijkt dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, voor de vaststelling van het meest geëigende recht de banden moet vergelijken die bestaan tussen de overeenkomst en enerzijds het land waarin de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, en anderzijds het andere land waarom het gaat, en moet onderzoeken met welk land de overeenkomst het nauwst is verbonden.” Zie tevens arrest van de High Court of Justice of England and Wales (Verenigd Koninkrijk) van 13 december 1993, Bank of Baroda v. Vysya Bank ([1994] 2 Lloyd’s Rep. 87, 93), waarin de Engelse rechter het vermoeden van artikel 4, lid 2, EVO terzijde heeft geschoven ten gunste van artikel 4, lid 5, EVO, volgens hetwelk op de overeenkomst het recht van toepassing is waarmee zij, gelet op de omstandigheden van het geval, het nauwst is verbonden.
15 – Zie in die zin Groenboek over de omzetting van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in een communautair instrument, alsmede over de modernisering ervan [COM(2002) 654 def., blz. 27 en 28].
16 – Zie ad artikel 4, sub 9, van het rapport-Giuliano Lagarde.
17 – Overigens is deze mogelijkheid overgenomen in artikel 4, lid 3, van verordening Rome I.
18 – Zie ad artikel 4, sub 8, tweede alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde. Zie tevens ad artikel 3, sub 4, van het rapport.
19 – Lagarde, P., „Le nouveau droit international privé des contrats après l’entrée en vigueur de la Convention de Rome du 19 juin 1980”, RC Dip, 80(2), april-juni 1991, blz. 287.
20 – Mayer, P., en Heuzé, V., Droit international privé, 9e druk, Montchrestien, Parijs, 2007, nr. 710.
21 – Zie ad artikel 4, sub 8, vierde alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
22 – Zie ad artikel 3, sub 4, eerste alinea, van het rapport-Giuliano Lagarde.
23 – Arrest van 28 juli 1998, The Governor and Company of Bank of Scotland of the Mound v. Butcher [(1998) EWCA Civ 1306]. Zie tevens arresten van de High Court of Justice of England and Wales van 6 november 2001, CGU International Insurance plc v. Szabo & Ors. [(2002) 1 All ER (Comm) 83], en 4 maart 2003, American Motorists Insurance Co (Amico) v. Cellstar Corp & Anor [(2003) EWCA Civ 206, punt 33].
24 – Arrest van het Bundesgerichtshof van 7 mei 1969 (VIII ZR 142/68, DB 1969, 1053).
Full & Egal Universal Law Academy